Brief aan de Romeinen.
Romeinen 6 vers 5—7. Want indien wij met hem ééne plant geworden zijn in de gelijkmaking zijns.doods, zoo zullen we het ook zijn in de gelijkmaking zijner opstanding ; dit wetende, dat onze oude mensch met hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde teniet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen ; want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde.
Wat de apostel Paulus in vers 4 heeft gezegd, heeft hij in het 5e vers nader te verklaren. Vers. 4 luidde : Wij zijn dan met hem begraven door den doop in den dood, opdat gelijkerwijs Christus uit de dooden is opgewekt tot de heerlijkheid des Vaders, alzoo ook wij in nieuwigheid des levens zouden wandelen. In deze woorden heeft hij dus uiteengezet, wat het eigenlijk beteekent, om met Christus door den doop begraven te worden. Met het 5e vers wil hij dijt verduidelijken. Hij gebruikt nu een nieuw beeld. Als een boomkweeker een edele loot op den een of anderen stam heeft ingeënt, is het de bedoeling, dat die nieuwe twijg met den stam zal samengroeien.
Bij een boom, die wat ouder geworden is, is die samengroeiïng zoodanig tot stand gekomen, dat hij, dié geen kenner van het vak is, de sporen van de enting niet eens meer ziet.
Van nature heeft de mensch met Chrisus geen gemeenschap. Van een geestelijke samengroei kan zelfs geen sprake wezen. Van nature heeft de mensch geen lust aan de kennis van Zijne wegen.
Maar ziet, wat de natuur onmogelijk tot stand kan brengen, dat leert Gods genade. Gods Geest werkt die mystieke vereeniging van den zondaar met Christus, een vereeniging als van de loot, die met den stam is samengegroeid.
Hoe komt dan nu die mystieke gemeenschap tot stand ? hoor ik u vragen.
Zeiden we boven, dat het schepsel, hetwelk zoo.diep is weggezonken, geen gemeenschap begeert met den Schepper, omgekeerd kan ook de heilige en verhevene Rechter met de zonde geen gemeenschap hebben.
Het is dus de zonde, die tusschenbeiden is getreden. De zonde belemmert de mystieke gemeenschap van het gevallen schepsel met den rechtvaardigen Schepper.
Maar nu is juist dit het rijke evangelie, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om die zonden te verzoenen. Hij heeft voor die zonde de straf gedragen. Hij heeft door Zijnen dood het recht Gods verzoend.
O, zondaren, gij, die u zelf in uwe doemvvaardigheid hebt leeren kennen, die Christus alleen kan u redden. In Hem moet gij worden ingeënt. Met Hem moet gij
samengroeien door de kracht van het ware, zaligmakende geloof.
Alleen het geloof brengt tot die mystieke vereeniging van Christus. Die door dat geloof Christus leerde omhelzen, moest worden gedoopt. Wie geloofd zal hebben en wie gedoopt zal zijn, zal zalig worden.
Die doop geleek immers op Zijn ondergaan in de wateren. Op Zijn dood. Het opklimmen uit het doopwater geleek immers op Zijne opstanding. Zoo kreeg de zondaar door het geloof deel en gemeenschap aan Zijn borgtochtelijk sterven, maar ook aan de levensvernieuwende krachten, die uitgaan van Zijne opstanding.
Elders heeft Paulus het zoo schoon gezegd, dat Christus Jezus hem geworden was tot wijsheid, rechtvaardigmaking, heiligmaking en eene volkomene verlossing. Wie bij zijn doop in de wateren werd ondergedompeld, was als een, die onder het recht Gods verloren ging. Maar wie uit de wateren opklom, was ook als een, die tot een nieuw leven opklimt. En dat alleen door de mystieke gemeenschap met Hem, die dood is geweest, maar weder levend geworden is.
In Christus ligt zoowel de rechtvaardigmaking als de heiligmaking van den zondaar opgesloten.
Ware Christus niet gestorven, had Hij niet gelegen in het graf, was Hij niet opgestaan en opgevaren naar den hemel, nooit zou een zondaar uit het graf der zonde hebben kunnen opklimmen tot een nieuw leven.
En dan vervolgt de apostel in vers 6 : Dit wetende, dat onze oude mensch met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde teniet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen.
In dit vers werkt de apostel de vergelijking van Zijn dood en opstanding met de wedergeboorte en waarachtige levensvernieuwing van Gods kind nader uit. Duidelijk blijkt echter ook in het 6e vers, dal we maar niet te doen hebben met een bloote vergelijking, maar met eene innige gemeenschap, waardoor de levendmakende Geest in het hart wordt uitgestort.
De innige verbinding van de gedoopten en den verrezen Heiland, is vergezeld van de kennis, dat onze oude mensch medegekruisigd werd, opdat het lichaam der zonde buiten werking zou gesteld worden.
Tegenover den ouden mensch staat bij Paulus de nieuwe mensch. Onder den ouden mensch verstaat de apostel de verdorven natuur, die de mensch van den moederschoot af meedraagt.
Nu is het noodzakelijk, dat die oude natuur gekruisigd wordt. Over de beteekenis van het kruisigen van den, ouden mensch loopen de meeningen uiteen. „ Sommigen zeggen : Ziet ge wel, die oude natuur is nog niet dood, maar leeft ook nog in den wedergeborene. .Die natuur sterft langzaam. Daarom wordt er gesproken van een gekruisigd worden van den ouden mensch. iDe kruisdood was immers een langzame dood. Hoewel dit, op zichzelf genomen, een kostelijke waarheid is, gelooven we met Calvijn en vele anderen toch niet, dat dit de zin van het Schriftwoord zoude zijn.
Calvijn gelooft niet, dat we in den kruisdood hier een beeld moeten zoeken van den langen worstelstrijd der heiligmaking, waarin iemand ook zijn vleesch moet leeren kruisigen.
We gelooven, dat we hier slechts te doen hebben met een versterking van wat we in vers 2 en vers 3 reeds gehoord hebben. In vers 2 werd gesproken van in der zonde gestorven zijn". In vers 3 is ook sprake van een sterven, maar dan van een sterven in gemeenschap met Christus. Maar ten slotte komt de apostel hier in vers 6 tot nog grooter climax., door te zeggen, dat we met Hem gekruisigd worden.
O, die kruisdood was immers een gevloekte dood. Die kruisdood is immers een gericht, hetwelk aan Hem werd voltrokken, vanwege de zonden van Zijn volk, die Hij op zich nam.
En nu werd de ontdekte zondaar niet gekruisigd, hoewel hij zelf zal moeten getuigen, dat het kruis naar recht zijn plaats moest wezen. Maar ziet, nu wordt de ontdekte zondaar door het geloof gebracht in een ideëele gemeenschap met den lijdenden Borg en Middelaar. De kruisdood van dien Borg maakte een einde aan diens leven, maar door de mystieke gemeenschap ook aan het leven van den ouden mensch van Gods kind.
Het lichaam der zonde wordt teniet gedaan, opdat wij niet meer de zonde dienen.
Christen komt immers met den opgestanen Heiland door de werking van Gods Woord en den Heiligen Geest in werkelijke gemeenschap. De verrezen Christus schenkt Zijn kinderen de kracht om de zonde te bestrijden, om het lichaam der zonde teniet te doen.
Onder dat lichaam der zonde hebben we ongetwijfeld te verstaan de nog overgeblevene zondige zwakheid, die nog in Gods kinderen tegen hun wil is overgebleven. Wel is de heerschappij der zonde in beginsel verbroken, maar toch laat de zonde zich gelden tot den doodssnik toe. Denk maar aan de klacht uit het zevende hoofdstuk : Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods ?
En spreekt ook de apostel ook in Col. 2:11 niet van een uittrekken van het lichaam der zonden des vleesches.
Het lichaam van een gekruisigde bleef nog aan het hout hangen. Maar niet voor altijd. Het moest tenslotte aan de vernietiging worden prijsgegeven. Maar zoo moet ook het in ons vleesch over onze zonden gehouden gericht zich voortzetten en zich uitwerken in de algeheele vernietiging der zonde.
Het lichaam der zonde moet alzoo teniet gedaan worden, opdat we de zonde niet meer dienen.
Ge ziet dus, lezers, dat de apostel Paulus tot een tegengestelde conclusie komt als de tegenstanders, die hij in vers 1 aan het woord liet.
Daar vroeg toch de apostel : Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade meerder worde ?
Deze goddelooze stelling is door Paulus nu grondig weerlegd. De mystieke gemeenschap van den zondaar met Christus in den doop leert juist het tegendeel.
Het ware leven, wat uit God geboren is, openbaart zich steeds hierin, dat men aller zonde vijand wordt en een hartgrondige begeerte koestert om alle de dagen des levens, die den mensch nog resten, te leven ter eere van Hem, die hen riep uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 februari 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 februari 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's