De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Liefde en schuldvergiffenis

11 minuten leestijd

„Daarom zeg Ik u : hare zonden zijn haar vergeven, die vele waren ; want zij heeft veel liefgehad ; maar dien weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief". Lukas 7 vers 47.

Wanneer wij deze woorden van den Heere Jezus lezen buiten verband met de gelegenheid, waarbij Hij ze gesproken heeft, loopen wij gevaar er een andere beteekenis aan te geven dan Hij er mede heeft bedoeld. Zij zijn namelijk uitgesproken met het oog op Zijn zalving door een boetvaardige zondares, die daarmee blijk wilde geven van haar dankbaarheid en liefde jegens Hem, bij Wien zij schuldvergiffenis gevonden had.
Deze zalving heeft plaats gevonden aan een maaltijd ten huize van den farizeeër Simon, die wellicht nog weifelde tusschen de achterdocht, die Jezus van de zijde der farlzeeërs moest ondervonden, en de bewondering, die onwillekeurig door Zijn woord werd gewekt, zoodat hij voor zichzelf nog niet tot klaarheid was gekomen wat hij nu eigenlijk van den Heere Jezus denken moest.
Nauwelijks heeft de Heere Jezus aan dezen maaltijd plaats genomen, of er treedt een vrouw op Hem toe met een albasten kruik met kostbare zalfolie in de hand. Zonder zich om het verdere gezelschap te bekommeren, gaat zij achter Jezus' voeten staan, die naar Oostersch gebruik met de voeten achterwaarts uitgestrekt aan den disch gelegen was. Daar begon zij al weenende Zijn voeten nat te maken met haar tranen, om ze daarna met haar haren af te drogen en, nadat zij ze vol eerbied had gekust, te zalven met de meegebrachte zalfolie. Den kostbaren inhoud van de albasten kruik goot zij geheel over Jezus' voeten uit.
In deze zalving spreekt het hart van deze vrouw. Haar kruik, waaruit de zalfolie zoo rijkelijk vloeit, is beeld van haar hart, dat van dankbare liefde tot den Heere Jezus overvloeit als een vrucht der schuldvergiffenis, die zij bij den Heere gevonden heeft. Aldus heeft de Heere het opgenomen en aan de gasten van Simon verklaard, wanneer Hij deze uiting harer liefde in verband brengt met de vele zonden, die haar vergeven zijn.
Deze vrouw wordt namelijk een „zondares" genoemd (vers 37). Daarmee wordt zij geteekend als iemand, die in het openbaar in uitbrekende, zonde heeft geleefd. Ook uit de wijze, waarop Simon over haat spreekt (vers 39), is wel op te maken dat zij een slechte reputatie genoot in de plaats harer inwoning. Zij schijnt algemeen bekend geweest te zijn om haar losbandig gedrag.
Maar zij is een begenadigde zondares geworden. Dit blijkt weer uit de woorden, die de Heere Jezus naar aanleiding van deze zalving tot Simon gesproken heeft, Het is van Simon te .begrijpen, dat het gedrag van deze vrouw hem tot aanstoot was. Deze farizeeër moet het al ten zeerste ongepast hebben gevonden dat deze vrouw zijn reine woning heeft durven binnendringen. Nog onbegrijpelijker is het hem, dat de Heere Jezus dit alles toelaat. Hij zou er zich wel voor gewacht hebben om zich zelfs door zulk een vrouw te laten aanraken. De Heere Jezus zal echter niet weten wie zij is. En daaruit trekt hij nu zijn conclusie, dat Hij toch niet de profeet kan zijn, voor wien het volk Hem aanziet. Hij durft dit wel niet hard op te zeggen, maar hij zit aldus bij zichzelf in Stilte te overleggen (vers 39).
De Heere Jezus blijkt dan echter inderdaad een profeet.te zijn, ja, meer dan een profeet. Immers zijn onze verborgenste gedachten Hem bekend. En dat moet ook Simon ondervinden. De Heere Jezus neemt al spoedig het woord om de liefdedaad dezer vrouw in bescherming te nemen en tevens aan Simon in zijn hooghartig overleg een gevoelige les te geven. Hij doet dit op een kiesche wijze, zooals een gast tegenover zijn gastheer past, door aan Simon een gelijkenis te vertellen van twee schuldenaars, wien beiden hun schuld door den schuldheer werd kwijt gescholden. De een was hem een grooter bedrag schuldig dan de ander, doch beiden waren zij niet in staat hun schulden te voldoen. „Zeg dan, wie van beiden zal hem meer liefhebben ? " — zoo vraagt de Heere Jezus dan aan Simon. Daarop kan deze wel geen ander antwoord geven dan : „Ik acht, dat hij het is, dien hij het meeste kwijt gescholden heeft". Naarmate de schuld, die iemand kwijt gescholden werd, grooter is, naar die zelfde mate zal ook zijn liefde grooter zijn jegens zulk een genadigen schuldheer. Daaruit kan Simon nu zijn gevolgtrekking maken ten opzichte van deze vrouw. Haar moeten wel vele zonden zijn vergeven, want zij heeft veel liefgehad.
Zoo verklaart de Heere Jezus dus hare liefde tot Hem als een vrucht harer schuldvergiffenis door Hem. Deze vrouw zal door het woord van den Heere Jezus tot bezinning zijn gekomen op haar zondigen weg, hare zonden hebben leeren betreuren om vergeving daarvoor te zoeken en te vinden. Zoo is Hij haar tot een Zaligmaker geworden. Die deze gevallene heeft opgericht en door Wien deze schuldige zondares kwijtschelding harer vele zonden heeft ontvangen. Naar het oordeel der wereld, die niet wist wat met haar was geschied, gold zij nog als een openbare zondares, maar voor den genadetroon des Heeren, waar haar zonden beleden en vergeven waren, was zij rein verklaard van hare zonden. En deze schuldvergevende genade des Heeren, die zij ondervonden heeft, is de oorzaak geworden harer liefde tot den Heere, die in de zalving Zijner voeten een uitweg zocht. Omdat hare zonden, die haar vergeven werden, zoovele waren, daarom is ook hare liefde zoo groot. En die groote liefde openbaart wat zij aan schuldvergiffenis ervaren heeft, waarvan de Heere Jezus tegenover boetvaardigen placht te spreken.
Daarin zal zij worden verstaan door een begenadigd volk. Wanneer wij immers mogen deelen in de weldaad der schuldvergiffenis, zullen wij ons ook met banden der liefde aan den Heere en Zijn dienst verbonden gevoelen. Daarom wordt niet ten onrechte die tijd, waarin Gods kinderen na de bitterheid der zondekennis de weelde der zondevergeving mogen smaken, wel eens de tijd der eerste liefde genoemd. Dan vooral zullen wij deze vrouw in de betooning harer liefde zoo goed begrijpen. Maar deze liefde, is geen vergankelijke liefde. Zij is een blijvende liefde, al gaat zij niet steeds met zulk een diepe ontroering vergezeld, omdat de weldaad der schuldvergiffenis een blijvende weldaad is. De liefdevlam in het hart van Gods kinderen wordt dus ontstoken aan het liefdevuur van Gods erbarmen over hen in den Heere Jezus Christus tot hunne schuldvergiffenis. Gods liefde over hen, in den Heere Jezus geopenbaard, is de bron van hun liefde tot Hem.
Hoe rijker schuldvergiffenis ons nu wedervaren is, des te grooter en vuriger liefde zal er in ons hart opwaken voor den Heere en Zijn dienst.Wien vele zonden vergeven zijn, die heeft veel lief. Laten wij dat toch vooral niet zóó verstaan, alsof wij eerst — evenals deze vrouw — in vele en uitbrekende zonden moeten hebben geleefd om na ontvangen schuldvergiffenis daarvoor zulk een liefde te kennen en te openbaren als deze vrouw. Want het gaat hierbij niet om het aantal onzer zonden, maar om de kennis van onze zonden. Niet de hoeveelheid onzer zonden, die ons vergeven werden, bepaalt de mate onzer liefde tot Hem, Die ze vergaf, maar het gevoel van de bitterheid en de strafwaardigheid er van. De zonde moet ons boven mate zondigende worden. Hoe meer wij 't ernstig karakter onzer zonden leeren kennen en ze als vergeven zouden mogen beschouwen, des te dieper zal onze liefde wortelen tot den genadigen, hemelschen Schuldheer vanwege de kwijtschelding onzer gruwelijke zonden in het allesreinigende bloed van den schuldovernemenden Borg.
De diepte der dalen komt immers overeen met de hoogte der omringende bergen en omgekeerd. Hoe dieper het dal, des te hooger de berg. Hoe dieper wij ons hebben leeren buigen in het dal der verootmoediging over onze zonden om de hand van 's Heeren nederbuigende genade ons toegestoken te zien, des te hooger stijgt onze liefde tot Hem in onze ziel als vrucht der schuldvergiffenis.
Deze liefde wordt bij Simon ten eenenmale gemist.
Tegenover de liefdedaad dezer vrouw, steekt het gedrag van Simon wel heel ongunstig af. Hij heeft zelfs niet de gebruikelijke beleefdheid tegenover Jezus in acht genomen. Hij heeft geen water tot Zijn voeten gegeven, noch een vriendschapskus op Zijn gelaat gedrukt, noch Zijn hoofd met olie gezalfd. En wanneer hij nu aanstoot neemt aan de liefdedaad dezer vrouw, brengt de Heere Jezus, die deze onheusche behandeling wel stilzwijgend heeft opgemerkt, hem dit onder zijn oog; door Simons liefdelooze ontvangst te stellen tegenover de liefdevolle handelwijze dezer vrouw. Nu moet Simon zelf maar weer de gevolgtrekking maken, doch nu met toepassing op zichzelf : „Dien weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief". Weinig liefde te betoonen, beteekent weinig genade te hebben ontvangen. Naar dezen maatstaf moet Simon zichzelf maar beoordeelen door zich af te vragen of gebrek aan liefde niet op gebrek aan de genade der schuldvergiffenis wijst, omdat hij zijn zonde niet kent en dus geen vergiffenis zoekt. Zoo dient de Heere hem een verborgen, maar scherpe terechtwijzing toe.
Zouden er tegenwoordig nog van die Simons gevonden worden ?
Gewoonlijk zijn 't achtenswaardige menschen, die met vrij groote geringschatting op openbare zondaars neerzien en er zich niet gaarne mee in zouden laten. Zij zullen den Heere Jezus niet buiten de deur sluiten en willen naar Zijn Woord nog wel hooren, terwijl zij Hem zelfs een plaats, zullen geven aan hun tafel en in hun huis. Maar, omdat zij geen kennis aan hunne zonden hebben en in eigen oog nog al onberispelijk zijn, hebben zij ook geen behoefte aan zondevergeving en zijn daarom ook vreemd aan de liefde-ervaring en de liefdebetooning van een begenadigd volk jegens den Zaligmaker van zondaren.
En zoo worden wij genoodzaakt om bij dit woord van den Heere Jezus onszelf te gaan onderzoeken of wij ons beeld terugvinden in dien hooggevoelenden Simon of in die begenadigde zondares. Wij behooren daarbij den toets der ware en oprechte liefde tot den Heere en Zijn dienst aan te leggen. Deze liefde als vrucht der schuldvergiffenis blijkt immers tevens het zichtbaar bewijs dezer schuldvergiffenis.
Wanneer nu zelfs het beginsel dezer liefde bij ons ontbreekt, dan hebben wij onszelf nog tot de Simons te rekenen.
Tot zulke Simons heeft de Heere echter „wat te zeggen" (vers 40), door van een schuld te spreken, die niet kan worden betaald door den schuldenaar, maar alleen kan worden kwijt gescholden door den Schuldheer. Want al gevoelen wij niet de grootheid van ons kwaad, daarom zijn wij nog niet zonder zonde. Al zouden wij nog strenger en nauwgezetter leven dan van Simon den Farizeeër mag worden verwacht, we staan nochtans tegenover God in de verhouding van een schuldenaar. De Heere heeft recht op onze liefde en wij betoonen Hem van nature slechts vijandschap. Onze schuld tegenover Hem vermeerdert met den dag. En we hebben geen penning om te betalen, zoodat we even insolvent zijn als de schuldenaars in de gelijkenis. Onze schuld kan alleen worden kwijt gescholden en uitgewischt door het bloed van Christus. Als deze Simonsgestalte nog bij u gevonden wordt, laat u dit dan door den Heere Jezus gezeggen, opdat gij schuldenaar moogt worden voor God en Zijn schuldvergevende genade over u gaat inroepen.
Dan wordt gij evenals deze vrouw naar de voeten van den Heere Jezus gedreven om er niet van op te staan, voordat de weldaad der schuldvergiffenis uw deel werd.
Zulke boetvaardigen worden echter aan Jezus' voeten niet afgewezen. Zegenend en beschermend breidt Hij de handen over hen uit en zegt: „Uwe zonden zijn u vergeven." Deze boetvaardige zondares mocht de verzekering van hare schuldvergiffenis, waarop zij reeds naar Zijn woord had leeren vertrouwen, bovendien nog als een persoonlijke verzekering uit Zijn mond vernemen. Thans schenkt Hij evenzeer aan alle boetvaardigen deze weldaad door Zijn Woord in de verzegeling des Heiligen Geestes.
En deze weldaad der schuldvergiffenis zal u tot liefde nopen. De schuldvergevende liefde Gods wekt dankende liefde bij u. Want dan verstaat gij met deze vrouw, dat bij het zoenoffer van den Heere Jezus tot delging van uw schuld het dankoffer past van uw hart en leven, dat den Heere behoort te zijn toegewijd.
Die liefdedienst heeft niets gedwongens. Zij wordt niet van buitenaf opgelegd, als een moeilijk te vervullen plicht, maar zij ontspringt uit den innerlijken drang van een hart, dat zich voor goed met den Heere Jezus verbonden gevoelt. De nood is u opgelegd om den Heere Iief te hebben. Wiens liefdedienst u nooit verdrieten kan.
En aldus wordt oók aan u vervuld en worde steeds meer aan u vervuld : uwe zonden zijn u vergeven, die vele zijn, want gij hebt veel liefgehad.

Hoogeveen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 februari 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 februari 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's