Laat zich niet verstaan.
In de uitnemende redevoering, welke dr. Severijn in de Tweede Kamer hield bij gelegenheid, dat daar ter plaatse de geestelijke verzorging der weermacht aan de orde was, welke redevoering wij destijds in haar geheel in ons blad lieten afdrukken, kwam de principieele zijde van het vraagstuk naar voren, t.w. die van de bevoegdheid van het verzorgen der geestelijke behoeften van leger en van vloot.
Duidelijk en onomwonden sprak ons Kamerlid het uit, dat de geestelijke verzorging van de weermacht niet de taak is van eenig regeeringscollege, maar dat zij uitsluitend behoort tot de bemoeienis van de Kerk en van de kerkelijke ambtsdragers.
De uitvoering van dit principe zou dan zóó kunnen gedacht worden, dat de kerkelijke gemeenschappen de Dienaren des Woords, die hun gemeentelijk werk bij de Kerken zouden blijven voortzetten en onder kerkelijke jurisdictie bleven, aan de Overheid voordroegen, die ze dan op hunne beurt in het ambt van legerpredikant benoemde en hun standplaats als zoodanig bij de landmacht of zeemacht aanwees. . Zulk eene regeling — aldus dr.. Severijn — behoeft intusschen niet het gevolg te hebben, dat het bestaande instituut van de legerpredikanten kwam te vervallen, omdat in het nieuwe karakter, dat het instituut dan kreeg, zuiver administratief lichaam, het de schakel zou kunnen vormen tusschen de militaire autoriteiten en de kerken.
Vóór alles echter moest gezorgd worden, dat de geestelijke verzorging van.zee-en landmacht aan de Kerk kwam.
Het Kamerlid ds. Kersten, die ook aan het debat deelnam, liet de principieele kwestie rusten. Vermoedelijk omdat hij op het standpunt staat, dat het wel degelijk tot de taak van de Overheid behoort om zich met de geestelijke verzorging van de weermacht in te laten.
Is dit het geval, dan bestaat er een principieel verschil tusschen hem en dr. Severijn.
Wij laten dit verschil van inzicht, zoo het aanwezig mocht zijn, echter rusten.
Het onderwerp dat ds. Kersten behandelde en dat zeker ook van belang is, trof de samenstelling van het instituut van de legerpredikanten.
Zooals bekend is, bevinden zich in den Raad van legerpredikanten zoowel rechtzinnige als vrijzinnige ambtsdragers. Gezamenlijk hebben zij de geestelijke Belangen van de weermacht te behartigen.
Dat tengevolge van het samen optreden van orthodoxe en moderne predikanten nu en dan moeilijkheden ontstaan, is te begrijpen. De bezwaren zouden zich minder voordoen, indien naar de gedachte van dr. Severijn, de Overheid de geestelijke verzorging aan de Kerken overliet.
Maar nu dit eenmaal niet zoo is, kan 't instituut van de legerpredikanten moeilijk anders worden saamgesteld, als het op dit oogenblik is.
Ds. Kersten, die de instelling heftig bestreed, noemde het optreden van het thans werkend instituut van de legerpredikanten verderfelijk. Elke tolerantie
(verdraagzaamheid) met modernen — zoo zeide hij — moet door het examen der Gereformeerde belijdenis onherroepelijk worden afgewezen. De jongens van Gereformeerden huize moeten zelfs gewaarschuwd worden om het vergif van het modernisme niet in zich op te nemen.
De Kerken van belijdenis kunnen dan ook — zoo luidde de conclusie .van het Staatkundig Gereformeerd Kamerlid — in de gegeven omstandigheden niet met bedoeld instituut samenwerken.
Dies stelde ds. Kersten aan den Minister van Defensie de vraag, of alle .predikanten, bij het instituut betrokken, aan het besluit van leger-en vlootpredikanten, dat n.l. de Raad van legerpredikanten een eenheid vormt, gebonden zijn. Zoo ja, dan — zoo vervolgde de vrager — lijdt het geen twijfel of sommige reeds benoemde reservelegerpredikanten zullen zich moeten terugtrekken, omdat zij niet mogen en kunnen samengaan met modernen.
Ons lijkt deze vraag, bezien van het standpunt van ds. Kersten, alleszins begrijpelijk. Voor ons, die het instituut willen zien omgevormd in een administratief college, staat het anders.
Echter, de Minister bleef het antwoord op de vraag van ds. Kersten schuldig. Wij vonden het althans niet in de Handelingen van de Tweede Kamer.
Maar wat is nu het merkwaardige van het geval ?
Tegenover de krasse uitlating tegen en de felle bestrijding van het instituut van legerpredikanten, door ds. Kersten, staat een bericht in „De Banier", het orgaan van ds. Kersten, dat zich na al het gesprokene in de Kamer niet laat verstaan.
In het nummer van 27 Januari van het blad lezen wij : dat de Gereformeerde Gemeenten hebben besloten tot aanwijzing van ds. Kersten en ds. Barth~ voor legerpredikant. Niettegenstaande die Gemeenten — zoo gaat het bericht verder — tegen het huidige instituut ernstige bezwaren hebben, oordeelen zij echter zich alsnog niet te mogen onttrekken.
Toen wij van dit besluit van de Gereformeerde Gemeenten kennis namen, hebben wij onze oogen uitgewreven en ons de vraag gesteld : Hoe hebben wij het nu !
Ds. Kersten samenwerkende in één lichaam met de modernen en zulks, nadat hij uitdrukkelijk heeft verklaard, dat het samenwerken met de modernen goddeloos is.
Heeft ds. Kersten in de Tweede Kamer soms te veel gezegd, of stellen de Gereformeerde Gemeenten hem in 't ongelijk ?
Het is van beteekenis om op dezen gang van zaken even de aandacht te vestigen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 februari 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 februari 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's