De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

26 minuten leestijd

Wat wij willen. EEN NIEUW ARTIKEL IX (NU ART. XI) ALGEMEEN REGLEMENT.
Wat we willen met onze Reorganisatievoorstellen kan misschien 't best blijken uit 't nieuw ontworpen Art. IX, dat in de plaats zou komen van Artikel XI uit het huidig Algemeen Reglement. Daarin worden nieuwe richtlijnen gegeven voor de regeering der Kerk, voor de handhaving der leeren voor de prediking des Evangelies. Laat ons dat nog eens mogen duidelijk maken.
Nieuw-Artikel IX is aldus geredigeerd : Alinea 1. „Het bestuur en opzicht over de gemeenten, zooals dat volgens Artikel 5 Algemeen Reglement door de verschillende Kerkelijke Vergaderingen uitgeoefend wordt beoogt in 't bijzonder de toegewijde zorg voor den bloei der Nederlandsche Hervormde Kerk".
Door middel van de vier soorten kerkelijke Vergaderingen zal voortaan bestuur en opzicht worden uitgeoefend over de gemeenten, met het bijzondere doel den bloei der.Ned. Hervormde Kerk te bevorderen.
Die vier soorten Kerkelijke Vergaderingen worden in Artikel 5 Algemeen Reglement dan aldus omschreven :
„Krachtens deze ambten (in Artikel 4 genoemd „op grond van het Koningschap van Christus : de ambten van predikanten, ouderlingen en diakenen"), staan :
1°. de gemeenten onder bestuur en opzicht der Kerkeraden ;
2". gezamenlijke gemeenten, vereenigd onder bestuur en opzicht der Classicale Vergaderingen ;
3°. gezamenlijke Classes, met hunne gemeenten, onder bestuur en opzicht der Provinciale Synoden ;
4°. gezamenlijke provinciale ressorten, met hunne gemeenten, en de zaken die de gansche Kerk aangaan, onder bestuur en opzicht der Algemeene Synode".
Langs dien kerkelijken weg zal dus volgens Artikel IX (nieuw) het bestuur en opzicht over de gemeenten gehouden worden, met het bijzonder doel, met toegewijde zorg, den bloei van de Nederlandsche Hervormde Kerk te bevorderen.
Zet daar nu eens naast het tegenwoordig Artikel IX, dat luidt :
„De zorg voor de belangen, zoo van de Christelijke Kerk in het algemeen" (de Christelijke Kerk in 't algemeen gaat dus voor de besturen der Ned. Hervormde Kerk voorop!), „als van de Hervormde in het bijzonder, de handhaving harer leer, enz., moeten steeds het hoofddoel zijn van allen, die in onderscheidene betrekkingen, met het kerkelijk bestuur belast zijn".
Alles wordt daar dus aan de bestuursleden toevertrouwd en opgedragen.
Het Bestuur dit en het Bestuur dat en het Bestuur alles !
Dus Artikel IX (nieuw) is ongetwijfeld veel meer kerkelijk en veel beter dan het tegenwoordige Artikel XI.
Maar dan de leer-of belijdeniskwestie ? Hoe zit het daarmee bij het nieuwe Artikel IX? Dat zullen we u zeggen. Het tegenwoordige Artikel XI (vroeger, heel vroeger, in 1816 nl. was dat niet Artikel XI maar ook Artikel IX), zegt, dat de leer gehandhaafd moet worden door allen, die een bestuursfunctie bekleeden. Zij moeten die leer steeds in 't oog houden en die leer steeds handhaven!
Het nieuwe Artikel IX heeft deze zelfde zaak wat anders aangepakt.
Er staat nu : „Het bestuur en opzicht over de gemeenten door de verschillende Kerkelijke Vergaderingen uitgeoefend, beoogt in 't bijzonder de toegewijde zorg voor den bloei dèr Ned. Hervormde Kerk" (nu gaat het dus in de Ned. Hervormde Kerk om de Ned. Hervormde Kerk— en daarna wordt dan nadrukkelijk genoemd „de uitbreiding van Gods Koninkrijk enz.), „de handhaving harer leer" (dus de leer der Ned. Hervormde Kerk ; „hare" leer, staat er) „met name van de eerbiediging van Gods Woord als regel van geloof en leven (Artikel 7 Ned. Gel. belijdenis) en de prediking van het heilig Evangelie van Jezus Christus, Gods eeniggeboren Zoon, onzen Heer (Zondag 6 Heidelb. Catech.).
Hier willen we even rust houden.
De Ned. Hervormde Kerk zal dus door de (in Artikel 5 genoemde) vier Kerkelijke Vergaderingen (1. Kerkeraad ; 2. Classicale Vergadering ; 3. Provinciale Synode en 4. Algemeene Synode) bestuurd worden en in die Kerkelijke Vergaderingen zal men de leer der Ned. Hervormde Kerk eerbiedigen en handhaven, om dus overeenkomstig de leer der Hervormde Kerk te handelen en te wandelen, met dien verstande, dat als het centrale punt van de leer der Hervormde Kerk zal worden genomen (naar uitwijzen van Artikel 7 der Ned. Geloofsbelijdenis, waar nadrukkelijk op deze gewichtige zaak gewezen wordt) GODS WOORD ALS REGEL VAN GELOOF EN LEVEN.
In al de Kerkelijke Vergaderingen der Ned. Hervormde Kerk, waar men de leer der Ned. Hervormde Kerk eerbiedigen zal, zal voor ieder en steeds bij alles als hoofdzaak gelden : GODS WOORD ALS REGEL VAN GELOOF EN LEVEN.
Samen Gods Woord erkennen als aller rechter en aller gids.
Gods Woord voor allen een lamp om bij te zien een licht om bij te wandelen.
Samen altijd vragen : wat zegt Gods Woord in deze ?
Dat is reformatorisch, protestantsch, christelijk; echt Hervormd, echt Nederlandsch-Hervormd, zouden we zeggen. Gods Woord ons aller gids en rechter.
En dan niet een strijd om beuzelingen. Niet haarklooverijen. Niet allerlei nestige, pieterige kwesties. Die worden door de Kerkelijke Vergaderingen op zij gezet en aan de vrijheid van den Christenmensch overgelaten ; saam dan belijdend : „Gods Woord als regel van geloof en leven".
Niet om allerlei beuzelingen zal 't gaan. Nadrukkelijk wordt dat in de grondwet der Kerk nu voorgeschreven. Want wordt van „de leer der Hervormde Kerk" met name aangewezen „de eerbiediging van Gods Woord als regel van geloof en leven (Artikel 7 Ned. Geloofsbelijdenis)" — in tweede instantie wordt als hoofdzaak genoemd : „en de prediking van het heilig Evangelie van Jezus Christus, Gods eeniggeboren Zoon, onzen Heer. (Zondag 6 Heidelb. Catech.).
In 't kort is het ons dus hierom te doen, dat de Kerkelijke Vergaderingen bevorderen den bloei van de Hervormde Kerk, waartoe de Koning der Kerk de ambten geordineerd heeft; dat de leer der Hervormde Kerk worde gehandhaafd, waarop zij recht heeft, met eferbiediging van het centrale der belijdenis : Gods Woord als regel voor geloof en leven ; en dan in de derde plaats : „de prediking van het heilig Evangelie van Jezus Christus, Gods eeniggeboren Zoon, onzen Heer (Zondag 6 Heidelb. Catech.)
Dat is dus de richting die wij uit willen, wat betreft de regeering der Kerk, de hand having harer leer en de prediking des Evange1ies.
Vier soorten van Kerkelijke Vergaderingen.
Dan de leer der Kerk, gezien in het licht van Artikel 7 Ned. Geloofsbelijdenis, waar we o.a. lezen : „Men mag ook geener menschen schriften, hoe heilig zij geweest zijn, gelijkstellen met de Goddelijke Schrifturen, noch de gewoonte met de waarheid Gods (want de waarheid is boven alles), noch de groote menigte, noch de oudheid, noch de opeenvolging of successie der tijden of personen, noch de conciliën, decreten of besluiten ; want alle menschen zijn uit zichzelven leugenaars en ijdeler dan de ijdelheid zelve".
Geen Paus, geen traditie, geen belijdenis noch de menigte als hoogste autoriteit. Neen ! Gods Woord als regel voor geloof en leven. Een Kerk des Woords, begeeren wij.
En dan de prediking van het heilig Evangelie — hetwelk God Zelf eerst in het Paradijs heeft geopenbaard, en daarna door de heilige Patriarchen en Profeten laten verkondigen en door offeranden en andere ceremoniën der Wet laten voorbeelden, en ten laatste door Zijnen eeniggeboren Zoon vervuld".
De prediking dus van het Evangelie der Schriften. De prediking van den Eénen Naam, die onder den hemel is gegeven tot zaligheid. De prediking van Godé eeuwige zondaarsliefde, van het Kruis-mysterie van Golgotha, van de zelfofferande van het Lam Gods, van den Christus, die dood was, maar leeft, en Die gisteren en heden Dezelfde is en in der eeuwigheid.
Daarom vragen wij voor onze Hervormde Kerk.

De rechte prediking en Het ware geloof.
In het nieuwe Artikel IX van het Reorganisatie-Voorstel wordt de richting aangegeven en de geest geteekend van ons hervormd kerkelijk leven, zooals wij dat gaarne zouden verkrijgen in de naaste toekomst.
De regeering der Kerk door middel van de vier soorten Kerkelijke Verga­deringen. De handhaving der leer, waarbij Gods Woord ais regel voor geloof en leven zal gelden ; zie Artikel 7 Ned. Geloofsbelijdenis. En dan een prediking van het heilig Evangelie; zie Zondag 6 Heidelbergsche Catechismus.
Dat laatste willen we nog wat nader bezien. En wel om deze oorzaak, omdat we nog zoo gaarne eens willen laten voelen, wat onder ons als het ware geloot moet worden geacht.
„De prediking van het heilig Evangelie" staat er. En dan wordt Zondag 6 Heidelb. Catech. daarbij genoemd tot nadere omschrijving. Wat vinden we dan, wanneer we dat, in verband met elkaar, beschouwen ?
Het kan niet ontkend, dat we in een tijd leven van „veel gelooven" ; waarin we veel soorten van „geloof" aantreffen ; de een komt met dit „geloof" en de ander met dat „geloof".' En al naar z'n „geloof" is, is dan de prediking. Want men wil natuurlijk z'n „geloof" uiten, prediken, bekend maken, meedeelen. Men wil z'n „geloof" aanprijzen, propageeren. Men gaat z'n „geloof" onder woorden brengen, formuleeren, enz. Want er is altijd een "element van „weten", van zeker weten, in het geloof. Men behoeft waarlijk geen Theosophie-apostel te zijn, om dat aan te nemen. Ieder doet dat : Boeddhist, Spiritist, Theosoof, aanhangers van de Ster uit het Oosten, van Christian Science ; Mormonen enz. enz.
Men „gelooft", men „weet", men predikt".
De Spiritisten weten b.v. „proefondervindelijk" alles wat zij gelooven en leeren. Door „zien" weten ze het, door , , hooren" zijn ze er van overtuigd. En wat ze „zien" en „hooren" gelooven ze en prediken ze. Alle Kerken, alle priesters kunnen nu worden opgeruimd, het Spiritisme is de eenig ware godsdienst, de godsdienst van de toekomst voor allen. En zoo komt men tot een „leer" en tot een „belijdenis", waarnaar het leven moet worden ingericht en de toekomst wordt gesteld.
Zoo ook de Theosophen, die wijsheid verzamelen en de dingen weten, zooals wijze menschen de dingen naspeuren en weten.
De Mormonen gaan wéér anders te werk. Enz. enz.
Wat willen wij nu voor de Hervormde Kerk, te midden van allerlei secten en geestelijke stroomingen, waarin de menschheid dreigt te verdrinken?
We willen spreken van het zaligmakend geloof, met het voorwerp.des geloofs, Jezus Christus, welk geloof twee elementen bevat, n.l. — en nu grijpen we eerst eens even naar Zondag 7 van den Heidelb. Cat., om dan straks te komen op Zondag 6 — deze twee elementen : een zeker weten en een zeker vertrouwen (vr. en antw. 21).
Wij weten als Christenen óók wat. En dat weten wij zeker. Het is „ein gewisse erkanntnuss". Het is een stellig en vast en welgefundeerd weten.
Een weten — van wat?
„Ein gewisse erkanntnuss, dardurch ich alles für war halte, was uns Gott in seinem Wort hat offenbaret" — zegt de oude Heidelberger Catechismus. „Een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houd, dat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft".
De Theosophen, de Spiritisten, de Boeddhisten, de Krishnamurti-menschen, de Mormonen, enz. enz., weten ook iets, weten veel.
Wij, Christenen, wij zonen en dochteren van de Hervorming, wij weten ook.
Wat wij weten, weten wij uit hetgeen God ons in Zijn Woord heeft geopenbaard.
Bij de velerlei soorten van „geloof" scharen wij, zonen en dochteren der Hervorming, ons rondom de objectieve geloofswaarheid van de Schrift.
Zoo deed de Heere Jezus tijdens Zijn omwandeling op aarde ook.
Hij leefde bij de Schriften ; bij Mozes, de Psalmen en de Profeten ; dat was Gods Woord, het Woord des Vaders, voor Hem. Daarheen verwees Hij de Sadduceën, die niet in engelen en geesten geloofden en modernistische gedachten hadden omtrent de komende dingen ; zij dwaalden — zegt de Heiland -  omdat zij „de Schriften niet kennen". En zoo dwaalden de Joden in hun toekomstdroomerijen, omdat zij „de Schriften niet kenden". En zoo dwaalden de Emmaüsgangers — en waarlijk zij niet alleen van de discipelen des Heeren — omdat zij, , de Schritten niet kenden". En Hij, die bij de Schriften leefde en naar de Schriften gestorven en opgewekt was, nam Zijn jongeren bij de hand en leidde hen „naar de Schriften", om hen zóó te brengen tot de rijkste Christus-ervaring en tot het zaligst gelooven !
In dien weg nu willen wij ook wandelen in het midden van de Herv. Kerk, als echte zonen en dochteren der Reformatie, als echte Protestanten, die van de waarheid willen getuigen (protesten) naar uitwijzen van hetgeen God Zelf ons in Zijn Woord heeft geopenbaard.
Dat geeft door de genade Gods, in den weg der Schriften, de heerlijkste Christus- ervaring. Of zooals Zondag 7 ons zegt, dat geeft ons „een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn harte werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om de wille van de verdienste van Christus".
Daar moeten wij zijn. In die sfeer, in die omgeving, op dat terrein, op dien heiligen grond. „Hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn harte werkt".
Door het Evangelie En nu komen we tot Zondag 6, aan Zondag 7 voorafgaande.
En Zondag 6 zegt ons dan, om tot het ware, zaligmakende geloof van Zondag 7 te komen, wat wij onder „het heilig Evangelie" en dus ook onder „de prediking van het heilig Evangelie" (Artikel IX Algem. Reglement (nieuw) te verstaan hebben.
Ons weten, ons vertrouwen, ons gelooven moet gefundeerd zijn in „het heilig Evangelie, hetwelk God Zelf eerst in liet Paradijs heeft geopenbaard en daarna door de heilige Patriarchen en Profeten laten verkondigen , en, door de offeranden en andere ceremoniën der Wet laten voorbeelden, en ten laatste door Zijnen eeniggeboren Zoon vervuld".
De prediking van dat heilig Evangelie ; van dat heilig Evangelie van Jezus Christus, Gods eeniggeboren Zoon ; van dat heilig Evangelie, dat ons in de Schriften is geopenbaard en bewaard — de prediking van dat heilig Evangelie moeten we hebben. Die rijke Christus-prediking naar de Schriften, die de geloovigen brengt tot dat stellig weten of kennen, waardoor zij het alles voor waarachtig houden, dat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft ; en die de geloovigen brengt tot dat vast vertrouwen, 't welk de Heilige Geest door het Evangelie in hunne harten werkt, dat hun vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om de wille van .de verdienste van Christus.
Ingezet in het Woord, ingezet in Christus, mogen de geloovigen stellig weten en vast vertrouwen.
Want we leeren dit alles, dat noodig is tot zaligheid, niet kennen uit de  natuur, ook niet uit de wet, evenmin uit ons eigen gemoed, door het „inwendige Woord".
De Heere Zelf heeft het ons in Zijn Woord geopenbaard. „Alles wat ons in het Evangelie is geopenbaard". Hoorbaar heeft God dat geopenbaard in het Paradijs (Zondag 6), en sinds heeft Hij niets anders gedaan dan dat Evangelie nader bekend gemaakt ; hoorbaar door het profetisch woord, dat zeer vast is en dat schijnt als een licht in een duistere plaats (bij welk Woord de Heiland Zelf wandelde, om er ook anderen door te leeren en te brengen tot het licht ; aan den rijken man — in de gelijkenis zeggende — dat dat de. weg was, waarin zijn broers zouden moeten leeren wandelen, zouden ze niet komen in de plaats der pijnen). Maar niet alleen hoorbaar door het profetisch woord („Mozes en de Profeten"), doch ook zichtbaar heeft de Heere het Evangelie geopenbaard onder Zijn volk, in de Oud-Testamentische ceremoniën en plechtigheden, door heel den tabernakel-en tempeldienst heen. Om eindelijk na het hoorbare en zichtbare openbaren van het Evangelie door profeten en in plechtigheden, het beloofde heil te vervullen (vol te maken) in de schenking met de daad van Zijn eeniggeboren Zoon, Jezus Christus, van Wien de Schriften ons nu getuigen, de Schriften des Ouden-, maar klaarder en heerlijker de Schriften des Nieuwen Testaments.
Daar nu ligt, wat gepredikt, wat geloofd moet worden (Zondag 6).
Daar nu ligt, wat wij stellig en vast en zeker moeten weten ; waarin en waardoor de Heilige Geest aan al Gods kinderen schenkt het vast vertrouwen in de vergeving der zonden en de erfenis des eeuwigen levens, alles om de wille van de verdienste van Christus, uit louter genade door God geschonken aan een iegelijk die gelooft.
Kunnen we nu saam in het midden van de Ned. Hervormde Kerk niet komen tot de prediking van dat heilig Evangelie van Jezus Christus, Gods eeniggeboren Zoon, onzen Heere ?
Om saam te mogen komen tot het ware, zaligmakende geloof, met een vast vertrouwen in de verzoening onzer zonden m Christus' wil ?
Wat zou dat heerlijk zijn ! Heerlijk ook, tusschen die velerlei soorten van „geloof", die een ander „weten" en een ander „vertrouwen" brengen.

* De ambten. (3)
Het is niet wel aan te nemen, dat Schriftezing, gebed, Schriftuitlegging, Doop, vondmaal, bezoeken der armen en zieen — dat alles zonder leiding en zonderegel en zonder verdeeling en zonder orde en wet zal zijn geschied. In „het huis Gods" wist men hoe men daar moest vereeren. En de machten zijn ook in deze uit God, de ambten in de Kerk naar de ambten in Christus.
in de synagogen ligt ook in deze — wat de presbyters betreft — een voorbereiding (Mark. 1 VS. 22 ; Luk. 4 vs. 20 ; 8 vs. 49 ; ió VS. 14 ; Hand. 13 vs. 15 ; 18 vs. 8, 17, enz.). Oversten der synagogen enz. Zoo hebben ook de gemeenten (Gal. 1 vers 2) behoefte aan leiding, regeering, bestuur. Missie en organiatie, zending en inrichting, stichting der gemeenten eenerzijds en ordening van het gemeentelijk leven anderzijds, gaat onder leiding van Paulus in Galatië, Macedonië, Achaje, Azië, enz. enz. Het diakenambt b.v. weet het bezit der leden zóó te gebruiken, dat het niet wordt een soort Communisme, met opheffing van het privaat bezit, ook niet om iemand die arm is rijk te maken, maar eenvoudig om, door de liefde van Christus gedrongen, ellende en armoede zooveel mogelijk te weren in het midden van 's Heeren Kerk. Elkanders leden zijn we. De rijken mogen geen niets-nutters zijn, de armen mogen niet te weinig hebben. En zóó zijn er ook opzieners voor de geestelijke belangen der gemeente. Het zijn de mannen, die in hel ambt staan, met hunne helpers, waaronder ook vrouwelijke helpsters en mede-arbeidsters. 1 Cor. 1 vers 1 ; 1 Cor. 16 vers 16 ; 2 Cor. 7 vers 15 ; 1 Cor. 16 vers 15, 16, 17, 18, enz. enz. Naast de helpers : Stefanus, Fortunatus, Achaïcus enz. worden genoemd de vrouwelijke helpsters : Maria (Hand. 12 vers 12), Priscilla (Rom. 16 vers 5), Appia (Filéinon vers 2), Tryfena en Tryfosa (Rom. 16 vers 12), Persis, Euodia en Syntyche, enz. enz.
De leiding en regeering in de gemeenten uit de heidenen geschiedde door het ambt. Ef. 4 vers 11 beschouwd in samenhang met Hand. 20. vers 17, 28 ; 1 Petrus 5 vers 12. Verder 1 Thess. 5 vers 12, 13. Ook Col. 4 vers 17, Fil. 1 vers 1 (Paulus spreekt hier van cie presbyters van de Kerken van Lycaoiüë, Thessalonica enz.). Zie ook Hebr. 13 vers 7, 24.
Er is een georganiseerd kerkelijk leven van plaats tot plaats, rondom de prediking, het gebed, Doop en Avondmaal ; ook wat betreft de verzorging van de armen enz.
Toetreding tot de gemeente door den Doop kon zóó maar niet geschieden. Dat zat vast aan de belijdenis des geloofs, gelijk al blijkt uit de geschiedenis van Filippus en den Kamerling. Zie ook Rom. 10 vers 10.
De Doop moest natuurlijk ordelijk geschieden en vroeg om het ambt. De belijdenis kon niet zonder toezicht zijn ; het belijdenis doen en op belijdenis" toetreden en opgenomen worden in het midden vat. de gemeente — het huis Gods, waarin men moest weten ordelijk te verkeeren — stond onder keur en toezicht. Voorgangers en opzieners, predikers en regeerders, hebben hier een heilige roeping. Het karakter van de door het bloed van Christus zoo duur gekochte gemeente mag niet geschonden noch veranderd worden. (Hand. 20 : 28). Vasthouden aan, volharden bij de leer der Apostelen was eisch ; overal één zelfde spreken en belijden, één in geloof en doop, één in het belijden van den Heere Christus (homologeia).
Zoo moest de Kerk onder leiding, onder opzicht en tucht staan en de ambten waren noodig ; zijnde machten, van God gesteld, van Christus verordend, door de Apostelen ingesteld.
In beginsel is het nooit anders geweest dan dat bij de Kerk van Christus hoorde een, zuivere" bediening des Woords en een „rechte" bediening der Sacramenten, naar de instelling van Christus, en dé rechte bediening van de tucht, opdat alles eerlijk en met orde zou geschieden. Want God is geen God van verwarring. En in 't midden van de verwarringen der leugen en der dwaling was daartoe leiding, opzicht en tucht, door de ambten, noodig, ja, onmisbaar. (1 Cor. 4 vers 1 ; 2 Petrus 1 vers 1 ; Rom. 1 vers 1 ; Gal. 1 vers 1 ; Hand. 20 vers 28 ; 1 Thess. 4 vers 8 ; 2 Tim. 2 vrs 24; Hebr. 13 vers 17; 1 Petrus 5 vers 4 enz.).
We zien, dat al heel spoedig, allerwege in de plaatselijke Kerken, behalve de sterk actieve apostolische leiding, ook plaatselijke leiding en bestuur bestaat, in verschillende functiën, waarbij gehandeld wordt op bevel des Heeren, waarbij gebondenheid geëischt wordt in den naam van Christus en waarbij de gemeente geestelijk en stoffelijk naar 's Heeren bevel heeft te handelen, tot opbouw — en niet tot verstoring en verwarring — van het lichaam van Christus. Waarbij de saamhoorigheid en de éénheid der plaatselijke Kerken uit dezelfde ordeningen en ambten blijkt. Uit den éénen Christus, door den éénen Geest en in den weg van hetzelfde Woord, komen de Kerken van plaats tot plaats voort; "n eens „Kerken" (meervoud), dan weer "Kerk" (enkelvoud) genoemd.
De werking des Geestes tot openbaring van de Kerk van Christus in den weg van het Woord, vormt geen tegenstelling met het ambt, met de leiding en de regeering van de ambtsdragers. Aan het ambt zit niets on-geestelljks. „Niet-ambtelijk" is volstrekt niet hetzelfde als „geestelijker". De heilige God heeft het ambt ingesteld. 1 Cor. 12 vers 26 ; Efeze 4 vers 11, enz.
Jezus-Christus is het Hoofd der Kerk en regeert Zijn Kerk door Zijn Geest en Woord, maar niet onmiddelijk ; Hij doet dat door de ambten, die aansluiten bij Zijn ambten. En de Heilige Geest werkt door de ambten, naar Gods wondere ordinantie, in het midden van Christus' Kerk.
Dat wil volstrekt niet zeggen, dat de Heilige Geest niet in de geloovigen woont en werkt. Want zij zijn „een tempel des Heiligen Geestes" ; ze worden „heiligen" genoemd ; ze worden in alle waarheid geleid, enz. Maar daarbij heeft men te bedenken, dat de Heilige Geest de gemeente nooit wil maken tot een verzameling van los-naast-elkander levende „geestelijke" menschen ; tot een geestelijk „gezelschap", waar het in de richting van pneumatisch anarchisme, of zachter gezegd, in de richting van geestelijk individualisme zou gaan. Want dat is de dood en de ondergang voor de Kerk, maar ook de dood en de ondergang van de leden.
De Heilige Geest wil de geloovigen in Christus rondom het Woord tot één vergaderen ; om te staan als een pilaar en vastigheid der waarheid; als een huis Gods, dat niet tegen zichzelf verdeeld is ; als een tempel des Heiligen Geestes, waarin een heilige dienst des Heeren aanschouwd wordt, met heilige harmonie en samenstemming onder de heiligen, die den machten, van God gesteld, onderworpen zijn.
Onder den Opper-Herder Jezus Christus staan daarom de onder-herders ; onder den Koning der Kerk Zijn dienstknechten, om bezig te zijn naar het Woord in het midden van Zijn huis ; opdat alles eerlijk en met orde geschieden zal ; tot opbouw der Kerk en tot volmaking der heiligen. Anders gaat het zeker en vast verkeerd ! En Diótrefes wordt dan ook allesbehalve geprezen als hij het ambt weerstaat (3 Joh. 9). Calvijn, Voetius e.a. hebben altijd scherp onderscheid gemaakt tusschen het onmiddellijk opzicht van Christus door Zijn Geest en Woord en het middellijk opzicht door Zijn dienaren, en zij hebben daarbij de ambten in Christus' Kerk ais onmisbaar genoemd.
Naar uitwijzen van het Woord hebben zij — tegenover Rome — onderscheid gemaakt tusschen het leer-en het regeerambt. Zij hebben het ambt van ouderling verdedigd. Zij hebben het ambt van diaken hersteld. Zij hebben de verkiezing tot het ambt aan de gemeente, aan de plaatselijke Kerk, aan de geloovigen, gebracht, daarbij de leiding van het ambt handhavend. (1 Tim. 5 vers 9 ; Hand. 1 vers 15 ; Hand. 13 vers 1 ; 14 vers 23 ; 1 Tim. 4 vers 14). De gave, die in de gemeente is, haar van Christus gegeven, mag in deze aan de gemeente niet onttrokken worden en mag niet worden verwaarloosd. Titus 1 vers 5 wordt aan Titus bevolen ouderlingen aan te stellen, maar de medewerking der gemeente is daarbij volstrekt niet uitgesloten en is naar het voorbeeld der Apostelen eisch.
Zoo moest onder de antithese tegen Rome èn tegen de ongezond-democratische stroomingen dier dagen, door Calvijn hei ambt worden verdedigd en in eere hersteld. En hij heeft zijn gereformeerd systeem van Kerkregeering opgebouwd, met terugkeer naar de Schrift, waarbij èn de gemeente èn het ambt, èn de plaatselijke Kerken èn de algemeene Kerk, èn het leven èn de leer gebaat is.
Het ambt is in Christus' Kerk onmisbaar. En het is naar het voorbeeld der Schrift, naar de instelling van Christus, naar het bevel der Apostelen, dat daar zijn de ambten van herder en leeraar, van ouderling of opziener, van diaken.
De Kerk is geen geestelijk gezelschap, door ongebondenheid gedoemd tot pneumatisch anarchisme. Maar zij is „het Hui^ des Heeren", dat wèl saamgevoegd is. Door Gods Geest, door Gods Woord, onder de opperhoogheid van Jezus Christus, het Hoofd der Kerk, en onder de leiding van de ambten. (Ef. 5 : 23 ; 4 : 11—16).

Een Koninklijke Boodschap aan het volk van Zweden.
Zweden gaat gedachtenis vieren van 1100 jaar Christendom en 400 jaar reformatie. In 830 kwam een verzoek van den Zweedschen Koning Björn om een christenleeraar ter onderwijzing van hen, die naar het Christendom hadden gevraagd, deels kooplieden, deels krijgsgevangenen. Ansgar ging met enkele medearbeiders op reis derwaarts (830). Hoewel zij onderweg veel te lijden hadden van de roofzieke Noormannen, hebben zij de reis toch voortgezet en, vriendelijk ontvangen door den Koning, verzamelde zich een kleine schare belangstellenden rondom Ansgar en de zijnen, te Birka, aan het Malarmeer. Een school werd gesticht, knapen werden als leerlingen aangenomen en vele Heidenen werden door de prediking van het Evangelie tot het Christendom gebracht en de eerste Christenkerk werd gebouwd. Later benoemde paus Gregorius IV Ansgar tot apostolische vicarius van het geheele Noorden. Vanuit Hamburg, waar een domkerk en een klooster gebouwd werd, ondervond de missie in Zweden veel steun. Maar nadat Lodewijk de Vrome gestorven was (840) kwam er allerlei tegenslag, de Noormannen overvielen Hamburg, de zendelingen werden uit Zweden verjaagd, Ansgar werd een daklooze bedelaar. De door hem gestichte zendingsschool werd gesloten en al zijn arbeid scheen ijdel te zijn geweest. Maar na langen tegenspoed kwam Ansgar weer in eere en kon zijn geliefden arbeid onder de Scandinavische volkeren weer voortzetten.
Deze dingen gaat Zweden nu in 1930, dus 11 eeuwen nadat Ansgar voor het eerst als zendeling daar kwam (830), gedenken.
Maar dat niet alleen. Naast het feit, dat 1100 jaar. geleden het Christendom is gebracht aan het volk van Zweden, valt er dit jaar óók te gedenken dat 400 jaar geleden het Zweedsche volk uit de Roomsche Kerk gebracht is tot het Lutheranisme. In 1530 werd de Augsburgsche Confessie aangenomen. Dat was een tweede weldaad Gods, nu verlost uit het Roomsche dienstihuis, om gevoed te worden met het Evangelie der genade in Christus, zooals Luther dat had gepredikt..
Deze twee feiten nu, in verband staande met het Christendom en het Protestantisme, gaat het Zweedsche volk nu, in 1930, gedenken, waarbij een Regeerings-Proclamatie is uitgevaardigd, door Koning Gustaaf persoonlijk onderteekend.
De aanhef van deze Proclamatie luidt aldus :
»Wij, Gustaaf, bij de gratie Gods, Koning van Zweden, der Gothen en der Wenden, doen weten, dat wij hebben goedgevonden en verstaan, dat een algemeene dank-en bededag zal worden gehouden op den Midzomerdag van 1930 ter plechtige viering van het feit, dat het 1100 jaar geleden zal zijn sedert het Christendom het eerst in ons land werd gepredikt door den Apostel van het Noorden, Ansgar, alsook van het feit, dat 400 jaar geleden de Augsburgsche Confessie werd ingediend ; en is in aansluiting daaraan op Ons verzoek door den Aartsbisschop het volgende ter herdenking opgesteld, teneinde in de Kerken van .het Rijk op den Midzomerdag te worden voorgelezen«:
De Aartsbisschop heeft dan het volgende stuk opgesteld, dat overal zal worden voorgelezen in de Kerken (in Zweden bestaat de Luthersche Staatskerk) :
»Het jaar 1930 roept de herinnering op aan een tweetal gebeurtenissen, die in de geschiedenis en het geestelijk leven van ons volk.diep hebben ingegrepen :
Elf eeuwen zijn vervlogen, sedert Ansgar de blijde boodschap in Birka verkondigde en het Rijk der Zweden in het ücht der historie trad«.
Na een korte uiteenzetting van de geschiedenis van Ansgar 's optreden, volgt dan :
»Eeuwig zijn wij dank schuldig aan den Godsgezant, den Apostel van het Noorden.
Ter herinnering aan Hergeirs Kerk wordt in de nabijheid van het gebied van de oude Birkastad een Ansgarstempel gebouwd. Evenals honderd jaar geleden, wordt deze heilige herinnering door de Kerken in Zweden op den Midzomerdag gevierd. Lof en prijs worden alsdan in Zwedens heiligdommen tot God opgeheven.
Zij, die het leven van Ansgar beschreven, vermelden de woorden, die in profetischen geest tot Ansgar over de zending in het Noorden werden gesproken en uitdrukking gaven aan de zekerheid, dat „ook indien hetgeen onder deze volken begonnen wordt somtijds eenigszins door de zonde geschaad wordt, het nochtans nimmer geheel teniet zal gaan, doch vrucht zal dragen door Gods genade en voorspoedig zijn totdat de naam des Heeren tot de einden der aarde doordringt". Eerst recht wordt de nagedachtenis van Ansgar geëerd, wanneer het Woord vrucht draagt in ons hart en leven en wanneer de boodschap door ons verder wordt .gegeven«.
Dan volgt de vermelding van het tweede nationale feit voor Zweden
»0p den Midzomerdag van 1930 rijst ook de herinnering op, dat 400 jaar geleden de Augsburgsche Confessie op den Rijksdag te Augsburg op 25 Juni 1530, werd voorgelezen en ingediend. In duidelijke en bondige bewoordingen werden daarin het Christelijk geloof en het Christelijk levensideaal samengevat. Maarten Luther, die vogelvrij was en niet bij den Rijksdag tegenwoordig kon zijn, verheugde zich er over „het uur te beleven, waarin Christus door zulke belijders in een .zoodanige vergadering in de allerschoonste belijdenis in het openbaar werd gepredikt". In de Augsburgsche Confessie herkende ook Zwedens volk het door het getuigenis der Openbaring gezuiverde Evangelische geloof. Aldus werd het werk des Geestes voortgezet, onder ons door Ansgar, den dienst knecht Gods, begonnen*.
Dan komt nog een woord van toepassing, in dezen vorm :
»Wanneer wij het werk des Geestes in het verleden prijzen, dringt zich het onderzoek naar onzen tegenwoordigen toestand aan ons op. Is God voor de Christenheid van Zweden, evenals voor
Ansgar, Heer over alle andere machten en heeren ? Branden onze harten van die liefde, die hem met de blijde Boodschap tot onze heidensche voorvaderen dreef ? Is dat heilige erfdeel onder óns een dood bezit, of worden wij uit ijver voor de waarheid en eenheid er toe gedreven om met de belijders in Augsburg te hooren naar het Woord en ons dooi den Geest te laten onderrichten ? Bekeering van al, wat.heidensch is, is ook in onzen tijd noodig. De kerk moet worden vernieuwd, de hervorming worden . voortgezet.
Laat ons. daarom allen, oud en jong, mannen en vrouwen, die in Zwedens Rijk leven leert werken, van de dagelijksche zorgen vrijmaken en op den uitgeschreven dank-en bededag in het Huis des Heeren gaan om aldaar eendrachtelijk Zijn heilig Woord in de daarvoor aangegeven teksten met gebed en lofzegging te beluisteren*.
Als teksten worden dan aangegeven : Jesaja 49 vers 1—7; Hebr. 11 vers 24— 27 ; 2 Cor. 11 vers 26—31.
Wat is het heerlijk, wanneer we een dergelijke „Koninklijke Boodschap" lezen, waarbij land en volk wordt opgeroepen God te danken voor Zijn weldaden en zich van de zonden te bekeeren tot den dienst des Heeren naar Zijn Woord !
Dat is, Gode zij dank, wat anders dan wat ons uit Rusland wordt bericht ! Dies zijn we verblijd !
Over een tweede „Koninklijke Boodschap" uit Zweden de volgende week nog iets.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 februari 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 februari 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's