Kerkelijke Rondschouw
Van Alkmaar begint de victorie ... niet.
Moderne belangstelling in Noord-Holland.
Het Modernisme heeft niet zelden bevorderd, dat de Bijbel werd losgelaten, in huis, in de Kerk, in de school, in de maatschappij, in den Staat. Totaal buiten de bijbelsche sfeer is men komen staan en men is vervallen tot grof materialisme. Aan de dingen die beneden zijn, heeft men genoeg. gen der week en op Zondag. Vooral ook de Zondag is ons ontstolen. En velen doen nu niets anders en niets lievers dan de Kerk den rug toekeeren.
Ja — als er een stembusstrijd is en men wordt opgezet tegen de fijnen, dan, ja, dan zijn er nog wel groote drommen van „Vrijzinnigen" die mee optrekken om de fijnen te helpen verslaan. Want als er een „fijne" dominé komt, dan is de narigheid nog niet te overzien. Kermis, kroeg, dans, tooneel... 't loopt alles gevaar. En daarom geen fijne dominé — en dan kan men verder rustig den modernen dominé alleen laten staan. Die zorgt dan wel, dat al de onheilen van de orthodoxie geweerd worden en stoelen en banken zijn geduldig.
Onlangs werd ons een krant toegezonden met breed verslag van een vergadering in de Hervormde Kerk van Landsmeer (N.-H.) gehouden, waar ds. Baar, modern predikant te Alkmaar, een verkiezingsrede heeft gehouden vlak vóór den dag toen de leden van het Kiescollege moesten worden benoemd. Hij wilde zoo gaarne meehelpen om de rechtzinnige leden uit te werpen en de modernen aan een overwinning te, helpen in de orthodoxe gemeente Landsmeer.
Zeker, omdat het in de moderne gemeenten van Noord-Holland zooveel beter gaat dan in de rechtzinnige dorpen en steden.
Nu ligt een Jaaroverzicht van de Hervormde gemeente te Alkmaar, 1929, voor ons.
We willen er iets uit meedeelen. 't Is merkwaardig en treurig tegelijk.
Alkmaar telt ruim 10.000 zielen, waar van 65 % in 't geheel niet kerkelijk meeleeft. Nu is er in Alkmaar in sterke mate de richtingskwestie. En daardoor is er een noodtoestand. Er zijn voor de twee rechtzinnige predikanten Verwaal en Hak geen ouderlingen. Ambtsdragers hebben die twee orthodoxe leeraars niet tot steun bij hun arbeid ; slechts één orthodoxe diaken zit in den Kerkeraad, maar geen enkele ouderling. In den Kerkeraad zitten 4 predikanten (2 orthodox en 2 modern), 12 ouderlingen (O orthodox, 12 modern), 12 diakenen, (1 orthodox, 11 modern). Gemachtigden in het Kiescollege 56 leden, allen vrijzinnig ; Notabelen 12 leden, waarvan 2 orthodox en 10 vrijzinnig ; Kerkvoogdij 6 leden, O orthodox en 6 vrijzinnig. Totaal dus in de besturende en administreerende colleges 102 leden, waarvan 5 orthodox.
Nu zou het natuurlijk kunnen zijn, dat kerkelijk Alkmaar vrijzinnig was. Maar dat is niet zoo. Jan Publiek wordt opgetrommeld om ter stembus te gaan en dan winnen de vrijzinnigen den strijd. Eervol ! De rechtzinnigen worden verslagen dan. Totaal ! verslagen dan. Totaal ! En in de kerk?
Bij de twee vrijz. predikanten Deetman en Baar, twee eerste klas redenaars en eerste klas propagandisten met Nederlandsche vermaardheid, komt zoowat niemand in de kerk ; misschien 10%.
Bij de twee orthodoxe dominé's komt 90%.
Dus, als er 100 menschen in Alkmaar naar de kerk gaan, komen er 90 bij de rechtzinnige dominé's en 10 bij de vrijzinnige.
Bij de rechtzinnige dominé's zijn 33 kinderen gedoopt tegen 9 bij de moderne.
Huwelijken zijn er 12 ingezegend. Bij ds. Verwaal (orth.) 5, bij ds. Hak (orth.) 4, bij ds. Deetman (mod.) 1 en bij ds. Baar (mod.) 0. Twee zijn er nog bevestigd door twee rechtzinnige predikanten van elders. Dus hier staat het 11 tegen 1.
Van de bizondere collecten wordt dit overzicht gegeven :
Restauratiefonds, totaal ƒ 756.52, waarvan ƒ592.82 bij de 2 orth. predikanten. Noodlijdende Kerken en Personen, totaal ƒ65.80, waarvan ƒ48.20 bij de 2 orth. predikanten.
Pinkstercollecte Zending totaal ƒ327.32, waarvan ƒ 302.67 bij de 2 orth. predikanten
Bijbelgenootschap totaal ƒ93.37, waarvan ƒ77.10 bij de 2 orth. predikanten.
Zuiderzeefonds totaal ƒ 148.—, waarvan ƒ113.40 bij de 2 orth. predikanten.
Emeriti (Oudejaarsav.) totaal ƒ 187.—, waarvan ƒ 115.42 bij de 2 orth. predikanten
Paaschcoll. Pastoriefonds, totaal ƒ 134.— waarvan ƒ 109.— bij de 2 orth. predikanten
Totaal generaal dus ƒ 1712.01 — waarvan in de beurten der rechtzinnigen ƒ 1358.61. Of zoo ongeveer 80 % van het totaal.
In cijfers uitgedrukt staat het dus zóó, dat ongeveer 80% der collecten en 90% van alle kerkgangers van de rechtzinnigen komt.
Terwijl in de Colleges biina alles vrijzinnig is ; zoo ongeveer 95%.
Zulke dingen spreken boekdeelen !
In het lidmaten kweeken, in het onthouden van ihet stemrecht aan de vrouwen (voor de verkiezing van Notabelen), in het opjagen van Jan Publiek naar de stembus — daar zijn de modernen niet zelden vaardig in.
Maar hoe het overigens kerkelijk toegaat, moet men niet al te nauwkeurig onderzoeken.
Dat bewijst ook Alkmaar.
En dan gaat ds. Baar nog naar Landsmeer, om daar den boel óók om te zetten". Om de rechtzinnigen mee te nelpen uitwerpen en de Kerk over te leveren in handen van de modernen, die vooral in Noord-Holland zoo Kerkverwoestend weten te werken.
Niet het woord - maar de daad. Niet de leer maar het leven.
Onlangs lazen we in „De Zondagsbode", bijblad van het Predikbeurtenblad van Dordrecht (29 Nov. 1929) ongeveer dit : „Er staat toch : werk uws zelfs zaligheid met vreeze en beven, enz." „Uws zelfs". Ieder staat dus voor zich zelf".
Zoo'n redeneering kan misverstand wekken. Want ieder heeft maar niet een „eigen" zaligheid. De zaligheid is persoonlijk. Wij persoonlijk moeten de zaligheid deelachtig worden. Maar dat zal niet anders kunnen, dan dat wij door genade persoonlijk mogen getuigen ; „ik weet mij'Christus' eigendom. Die met Zijn dierbaar bloed voor al mijne zonden volkomen betaald heeft". (Zondag 1, „de eenigé troost des christens").
Er is maar Eén Naam onder den hemel gegeven, en in dien éénen Zaligmaker Jezus Christus ligt het heil voor allen, die in Hem gelooven.
Niet ieder dus een eigen kant uit; niet ieder langs een eigen weg ; niet ieder met een eigen geloof en een eigen zaligheid. Neen — persoonlijk zullen we allen in den éénen Weg, in de ééne Waarheid moeten wandelen (, Heere, maak mij Uwe wégen, door Uw Woord en Geest bekend"), om in en door den éénen Christus het eeuwige leven te mogen beërven. De verlossing van de grootste ellende, n. 1. de zonde, en de vervulling van het hoogste goed, n.l. de zaligheid, is voor allen door één offerande, door één bloed, door één Lam, door één Middelaar, Wien gansch Sion van alle volk en taal straks in den hemel eeuwig zal danken, zeggende en zingende : „Gij hebt ons Gode gekocht door Uw bloed en ons gemaakt tot Koningen en Priesters".
Dan werd er óók gezegd in „De Zondagsbode" : „Och, dat wij inzagen, dat het niet allereerst gaat om de leer, maar om het leven, om de daad, waardoor wij volgelingen van Christus zijn. Een bete broods toereiken, een frisschen dronk lafenis bieden, een bezoek brengen in den kerker, noemde Christus daden, die den Christen kenmerken en sieren".
Die redeneering moet dus dienen, om te bewijzen en aan te prijzen : als volgelingen van Jezus niet allereerst naar de leer te vragen, maar de daad te doen ; en wel een bete broods den ellendige toe te reiken, enz.
Nu moeten we bij deze dingen heel nuchter blijven en niet alles door elkaar halen.Was Jezus een philanthroop en vond Hij 't voldoende, dat Zijn discipelen philanthropen waren, armenbezoekers, krankenverzorgers gevangenisbezoekers, enz. ?
Was Jezus iemand die kranken genas en hongerigen brood gaf en vond Hij het voldoende, dat Zijn leerlingen zieken gezond maakten en dorstigen lafenis boden ?
Men weet beter! Hij dreigt zelfs héél ernstig, dat velen van die zullen worden uitgeworpen straks, waar bij Hij zal zeggen : gaat weg van Mij, Ik heb u nooit gekend, gij die de ongerechtigheid liefhebt.
Zijn discipelen. Zijn leerlingen. Zijn volgelingen zijn zij „die Zijn Woord hooreu en bewaren" ; die in Hem gelooven (die in den Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven — niet die gevangenen bezoekt, zonder meer).
Als de Heiland en Zaligmaker wil Hij gekend worden. „Dit is, dit is de poort des 'Heeren, daar zal 't rechtvaardig volk door treên". „Het Lam, voor ons op aard geslacht, is eeuwig waard te ontvangen" enz. „Tenzij iemand wedergeboren wordt, , hij zal liet Koninkrijk Gods niet zien".
En dan in en door Christus, door de liefde Gods bewogen en door de. liefde van Christus gedrongen, de daad van liefde en barmhartigheid.
De daad moet bij den christen in het licht van het kruis staan. En de hoogste liefde, de edelste daad, is daar waar de christen de. horizontale lijn van den dwarsbalk van het kruis ziet, vallend in donkere schaduw over een wereld vol van zonde en ellende en vloek en dood, waarboven uit de verticale lijn oprijst van den omhoogstaanden balk van het kruis, dwars gaande door de donkere schaduw van zonde, om den triumf van de genade te vermelden.
Dat geeft de beteekenis aan de ellende van het menschelijk geslacht voor den christen. Dat brengt de waarachtige liefde en barmhartigheid, die in Christus Jezus is.
De daad — zeker ! de daad des levens bij den levenden christen, als een daad van
geloof en liefde.
Maar die christen vat post bij het kruis — het middelpunt van de wereldgeschiedenis. Die daar z'n plaats niet weet — niet bij den martelaar, maar bij den Middelaar Gods en der menschen — kan een man van de daad zijn. Maar Jezus heeft óók gezegd, tot menschen van de daad : Ik ken u niet.
Neen, neen, we moeten de dingen niet hopeloos verwarren en onverantwoordelijk vertroebelen door haar op den Klank af te schrijven en te redéneeren. We moeten als christenen bij het Kruis van Golgotha staan om met Gods Woord en door Gods Geest te leeren en te leven, te gelooven, te handelen en te wandelen. Wie in deze leer niet blijft, is niet uit God.Wie deze daad niet doet, is des Zoons
De Amerikaansche Gezant ten onzent.
Onzen Amerikaanschen Gezant is te Den Haag een maaltijd aangeboden, waaraan vele grooten en edelen aanzaten ; uit den aard der zaak ook niet weinigen, die nu niet bepaald kerksch, ook niet godsdienstig kunnen worden genoemd. En toen heeft de Amerikaansche Gezant een merkwaardige tafelrede gehouden, waaruit men kan proeven dat hij een godsdienstig, ook een kerksch man is, die zich nooit en nergens voor z'n geloof schaamt. Laat ons iets van den Gezant en daarna van z'n tafelrede hier meedeelen.
De heer G. J. Diekema — zoo heet de Gezant van Amerika ten onzent — is een man van onverdacht Hollandschen oorsprong. Zijn vader was een Groninger, zijn moeder een Overijsselsche. Zijn ouders zijn 80 jaar geleden, onder leiding van ds. Van Kaalte, naar Amerika uitgeweken. Het Amerikaansche blad The Leader gaf onlangs dit merkwaardig getuigenis van mr. Diekema.
Mr. Diekema is trouw. Hij heeft vertrouwen in de hém gegeven talenten, zonder met zichzelf ingenomen te zijn. Hij heeft vertrouwen in de menschen, zonder hun fouten over 't hoofd te zien. Hij heeft — wat meer zegt — vertrouwen in God.
Hij gelooft in de Goddelijke voorzienigheid; in de overwinning van hen, die met God wandelen en die blijven in Gods wil en weg. Hij twijfelt niet aan de uiteindelijke overwinning van dé gerechtigheid. Daardoor heeft hij moed en kan hij stormen trotseeren. Hij is ook een man der liefde. Die hulp noodig hebben, komen bij hem nooit aan een gesloten deur. Groote vreugde vindt hij in het dienen. Altijd is hij gereed om hen, die in de moeilijkheden zijn, te helpen«.
»Mr. Diekema heeft den Bijbel lief. Deze is hem een gids op den weg. Zooals hij Gods openbaring in de natuur liefheeft, zoo mint hij ook Gods openbaring in het geschreven Woord. Zijn geloof is eenvoudig en diep«.
Tot zoover TheLeader over den persoon van den Amerikaanschen Gezant. Is het niet heerlijk, dat zooiets van een van de hoogst geplaatste personen der wereld gezegd en getuigd kan worden ! Geloof en liefde, leer en leven, is hier heerlijk met elkaar in overeenstemming.En nu de tafelrede, in Den Haag in gemengd gezelschap gehouden door dezen christen-Staatsman.
Het ging voornamelijk over de Hollanders in Amerika. En in dat verband wilde hij het hebben over de gedwongen volksverhuizing van Nederland naar Amerika, in de jaren na de Afscheiding (1834).
De Gezant noemde als eerste en diepste oorzaak van die Nederlandsche emigratie naar Amerika, de Afscheiding en de vervolgingen, waaraan de Afgescheidenen in het vrije(? ) Nederland bloot stonden. Inzonderheid dat deel der rede, in zulk een gezelschap gehouden, mag wel iets buitengewoons heeten, omdat de Oezant deze dagen en deze gebeurtenissen schetste als de droefste periode in Nederlands kerkelijke en staatkundige geschiedenis der 19e eeuw.
»De Hollander is van nature een conservatief vaderlander— zoo sprak mr. .Diekema woordelijk — »die niet altijd gemakkelijk wordt wakker geschud, maar die in zijn handelen wordt geleid door diepe overtuiging, vastberadenheid, ontembaren wil en onwankelbare trouw aan God, huisgezin en geboorteland. Ernstig moeten daarom de oorzaken zijn geweest, die geleid hebben tot die machtige oplaaiïng van gevoelens, waaruit tenslotte de emigratie en kolonisatie van 1846 en volgende jaren zijn voortgevloeid.
Welke waren deze oorzaken ?
In de eerste plaats : bij het einde van den oorlog met Spanje werd in de Nederlanden een staatskerk gevestigd met een belijdenis, welke positief en nauvkeurig was omschreven door wat historisch bekend is als de synode van Dordrecht, in 1618 gehouden. Deze kerk met haar bestuursvorm, haar regelingen en belijdenis, heeft het Nederlandsche volk aangehangen tot 1816, toen Koning Willem I, die na den val van Napoleon was teruggekeerd, er in slaagde datgene te volvoeren, wat door Lodewijk Napoleon en zijn broer, den keizer, reeds was begonnen, te weten een willekeurige herziening van de bestuursinrichting der kerk en een wijziging van de regelingen der kerk, voorgeschreven door de synode van Dordrecht. De nieuwe regelingen en de herziene vorm van eeredienst werden der kerk opgedrongen door den Koning, zonder de goedkeuring te vragen van de kerkelijke autoriteiten en in strijd met de precedenten van twee eeuwen hervormde kerkregeering.
Dit optreden verwekte een storm van godsdienstige beroering, welke tenslotte uitliep op de afscheiding van 1833—'34, toen verscheidene predikanten met duizenden volgelingen de moederkerk verlieten en begonnen samen te komen in huizen, schuren en iri de open lucht. Dit verwekte het misnoegen van den Koning en het actief verzet van dien tak van de staatskerk, welke berustte in den nieuwen toestand van een door den Koning gemaakte bestuursinrichting en welke door een formeel optreden van zijn algemeene synode een beroep deed op den Koning om deze godsdienstige bijeenkomsten te onderdrukken.
Welk een zwarte vlek van blijvende nationale schande had voorkomen kunnen worden, indien deze zwakke potentaat slechts geantwoord had in de taal van den Vader van zijn land, Willem den Zwijger, die in 1577 de vervolging van de wederdoopers tot stilstand bracht met de volgende gedenkwaardige woorden : »wij verklaren u, dat gij geen recht hebt u te bemoeien met iemands geweten, zoolang niets geschiedt, dat particuliere schade of publiek schandaal veroorzaakt«.
Maar het was een gedegenereerde tijd en de verheven geest van individueeie vrijheid, welke de dagen van de Hollandsche republiek kenmerkte, had zijn vlucht gericht naar de gelukkige kusten van Columbia*.
Over dit onderwerp werd dan nog wat verder gehandeld op deze manier :
»Krachtens een verouderde bepaling van de Code Napoléon, die opgenomen was in de nieuwe wetgeving van Nederland na den val van Napoleon en die "vergaderingen van meer dan 19 personen, voor welk doel ook, verbood, behoudens goedkeuring van de regeering, zond Willem I zijn soldaten met sabel en geweer uit om den vrijen eeredienst van God te beletten en bracht op deze wijze blijvende schande over een vrijheidlievend volk.
Indien het den zielen der afgestorvenen gegeven is getuigen te zijn van de gebeurtenissen op aarde, o ! hoe moet dan des Hemels machtig heir van Hollands martelaren voor de vrijheid met innig medelijden op dit arme land hebben neergezien! Deze vervolging duurde vele jaren. Duizenden guldens werden als boete betaald, vele predikers van het Evangelie verkwijnden in gevangenissen en vele anderen werden met vuisten geslagen, geboeid, afgeranseld door ruwe soldaten, totdat het leven hun bijkans begaf.
De Cock, Van Velzen, Brummelkamp, Van Raalte, Meerburg en Scholte, hun heldhaftige leiders, mochten wel zeggen met den apostel Paulus : »Tot op deze tegenwoordige ure lijden wij honger en lijden wij dorst en zijn naakt en worden met vuisten geslagen en hebben geen vaste woonplaats en arbeiden, werkende met onze eigen handen ; wij worden ge scholden en wij zegenen ; wij worden vervolgd en wij verdragen ; wij worden gelasterd en wij bidden ; wij zijn geworden als uitvaagsel der wereld en aller afschrapsel tot nu toe«.
Nog iets anders noemde mr. Diekema, want hij sprak verder :
»Wij hebben thans de eerste en voornaamste oorzaak nagegaan, welke leidde tot de Nederlandsche kolonisatie van 1846 ; er was echter nog een andere machtige oorzaak, n.l. groote armoede, gebrek, honger en behoeftigheid, ja, zelfs verhongering onder den middenstand en de lagere volksklassen, zooals nooit te voren in Nederland was aanschouwd.
De afgescheidenen behoorden bijna uitsluitend tot deze klassen en hun vermogen om elkander te steunen, was uitgeput.
Verdrukt in het geweten, hongerig in het lichaam, arm in de beurs, maar met ongebroken geest en hardnekkige Hollandsche vastberadenheid begonnen deze dappere mannen uit te zien naar een toevluchtsoord en een land van overvloed ergens over de zee.
Maar deze mannen waren vaderlanders. Al waren ze half verhongerd en onderdrukt, toch bleven zij hun vaderland liefhebben met een diepe, teedere liefde. Voor hen was het loslaten van 't vaderland synoniem met verraad. Op een massale bijeenkomst te Utrecht werd een commissie benoemd om den minister van koloniën verlof te vragen naar de Javaansche hoogvlakte te gaan en de regeering om godsdienstvrijheid te waarborgen en steun te verleenen bij den overtocht der armen. Naar Java, de „parel van het Oosten", den trots van de groote wateren, hunkerden zij te gaan. Daar zouden zij nog de geliefde oude vlag boven zich kunnen zien wapperen ; daarheen zouden zij gaan zonder hun vaderlandsliefde op te offeren ; daarheen konden zij gaan en trouw blijven aan hun God en hun land. Maar zelfs deze weldaad haastte de regeering zich om te weigeren, en van nu afaan waren aller oogen gericht op Amerika, de haardstede der vrijheid, het land van overvloed.
Toen kwam het groote probleem of zij moesten emigreeren of koloniseeren, Emigratie beteekende verlies van identiteit, verlies van hun godsdienstige leiders, uiteenvallen, opgeslorpt worden. Kolonisatie beteekende behoud van identiteit, waarborging van het behoud der leiding, handhaving van de eenheid van belang en doel, assimilatie en niet absorptie.
Het besluit was snel en zeker, het moest kolonisatie zijn. Leiders en volk moesten samengaan. Scholte en Van Raalte verklaarden spoedig, dat zij bereid waren mee te gaan.
Een algemeene brief, waarin-medewerking en christelijke sympathie werden gevraagd, werd gezonden aan de geloovigen in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Zooals nu en dan een briefje in een flesch uit een zinkend schip verzonden, in handen komt van een goeden vriend, die wacht aan een verre kust, zoo bereikte deze algemeene brief de vriendenhanden van drie New-Yorkers, de Witt, Wyckoff en Garretson, wier harten getroffen werden en die den weg hielpen bereiden voor den machtigen, komenden stroom van emigratie.
Op 2 October 1846. vertrokken Van Raalte en zijn volgelingen, 47 in getal, uit Rotterdam. Zij bereikten New-York op 17 November en in St. Clair en Detroit overwinterend, kwamen zij in de vroege lente van 1847 in West-Michigan en zetten zij zich neder tusschen dé Kalamazoo en de Grand, waar zij de stad Holland stichtten.
Ds. Henry P. Scholte voer met een scheepslading in de lente van 1847 naar Amerika, en zette zich neder op de vruchtbare velden van lowa, waar hij Pella stichtte.
In de lente van datzelfde jaar kwamen Jannes van de Luyster, ds. Cornelius van der Meulen en Jan Steketee, ieder met een scheepslading, en ofschoon zij aanvankelijk voornemens waren zich te voegen bij Scholte in lowa, veranderden zij te Buffalo van gedachten en kwamen zij naar Van Raalte in Michigan, waar zij gastvrij werden ontvangen in groote keeten, door de vroegere emigranten opgericht; deze nakomers vestigden zich later te Zeeland.
Daarop kwamen ds. Marten A.IJpma en zijn volgelingen, die zich nederzetten in Vriesland. In 1848 volgde ds. Seine Bolke met een kolonie uit de provincie Overijsel en zette zich neder in de stad Overisel. Sinsdien is een voortdurende stroom van emigranten gevolgd«.
(Slot volgt),
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 februari 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 februari 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's