MEDITATIE
Christus „de Weg
De volheid van Christus is onuitputtelijk. In Hem is alles wat tot de zaligheid noodig is. In Hem is rechtvaardigmaking, heiligmaking en volkomene verlossing. Die Hem heeft, die heeft alles.
Het is dan ook geen wonder, dat de ontdekte zielen naar Hem uitzien en uitroepen : „Geef mij Jezus of ik sterf, want buiten Hem is het eeuwig zielsverderf".
Door Hem is het alleen mogelijk om met een drieëenig God verzoend te worden. Die Hem vindt, vindt het leven en trekt een welgevallen van den Heere. In en door Hem kan de gevallen zondaar met God vereenigd worden en terug krijgen wat hij in het Paradijs verloren heeft, en nog wel onverliesbaar. De tweede Adam, Christus, heeft onverliesbaar verworven, wat wij in ons verbondshoofd Adam moed-en vrijwillig zijn kwijtgeraakt.
Welk een zaligheid, gepaard gaande met een zalige gerustheid, is het daarom voor degenen die met de Bruid kunnen zeggen : „Hij is mijn, en ik ben Zijn". Wij willen iets van die volheid van Christus beschouwen, door eens stil te staan bij hetgeen wij lezen in Joh. 14 vers oa :
Ik ben de weg.
Het tekstverband is u bekend. De Heere spreekt over Zijn heengaan. De discipelen weten op verre na nog niet wie Christus voor hen is. Hij is veel rijker en heerlijker dan zij weten. Zij kennen Hem als Profeet, maar van Zijn priesterlijk werk weten en verstaan zij nog niets, en van Zijn plaatsbekleedend en plaatsbereidend werk evenmin. Zij zoeken en zien nog te veel in zichzelf. In allerlei opzicht schijnt 't vleesch hun nog te veel nut. En dat is geen vreemde zaak bij den vleeschelijken mensch, nadat hij aanvankelijk genade heeft ontvangen, gelijk de discipelen. Zij houden nog zooveel aan het vleesch vast, zij het dan ook aan het vrome vleesch. Christus is hun nog niet alles. Zij hooren en lezen wel veel van algenoegzaamheid van den Borg en Middelaar, maar zij verstaan het nog niet.
Zoo ging het ook met de discipelen, toen de Heere de woorden van onzen tekst tot Thomas sprak. Later heeft hij het verstaan. Gelijk zooveel door Gods kinderen later wordt verstaan door beleving, wat zij vroeger gehoord en gelezen hebben. De Kamerling is niet de eenige, die een Verklaarder en toepasser noodig heeft om te verstaan hetgeen hij leest. Filippus, die de uitlegger voor den Kamerling was, verstond het vroeger ook niet, zooals blijkt uit zijn vraag, die hij op dit woord des Heeren liet volgen.
Wat is de onwetendheid van Gods kinderen, in Gods Woord beschreven, tot een rijke vertroosting voor degenen die over hun onverstand en onkunde moeten klagen.
En wat is het gemis, dat bij Gods gunstgenooten telkens in Gods Woord openbaar wordt, tot bemoediging voor degenen, die door genade hun gemis hebben leeren kennen. O, wat is dat troost voor hen, die zichzelf hebben leeren kennen, dat de diepst ingeleide apostel nog moest uitroepen : Wij kennen ten deele. Och, als wij maar iets mogen kennen, en met den blindgeborene na zijn genezing mogen uitroepen : „Eén ding weet ik, dat ik blind was en nu zie". En naarmate hij langer zag, wist hij ook meer en leerde hij ook Christus kennen, die hem genezen had.
En als wij dan ook Christus eens mogen zien, dan zien wij Hem na langer of korter tijd als de weg, de waarheid en het leven ; Vader komt dan door Hem.
De Heere getuigt dan van Zichzelf : Ik ben de weg. Dan is de eerste vraag : welke weg? Er zijn zooveel wegen. Landwegen, waterwegen en luchtwegen ! Vanwaar komt die weg en waar gaat hij heen ? Welke plaatsen worden er door met elkander verbonden ?
En dan zegt de Heere niet : Ik ben een weg, maar : de weg, d.w.z. de eenige weg ; er is geen andere.
En dan zegt de Leeraar der Gerechtigheid ook niet : Ik wijs den weg ; Ik baan den weg, of : Ik leg den weg aan, maar : Ik ben de weg.
In de eerste plaats is dus de vraag : Welke weg is Christus ? Er zijn zooveel wegen, die ons niet van het minste belang zijn. Er zijn duizenden wegen, waarvan wij nooit gebruik maken en waarvan wij niet eens weten dat zij er zijn. Welke weg is Christus ? Hebben wij er belang bij ? En dan is het antwoord, dat iedere reiziger naar de eeuwigheid er het grootste belang bij heeft. Want Hij is de weg, die voor tijd en eeuwigheid leidt naar vreugde en vrede, naar het waarachtige heil.
Sedert den val is het gevallen Adamskind steeds bezig om dat te zoeken. Hij wil het verloren Paradijs terug hebben. Allerlei wegen worden daartoe ingeslagen, maar het blijkt dat de Cherubijn met vlammend zwaard nog steeds den toegang bewaart. Niet zelden gebeurt het, dat de mensch meent het gewonnen te hebben ; aan de poort van het Paradijs hier op aarde te staan, en opeens is hij er weer verder af dan ooit. Zoo gaat het in het natuurlijke leven. Het Paradijs is op aarde verloren. En al zijn de menschen nu al zesduizend jaren bezig om het te zoeken, zij hebben het niet gevonden en al zouden zij nóg zesduizend jaar zoeken, zij zullen het niet vinden.
Maar nu is het in het geestelijke niet anders. Heeft de mensch dan geen verwachting meer dat hij het aardsche Paradijs zal vinden, dan gaat hij zijn hope op het hemelsche stellen. Maar ook deze hoop zal ijdel blijken te zijn. Verschillende wegen zijn uitgedacht en zullen nog uitgedacht worden om den hemel binnen te gaan, maai het zal buiten den eenigen weg, Christus, niet gelukken. Want velen zullen meenen in te gaan, maar zullen buitengeworpen worden.
Zijn de teleurstellingen in den tijd soms zeer groot, omdat men zoo stevig meende dat men een Paradijs op aarde zou krijgen, nog grooter, ja oneindig grooter zal de teleurstelling in de eeuwigheid zijn, als men er zoo vast op gerekend heeft en de Heere zal zeggen : „Ik heb u nooit gekend. Ga weg van Mij".
Gelukkig daarom die hier ziet, dat hij op een dwaalweg is, en dus gaat zoeken naar een anderen weg, ja, naar den eenigen weg die in Gods Woord is aangewezen, dat is naar Christus.
En nu is het opmerkelijk, dat de mensch eerst allerlei andere wegen gaat zoeken, eer hij naar den eenigen weg gaat vragen.
En toch is het zoo begrijpelijk, want de weg van Christus is tegen vleesch en bloed in. De mensch wil door werken zijn tijdelijk en eeuwig heil verkrijgen, en hij moet dat uit genade als een arme, alles verloren hebbende en niets kunnende zondaar ontvangen.
Nu is dat een wonder geheim, dat door den natuurlijken mensch niet verstaan wordt, en daarom volhardt hij zoo lang als hij kan in zijn dool-en dwaalwegen. Alleen als hij aan het einde is van zijn eigen gekozen wegen, dan is hij geschikt voor den eenigen weg en bereid om op dien weg te gaan, en anders niet, en anders nooit. Als de mensch ten einde raad is, dan is hij geneigd om den raad op te vol gen, dien hij steeds verfoeid heeft. Als hij als 't ware der wanhoop ten prooi is en anders niet.
Nu zegt Christus : Ik ben de weg ; de is geen andere weg ! Want de aarde is vervloekt; doornen en distelen brengt zij voort. Moeite en verdriet is het leven. De aarde is een jammer-en tranendal. Zal er nu nog iets hemelsch en ware vrede genoten worden, dan zal het alleen zijn als de Heere in de ziele indaalt. En nu kan dat alleen in en door Christus. Hij is de weg van den Vader om neder te dalen tot den zondaar, en Hij is de weg voor den zondaar om tot den Heere te naderen. Daarom zongen de Engelen bij Zijne geboorte : Vrede op aarde, en getuigde de apostel, door zielservaring geleerd, dat Christus zijn vrede is. En nu is de vrede met God in Christus hier op deze vervloekte aarde een Paradijsgenot. Als de vrede, die alle verstand te boven gaat, zijn deel is, dan heeft hij in die oogenblikken een hemel op aarde en zingt hij :
In de grootste smarten Blijven onze harten In den Heer' gerust.
Dan wordt niet geklaagd : Mijn weg is voor den Heere verborgen, maar gezongen : Al ging ik ook door een dal der schaduwen des doods, ik zou geen kwaad vreezen, want Uw stok en Uw staf die vertroosten mij, en dan jubelt de ziel : „Hoe donker ooit Gods weg moog wezen. Hij ziet in gunst op die Hem vreezen", of: „Gij hebt mijn weeklacht en geschrei, veranderd in een blijden rei". In Christus zijn de bergen vlak en de zeeën droog. Met Hem wordt geloopen door een bende, en gesprongen over een muur. Voor Hem is toch „het aaklig duister, den dag gelijk in glans en luister". Hij is de weg, waarop de dwazen niet zullen dwalen. De weg door de aardsche woestijn naar het hemelsche Kanaan.
De weg niet alleen door dit leven, maar ook uit het leven.
Er zijn menschen, kinderen Gods, die zoo ruim kunnen spreken door het geloof in Christus, wat betreft den tijd, die zoo vast op Hem betrouwen in de tijdelijke dingen dat Hij het goed zal maken, maar die, als zij aan den dood denken, huiveren alsof er voor de eeuwigheid een andere weg moet gekend en bewandeld worden. Maar Christus is dte weg ook voor de eeuwigheid.
Christus is de weg, maar Hij is nog veel meer. Want al wat op dien weg voor de reizigers naar het Hemelsche Zion noodig is, wordt in Hem gevonden. Gelijk de Heere niet alleen voor het volk in de woestijn door de vuurkolom des nachts en de wolkkolom des daags den weg wees, maar ook zorgde voor hetgeen op dien weg noodig was, door het manna van den hemel en het water uit den rotssteen te geven, ja, in alles voor hen zorgde, zoo heeft Christus als de weg, ook alles wat op den weg noodig is. Daarom laat de Heere er onmiddellijk op volgen „en de waarheid en het leven ; niemand komt tot den Vader dan door Mij".
De volheid van Christus is onuitputtelijk. Hij is alles.
Hij is de vrede, die alle verstand te boven gaat.
Hij is de spijze. Want Zijn vleesch is waarlijk spijze.
Hij is de drank. Want Zijn bloed is waarlijk drank.
Hij is het kleed. Want zij worden met Zijne gerechtigheid bekleed.
Hij is de kracht. Want Zijne kracht wordt in zwakheid volbracht.
Die Christus heeft, die heeft alles.
Die Christus mist, die mist alles.
Welken weg moet gij dus heen, zielen, die niets hebt?
Naar dien Christus !
In Hem, bij Hem is de weg. Ja, nog meer : Hij is de weg.
Allen, die door genade tot Hem gekomen zijn, zullen daarom ook op de vraag : heeft u één ding ontbroken ? moeten antwoorden : Neen, Heere !
Hoe wij het ook wenden of keeren, er is geen andere weg.
Buiten Hem is er geen weg.
Hij is de weg.
Als Profeet is Hij de weg om van de onwetendheid te verlossen.
wetendheid te verlossen. Als Priester is Hij de weg om de schuld te verzoenen.
Als Koning is Hij de weg om voor tijd en eeuwigh-eid naar lichaam en naar ziel te beschutten en te beschermen.
Zoó groot kan de nood niet zijn, of Hij is de weg tot volkomen verlossing. Zalig die Hem kent !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 februari 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 februari 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's