De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Brief aan de Romeinen.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Brief aan de Romeinen.

6 minuten leestijd

Romeinen 6 vers 8—11. Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zoo gelooven wij, dat wij ook met Hem zullen leven, wetende, dat Christus opgewekt zijnde uit de dooden, niet meer sterft; de dood heerscht niet meer over Hem.Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven ; en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode.Alzoo ook gijheden, houdt het daarvoor, dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus onzen Heere.

Brief aan de Romeinen.
Romeinen 6 vers 8-11. Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zoo gelooven wij, dat wij ook met Hem zullen leven, wetende, dat Christus opgewekt zijnde uit de dooden, niet meer sterft; de dood heerscht niet meer over Hem.
Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven ; en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode.
Alzoo ook gijheden, houdt het daarvoor, dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus onzen Heere.
Herinnert ge u nog den samenhang met wat voorafgaat ? Het is den ^apostel Paulus er om te doen, om te weerleggen die schandelijke taal : Zullen we in de zonde blijven, opdat de genade meerder worde. Om zulks te weerleggen, herinnert hij zijne lezers aan hunnen Doop. Hij vergelijkt dien Doop eigenlijk met een begrafenis. Die onderdompeling in het Doopwater wijst immers op een sterven. Maar het opklimmen uit de wateren wijst op zijn opstanding.
In vers 5 sprak hij van dat wondere mysterie, dat Christen door de mystieke gemeenschap des geloofs ééne plant met Christus wordt in de gelijkmaking Zijner opstanding.
Maar in vers 8 spreekt hij niet slechts van een opstaan ; neen, van een „zullen leven".
De jongeling van Naïn, het dochterke van Jaïrus, Lazarus, ze werden allen van de dooden opgewekt, maar toch moesten ze later bukken voor de majesteit van den dood. Een eeuwig leven wacht echter eens Gods kind. En dit eeuwige leven vangt reeds aan hier beneden. Dit is immers het eeuwige leven, dat men den eenigen en waarachtigen God kenne en Jezus Christus, dien Hij gezonden heeft. Nog eens, de vreugde van dat eeuwige leven wordt in beginsel reeds gesmaakt aan deze zijde van het graf, als God in Christus woning komt maken bij dien, die eens verbrijzelden geestes is.
O, welk een vast geloof mocht Paulus openbaren ! En dat geloof rustte niet op iets in Paulus, maar alleen op den grooten Borg en Middelaar, Christus Jezus.
Wat zijn er velen in onze dagen, die den vasten grond van hun geloof elders zoeken.
Wat al valsche mystiek !
Wat al bevindingen, die slechts de vrucht zijn van vleesch en bloed. Bevindingen, die hun grond niet hebben in het Woord van God en die ook geen vrucht zijn van de werking, van den Heiligen Geest.
Maar al zulke bevindingen vallen weg voor de eeuwigheid.
voor de eeuwigheid. Neen, Paulus stelt zijne hoop en verwachting niet op den Christen, maar op den Christus alleen.
Wat kan hem troosten ? Wat schenkt hem zekerheid ? Alleen de wetenschap des geloofs, dat Christus, opgewekt zijnde uit de dooden, niet meer sterft ; de dood heerscht niet meer over hem.
Lazarus stierf wederom, schreven we boven. Maar Christus, van de dooden opgestaan zijnde, sterft nooit meer. De dood heeft slechts kort over hem geheerscht. Toen Hij als het Lam Gods de zonden dér wereld aan Zijn kruis wegdroeg, heeft Hij vrijwillig voor den dood willen bukken. Vrijwillig ! Hij boog het hoofd en daarna stierf Hij.
Maar de dood kon Hem niet houden, aangezien Hij rechtvaardig was. Het werk, hetwelk Hij had volbracht, was volkomen. Geen penning bleef meer over om te betalen. Nu geldt ook van Hem, dat Hij eenmaal der zonde gestorven is.
Als wij van dén Heere Jezus lezen, dat Hij der zonde gestorven is, beteekent dat natuurlijk iets anders dan wanneer we dit hooren van een zondig menschenkind. Het wil natuurlijk niet zeggen, dat Hij ophield met zondigen. Hij was immers ons in alles gelijk, doch uitgenomen de zonde.
Neen, het wil veeleer zeggen, dat Hij den dood gestorven is om der zonde wil, opdat Hij Zichzelf tot een rantsoen voor velen zou stellen.
Slechts éénmaal is Hij der zonde gestorven. Met ééne offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden.
Zonde en dood hebben geen recht meer op Hem ! Zijn leven behoort nu Gode toe. En daarom, dat Hij leeft, leeft Hij Gode.
Alzoo ook gijlieden, houdt het daarvoor, dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus onzen Heere.
Dat elfde vers zouden we wel de toepassing kunnen noemen van al het voorafgaande.
Ja, dooden zijn Gods kinderen, als ge hen neemt ten opzichte van de zonde, gestorven aan de zonde als ze zijn.
Maar het is des apostels bedoeling om hen hier juist voor te stellen als Gode levende in Christus Jezus, onzen Heere.
Het uitgangspunt moet Christus Zelf wezen. In Hem alleen is de kracht tot een nieuw leven. Uit Hem vloeien de krachten tot heiligmaking.
Neen, het wordt maar niet tot den eersten den beste gezegd : Houdt het daarvoor, dat gij Gode. levende zijt in Christus Jezus.
Er zullen er ook in Paulus' dagen wel velen geweest zijn, die.zich hebben laten doopen, maar daarna in de zonde zijn blijven leven.
Neen, tot zulken zegt Paulus niet, dat ze het er nu toch maar voor moeten houden, dat het goed met hen staat voor de eeuwigheid.
Veeleer geldt het van hen, die in den strijd tegen de zonde, ook na ontvangene genade zich o zoo zwak gevoelen. Ze kunnen slechts roemen in zwakheden. Ze weten zich als dood in zonden en in misdaden. Met Paulus moeten ze roepen : Ik. ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods.
Tot hen spreekt de apostel bemoedigend, dat er in Christus krachtten leven is voor arme zondaren, die hier biddend moeten vragen:
Gun door 't geloof in 'Christus krachten. Om die te doen uit dankbaarheid.
Met Hem leven ze een leven, dat nooit meer sterven zal De dooding der zonden, de strijd tegen de overgeblevene zwakheid zal blijven duren tot den doodssnik toe. Maar de kracht tot dien strijd is alleen in Christus te vinden.
Waar dat leven zich openbaart in het zondaarshart, ontbrandt ook de heilige begeerte om ter eere Gods te leven, alle de dagen des levens, die ons nog resten. En als dan telkens opnieuw de zonde zich weer openbaart, zij er dan bij vernieuwing een vluchten naar Hem, , van Wien de dichter zong :
't Is Isrels God, die krachten geeft, Van Wien het volk zijn sterkte heeft; Looft God, elk moet Hem vreezen.
En Paulus mocht jubelen : Ik dank God door Jezus Christus onzen Heere.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 februari 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Brief aan de Romeinen.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 februari 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's