STAAT EN MAATSCHAPPIJ
Het derde Gebod.
Een groot kwaad, dat zich bij het leger en op de vloot voordoet, is het misbruiken van Gods heiligen Naam en het veelvuldig bezigen van onzedelijke en ruwe taal.
Met daarop de aandacht te vestigen, bedoelen wij niet om een klad op de weermacht te werpen en haar op dit punt zooveel slechter te achten als de burgermaatschappij.
In geenen deele !
Wat de burgermaatschappij ten aanzien van deze dingen te hooren geeft, is een ieder beleend. Ook in het burgerlijk leven wordt helaas, en zelfs in niet geringe mate, gevloekt en godslasteringen uitgebraakt, om dan nog maar te zwijgen over wat in deze kringen ten opzichte van de goede zeden te koop is.
Dat wij bijzonderlijk met betrekking tot de zonde van het derde Gebod op het leger en de vloot wijzen, vindt z'n reden in de omstandigheid, dat men bij de landmacht en zeemacht in een kleiner kring samenleeft, op elkander is aangewezen en de dienstplichtigen gedwongen zijn om in het militaire milieu te vertoeven en te leven.
Daarom heeft de landsoverheid de zoo ernstige roeping om nauw toe te zien, dat hier Gods gebod, met wat daarmede samenhangt, niet wordt overtreden.
Wat de wetten en voorschriften betreffen, is het te dien opzichte, op papier, altijd wel in orde geweest.
Zoo bepaalde het Reglement van discipline voor het 'krijgsvolk te lande, dat van 15 Maart 1815 dateert, reeds in § 2 :
»Daar de Godsdienst de bron is van alle geluk, deugd, waren moed en troost, moet ook in den krijgsstand een ieder zich tot betragting deszelven en tot een zedige levenswijze bevlijtigen, de godslasteringen, het vloeken en zweeren moet worden nagelaten, en zullen de meerderen hierin, en in al wat de handhaving der goede zeden kan bevorderen, hunne minderen, met een goed voorbeeld voorgaan, en alle buitensporigheden algemeen vermijd moeten worden«.
Dit voorschrift bleef langer dan een eeuw van kracht; het is komen te vervallen, toen het Wetboek van Militair Strafrecht en de Wet op de krijgstucht nog niet lang geleden werden ingevoerd.
Ook in deze twee wetten heeft de wetgever zich met de overtreding van 't derde Gebod bezig gehouden.
Het eerste Wetboek bepaalt toch in artikel 141 : „De militair, die opzettelijk een mindere uitscheldt, uitvloekt, beschimpt enz., wordt gestraft met gevangenisstraf van ten .hoogste negen maanden" ; zoodat in het Wetboek van Militair Strafrecht het „uitvloeken" zelfs tot de misdrijven wordt gerekend, waarop gevangenisstraf is gesteld.
De Wet op de krijgstucht noemt in artikel 2 als krijgstuchtelijk feit, het feit omschreven o.m. in het bovengenoemde artikel 141 van het Wetboek van Militair Strafrecht en stelt dus daarmede het misbruiken van Gods Naam strafbaar.
En eindelijk bepaalt het Reglement betreffende de krijgstucht, welk Reglement bij Koninklijk Besluit van 31 Juli 1922 werd vastgesteld, in artikel 22 : „den militair is verboden het bezigen van vloeken en godslasteringen, van onzedelijke taal of liederlijke uitdrukkingen, zoowel buiten dienst als in dienst."
Uit dit alles blijkt, dat de Overheid zich ten allen tijde beijverd heeft, althans daarvan in Wet en voorschrift heeft blijk gegeven, om de overtreding van het derde Gebod tegen te gaan.
Toch is met al deze wetsbepalingen en koninklijke voorschriften nog niet bereikt, dat het groote kwaad van het misbruiken van Gods heiligen Naam bij het leger en op de vloot is uitgeroeid geworden.
Het vloeken en godslasteren is gebleven. Een nieuw bewijs daarvan vinden wij in het aan den Minister van Defensie uitgebrachte Verslag van den Raad van legerpredikanten over het jaar 1929.
In dat Verslag komt deze mededeeling voor :
»Nog gedurig komt tot ons de klacht, dat het zoogenaamde vloekverbod zoo weinig uitwerkt ; men trekt er zich bij sommige onderdeden blijkbaar weinig van aan, tot groote ergernis van vele jongemannen, die zoo niet worden opgevoed*.
Gelukkig staat de Minister van Defensie op het standpunt, dat in het leger en op de vloot, niet alleen met woorden, maar ook met daden overeenkomstig het derde Gebod behoort te worden geleefd, en zoo dit niet geschiedt, er dan krasse maatregelen tegen de overtreders moeten worden genomen.
Daarvan geeft blijk de Ministeriëele kennisgeving van 14 Februari, luidende :
»Ik maak als mijn uitdrukkelijk verlangen kenbaar, dat het in artikel 22, onder a, van het Reglement betreffende de krijgstucht gestelde verbod tot het bezigen van vloeken en godslasteringen, van onzedelijke taal of liederlijke uitdrukkingen, zoowel buiten als in dienst, met stiptheid wordt gehandhaafd en dat de daartoe bevoegde chefs tegen de overtreders van dat verbod strafmaatregelen zullen treffen.
Deze kennisgeving moet op drie achtereenvolgende middagappèls (met uitzondering van den Zaterdag en den Zondag) worden voorgelezen*.
'De Minister van Defensie eischt hier dus uitdrukkelijk, dat met stiptheid de bepalingen omtrent het verbod van vloeken enz., zullen worden nagekomen en bij gebreke daarvan strafmaatregelen zullen moeten worden getroffen.
Het zal dus niet bij woorden blijven, doch de daden zullen volgen.
Daarvoor zal ons Christenvolk den Minister in niet geringe mate dankbaar zijn.
Aan het groote kwaad van het misbruiken van Gods heiligen Naam in het leger en op de vloot moet een einde komen.
Dat de regeering van oordeel is, dat de Overheid niet alleen een roeping heeft jegens de tweede Tafel der Wet, maar ook overeenkomstig de eerste Tafel heeft te handelen, verblijdt ons niet weinig.
Dit oordeel heeft ook onze volle instemming en onderschrijven wij in zijn geheel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 februari 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 februari 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's