KERKELIJKE RONDSCHOUW
Waar is de Kerk voor?
Is de Kerk er voor barmhartigheidsbetoon ; om allerlei arbeid te doen voor de armen, voor de ouden, voor de gebrekkgen?
Is de Kerk er misschien om kerken te bouwen hier en daar en overal ; in nieuwe provincies, in roomsche deelen van 't land, in de tuindorpen, enz. ?
Natuurlijk!
Maar de Kerk vindt haar doel, haar roeping, haar heerlijk en hoog ideaal in hét belijden van den Naam des Heeren.
Barmhartigheid bewijzen — natuurlijk ! Maar niet als humanistische vereeniging tot nut van 't algemeen ; maar als Kerk des Heeren, belijdende den Naam van Christus ; als Kerk des Woords, bedienende de genade en de liefde Gods in den Zoon Zijns welbehagens.
Het werk der barmhartigheid, gedragen door de liefde van Christus en gevuld van de liefde van Christus, die aan het kruis verzoening en barmhartigheid heeft gebracht voor arme zondaren.
Kerken bouwen — natuurlijk ! Maar niet als een bouwvereeniging, als een cultureel humanistisch gezelschap. Als Kerk van Jezus Christus, als Kerk des Woords. Opdat de Kerken in de nieuwe provincies — denk aan de Zuiderzee-provincies —, opdat de Kerken in de tuindorpen onzer groote steden — Kerken des Heeren, Kerken des Woords, worden. Opdat in roomsche deelen van ons land maar niet protestantsche stichtingen komen tot nut van 't algemeen, als vereenigingen van elk wat wils — maar Kerken van Ohristus, Kerken des Woords.
Wat de Kerk doet, moet beheerscht worden door wat de Kerk is. En wat de Kerk is en zijn moet, moet onder ons vaststaan èn voor den diaconalen arbeid, èn voor het groote stadsprobleem, èn - voor de Zuiderzee-provincies èn voor alles.
De Kerk — de Kerk des Heeren — de Kerk van Christus — de Kerk des Woords.
Lichtzinnig — Oppervlakkig Oppervlakkig — Lichtzinnig
Nu moet niemand boos worden. Maar die menschen — en we hebben nu het oog op niet weinigen onder de ethischen — die zoo smalend, zoo minachtend, zoo uit de hoogte kunnen spreken soms (gelukkig niet altijd) over de belijdenis der Hervormde Kerk, over de drie Formulieren van Eenigheid enz., zijn toch niets meer of minder dan lichtzinnig en oppervlakkig. Of wat misschien juister is : oppervlakkig en lichtzinnig.
't Is zoo goedkoop, om mee te doen met nu ja, met anderen, zullen we maar zeggen — en in koor te roepen : die oude, versletene, doode formulieren, die oude, versletene, doode belijdenis, enz. enz.
Driehonderd jaar zijn ze oud. Ouder dan driehonderd jaar zijn ze.
Welk verstandig mensch kan die dingen, in 1930, nu nog gebruiken ?|
Zoo zingen velen onder de ethischen mee, in koor met anderen.
Dat is voor ons een „grove onbehoorlijkheid" van vele ethischen.
Ze moesten beter weten.
Ze moesten weten — en ook anderen leeren — dat onze prachtige belijdenisschriften (niet volmaakt, maar prachtig), de geestelijke worsteling aller eeuwen zoo heerlijk benaderen, om voor den Naam des Heeren naar Zijn Woord op te komen. Ze moesten het mooie, het heerlijk-mooie eens opnemen, om het uit te dragen onder velen, zooals in de Kerk des Heeren, als zijnde de Kerk des Woords, passend is.
Maar verwerken van de dingen en waardeeren en benutten — is moeilijker dan uit de hoogte laag op iets neer zien.
En van oud gesproken.
Wie, die iets van de Kerkgeschiedenis weet — en dat moet in de Kerk des Heeren ook door de ethischen geleerd worden, ook aan de jongeren worden bekend gemaakt — weet niet, dat de oude dwalingen in de oer-gemeenten, door Christus' Kerk van de eerste eeuwen bestreden en weerlegd — in onzen meest modernen tijd weer teruggekomen zijn en zich aandienen overal.
Wie b.v. iets weet van het Gnosticisme, met z'n leer over God, schepping en verlossing, en er naast legt wat de Theosophie leert en wat Krishnamurti, de wereldleeraar, predikt, tot verlossing van de vermaterialiseerde menschenziel door de wijsheid en de waarheid, welke de lichtprofeet brengen zal — die staat verbaasd, hoe de oude dwalingen weer nieuw zijn geworden en hoe de nieuwe belijdenis van Christus' Kerk in 1930 zich heerlijk kan aan sluiten bij en vereenigen met dé belijdenis van het oer-christendom.
Natuurlijk gaat het niet om woorden, uitdrukkingen, enz.
Maar de levende belijdenis des geloofs aangaande Christus, naar Zijn Woord, voelt zich één met al de eeuwen van Christus' Kerk, die naar het Woord leefde.
Gaat het niet altijd weer om het mysterie der godzaligheid, de verborgenheid der godzaligheid, die groot is : God geopenbaard in het vleesch ?
En gaat het er dan niet altijd om, om de dingen zóó te Verschuiven dat het humanisme, dat het menschelijke in zelfverlossing in de plaats kan komen van de verzoening door den God-mensch Jezus Christus?
Het cultureel humanisme in de plaats Van het kruis van Golgotha.
Het fundament in het schepsel, in plaats dat de roem zij in het eeuwig en vrij welbehagen des Heeren, dat in het Lam Gods tot hoogste openbaring komt.
Rondom die worsteling der eeuwen, waar in de Kerk van Christus mee geworsteld heeft, gaan we niet verachten de oude belijdenis der Kerk. Dat laten we over aan oppervlakkige menschen, die gewoon zijn lichtzinnig te spreken over wat zij niet kennen. Onze roeping is om de belijdenis der Kerk op te nemen en in het midden der Kerk haar te doen zijn tot een levende belijdenis van allen die Christus liefhebben en willen wandelen naar 's Heeren Woord.
Kerk en belijdenis
Hebben van de belijdenis en handhaven der belijdenis
We zetten dat maar naast elkaar : Kerkbelijdenis. En dan: hebben en handhaven van de belijdenis.
De Kerk moet een belijdenis hebben. Onze Hervormde-Kerk moet een belijdenis hebben. De vraag, of het dan in een Kerk met een belijdenis „alles goud is wat er blinkt", doet niets af van de waarheid, dat een Kerk een belijdenis moet hebben. Een mensch met een hart kan ook allerlei gebreken hebben, misschien wel heel leelijke gebreken — een mensch met een hart is veelal óók dus „niet volmaakt". Maar vast staat : een mensch zonder hart, is geen mensch, leeft niet, is dood. Een mensch moet een hart hebben.
Laat hét dus waar zijn, dat in een Kerk met een belijdenis dikwijls ook niet „alles goud is wat er blinkt" — een Kerk moet een belijdenis hebben. Een Kerk zonder belijdenis is geen Kerk. Dat kan een vereeniging, een club, een gezelschap enz. enz. zijn, maar een Kerk is het niet.
Laat men dus ophouden met die oppervlakkige, domme, luchthartige en geniepige opmerkingen : in een Kerk met een belijdenis is ook niet „alles goud wat er blinkt"
Natuurlijk is 't daar niet alles goud wat er blinkt. Bij een bekeerd mensch is 't ook niet alles goud wat er blinkt — maar vast staat : een mensch moet bekeerd worden, zal hij een kind van God genaamd worden en zal hij zalig worden.
Domme opmerkingen als : „'t is daar óók niet alles goud wat er blinkt", moesten dan ook achterwege blijven. Althans onder verstandige menschen.
Zulke snuggere opmerkers dan ook te typeeren als oppervlakkige, domme, geniepige menschen, kan geen kwaad. En die naar zulke menschen luisteren, zijn ook dom, oppervlakkig, geniepig. Ze hebben, allesbehalve 't goede met de Kerk des Heeren vóór.
De Kerk moet eén belijdenis hebben, net als een mensch een hart moet hebben. Ook al heeft de mensch dan misschien maar één been, verminkt zijnde, zoo moet hij toch een hart hebben. Dan is 't een mensch — ten spijt van het gebrek of de gebreken, die hij overigens heeft.
Dat een Kerk een belijdenis moet hebben — al zouden er dan helaas overigens tal van gebreken in die Kerk zijn — komt hieruit voort, dat de Kerk als geestelijke gemeenschap leeft uit haar geestelijk Hoofd Christus, met de bizondere roeping om Zijin Naam te belijden. „Eén Heere, één geloof, één doop".
Dat kan van geen enkele Vereeniging gezegd worden. Want geen enkele Vereeniging is daartoe opgericht. De Kerk is een eigensoortige stichting en planting des Heeren, rondom Zijn Woord en rondom de Sacramenten.
Hoe is de Kerk geworden ?
Door Christus' Geest en door Christus' Woord.
Rondom het Woord des Heeren en door den Heiligen Geest, die in alle waarheid leidt.
Men kan dat goed vinden of niet goed vinden, maar zóó is de Kerk van Christus ontstaan.
Geloovigen, die den Naam des Heeren belijden — dat zijn de ware leden van de Kerk. In het midden van de Kerk staat het geloof in Christus en het belijden van Zijn Naam als het centrale als het „ééne noodige".
Die dat niet wil aanvaarden, die moet afscheid , nemen van de Kerk. Die kan over vereenigingen, bonden, sociëteiten, organisaties enz. enz. praten, zooveel hij wil. Maar van de Kerk moet hij afzien. Want de Kerk is onlosmakelijk verbonden met het geloof in Christus en het ibelijden van Zijn Naam.
De Kerk moet betrekking kennen op Christus, moet een levendige overtuiging hebben aangaande Gods Woord. En wat niet uit Christus is en wat niet naar het Woord Gods is — hoort wezenlijk niet thuis in de Kerk.
De Kerk is in deze van eigen karakter.
En in de Kerk moet altijd weer er naar gestaan worden, om 200 eerlijk mogelijk zich te openbaren in het midden der wereld als hebbende : „Eén Heere, één geloof, één doop".
Natuurlijk zijn alle menschen niet van „één Heere, één geloof, één doop" — .maar dan wordt het openbaar, dat niet alle menschen van de Kerk van Christus zijn.
Dat is natuurlijk héél jammer, maar dat verandert aan het karakter en wezen van de Kerk niets.
De Kerk is om te gelooven in Christus en Zijn Naam te belijden. En wel naar Zijn Woord en door Zijn Geest.
Wie door eigen geest wil spreken en leeren en handelen en wandelen, is van een anderen geest, dan de Geest Gods is. En in de Kerk moet het gaan, om door Gods Geest geleerd en geleid te worden.
En dan te gelooven en te belijden, te spreken en te handelen door Gods Geest naar Gods Woord.
Wie naar dat Woord zich niet wil voegen, is niet uit den Geest en is niet in de waarheid.
Natuurlijk wil niet ieder mensch door den Geest Gods en naar Gods Woord denken, spreken, handelen, leven, gelooven en belijden. Maar die dat niet wil — en het zijn er velen — die behoort niet tot de Kerk des Heeren, die geboren is uit het zaad des Woords, die geroepen is uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht, om te gelooven in Christus en 's Heeren Naam te belijden.
Velen zijn niet van de Kerk.
Maar de Kerk is van Christus. De Kerk moet zijn een Kerk des Woords. De Kerk moet den Naam des Heeren belijden. Anders is het een Kerk, .die geen Kerk genaamd mag worden. Een ondergeschoven, valsch, onwaarachtig ding is het dan. En zulks moet ieder rechtschapen mensch veroordeelen : dat een Kerk, die Kerk moet zijn, geen Kerk is. Erger nog : dat zij geen Kerk wil zijn, maar zich toch tegelijk dan Kerk noemt en wil blijven noemen. Dat is onwaarachtig ! Dat is eerlijke menschen. onwaardig !
De Kerk, die een belijdende Kerk moet zijn, moet dan ook haar belijdenis openbaren, eeren, handhaven.
Want het is een héél gewoon verschijnsel, dat men de belijdenis der Kerk wil vertroebelen, wil verwarren, wil ontwrichten, zelfs in het tegendeel wil veranderen. In plaats van het gelooven in Christus en het belijden van 's Heeren Naam en het wandelen naar Zijn Woord — wordt het dan een ander „geloof" en een andere belijdenis" en een ander „leven". Waarbij de Naam van Christus, de belijdenis der waarheid en het leven naar het Woord in verdrukking, in gevaar komt. Waarbij het wordt velerlei „geloof", met , , elk wat wils". Dus een huis, dat tegen zichzelf verdeeld is. Een Kerk, die niet meer kloek den Naam des Heeren belijdt. Niet meer een Kerk des Woords, maar een nagemaakte, ontaarde, valsche Kerk met allerlei wind van leer is.
Nu heeft onze Hervormde Kerk nog haar belijdenis. Die belijdenis heeft ook nog in de harten en zinnen en huizen van velen. Die belijdenis leeft nog in onderscheidene gemeenten. Die belijdenis is ook nog bewaard in onze Kerkelijke reglementen. Die belijdenis moet ook worden gehandhaafd. Alleen — de Kerk als Kerk leeft met opzet in haar reglementen (door overmacht haar opgelegd) in dubbelzinnigheid ; en dus met opzet in onwaarachtigheid.
In de Hervormde Kerk hoort thuis b.v. de Catechismus, dat boek van onderrichting, waarin zoo heerlijk de hoofdwaarheden van de belijdenis uiteengezet worden ter onderwijzing van de gemeente, ook ter onderwijzing van de kinderen op school.
Datmen bij die belijdenis, welke de belijdenis der Hervormde Kerk is, zijnde de belijdenis van den Naam des Heeren naar Zijn Woord, een kerkelijke, echt-schriftuurlijke belijdenis — dat men bij die belijdenis in de dagen, dat het in het midden van ons volksleven al mee 't ellendigst gesteld was, in de reglementen is komen aandragen met alleriei dubbelzinnigheden en onwaarachtigheden om die belijdenis te verkrachten, (onder verzekering, dat zij zou bewaard blijven!), ziet, dat is het fatale van de laatste honderd jaar ten opzichte van de Kerk van Christus in dezen lande : Onwaarachtigheid in optima forma !
De Ned. Hervormde Kerk moet weer vrij komen, om, als belijdende Christelijke Kerk (zooals zij waarlijk is) overeenkomstig Gods Woord den Naam van Christus te belijden, dan zal zij óók als Kerk des Heeren weer kunnen staan in het midden des volks.
De Amerikaansche Gezant ten onzent. (2)
Aan den feestmaaltijd in Den Haag, door de Vereeniging „Nederland in den vreemde" onzen Amerikaanschen Gezant bereid — waarbij o.a. mr. P. J. de Kanter, mr. Westerman, dr. Nolens, Baron van Heemstra, mr. Patijn enz. mede aanzaten — heeft de heer Diekema nog nader gesproken over de Hollanders, die na den tijd van de Afscheiding (1834) naar Amerika zijn verhuisd. Hij sprak nog als volgt :
„Zoo wanen de leiders ; wie waren hun volgelingen ?
Het waren geen voortvluchtigen voor de justitie, noch drong de geest van avontuur hen. Zij waren, niet, gelijk de Romeinsche kolonisten, uitgezonden om de veroveringen der legers ver van hun land vast te houden. Het waren eerlijke, ernstige, matige christenmannen. Zij verlieten hun vaderland met tegenzin, be seffende, dat, waar het hart moest neerleggen wat het het meest beminde, het daar zichzelf verlangt neer te leggen.
Zoo hebben de Hollandsche kolonisten van 1847 Amerika de eenige immigratie geleverd, die naar geest en doel waarlijk gezegd kan worden te gelijken op de vestiging van Nieuw Engeland door de pelgrimvaders.
Zoo emigreerden Holland's puriteinen van de 19de eeuw naar Amerika.
Zoo werd de stad Holland voor de Amerikaansche Hollanders wat Plymouth Rock is voor de Nieuw-Engelanders.
Zoo waren de mannen van 1847." En dan verder:
„Wat waren de voornaamste karaktertrekken van deze emigranten ?
1. Getrouwheid aan het geloof. Een Hollandsche nederzetting zonder een kerk, die netjes in de verf is en goed onderhouden, is ondenkbaar en, wat nog beter is, die kerken zijn op Zondag vol. In de stad Holland, met een bevolking van 18.000 zielen, bezoeken meer dan 90 pct. van de kinderen de Zondagsscholen.
2. Toegewijde zorg voor het onderwijs. Tegelijk met het bouwen van de houten hutten en de houten kerk legden deze Hollandsche pioniers de grondslagen van een academie, welke zij Hopecollege noemden en die thans door meer dan 650 studenten wordt bezocht. Voor zij hun huizen hadden gebouwd, brachten zij de eerste vruchten van hun velden, boerderijen en schaapskudden als een. willig offer om studenten en professoren te ondersteunen, opdat het nageslacht in het bezit zou zijn van de macht, welke kennis geeft. In de taal van den, grooten leider, ds. Van Raalte, opdat ons nageslacht niet ten state worde". Sindsdien zijn ,,Calvin-college" in Grand Rapids, "Central collage" in lowa en vele andere academies gesticht. De hartstocht voor onderwijs, door de pioniers ten toon gespreid, is levendig geworden onder hun afstammelingen.
3. Nijverheid. Zoowel de pioniers als hun afstammelingen hebben zeldzame eigenschappen van nijverheid getoond. Zij zijn huizenbouwers, geen huizenhuurders. Zij trekken niet rond van plaats tot plaats, zij zijn geen rollende steenen, die geen mos garen, zij zijn niet overgegeven aan werkstakingen en uitsluitingen, zij sparen hun geld en zetten het op de spaarbanken, zij betalen hun schulden en leven binnen de grenzen van hun middelen.
Om deze redenen zoekt de Amerikaansche nijverheid Hollandsche werkkrachten en is Hollandsche immigratie steeds welkom.
4. Vaderlandsliefde. Het was gemakkelijk voor den Hollander zijn vaderlandsliefde van zijn eigen vlag van rood, wit en blauw over te brengen op de nieuwe vlag van rood, wit en blauw, met een veld van sterren, aan haar banen toegevoegd. Gedurende den Burgeroorlog, welke zoo spoedig op de immigratie volgde, hebben de Hollanders meer dan hun verplichte aandeel van soldaten geleverd, die even heldhaftig, dapper en vaderlandlievend waren als die, welke ooit op een slagveld hebben gestreden. Getrouwheid aan God en vaderiand was den Hollander aangeboren in merg en been".
Daarna liet de Gezant ook dit nog hooren :
„Wat hebben zij tot stand gebracht ?
1. 'Op het gebied van den landbouw. Zij velden de wouden, draineerden de moerassen, beploegden de velden, plantten boomgaarden en wijngaarden, bouwden groote schuren en statige huizen en deden letterlijk de woestijn bloeien als een roos. De Hollander is een eerste klas landbouwer ; hij verafschuwt verspilling en draagt buitengewoon zorg voor zijn beesten, werktuigen en landerijen.
2. Op industrieel gebied. Zij bouwden groote fabrieken, die thans werkgelegenheid bieden aan legers van arbeiders en waarvan de producten wereldmarkten zoeken en vinden. Velen zijn vorsten in den handel geworden, zoowel in den groot- als in den kleinhandel.
3. Op politiek gebied. De Hollander in Amerika is steeds een conservatief element in het politiek lichaam geweest. Hij wordt niet meegesleept door valsche propaganda of tijdelijke volksbewegingen ; hij moet bewijzen zien en zijn verstand moet overtuigd zijn vóór hij handelt.
4. In beroepen. Door hun hartstocht voor hooger onderwijs hebben zij hun volledig aandeel van leiders geleverd in de wetgevende lichamen der staten, in het congres, voor de balie, in de rechtbanken, als hoogleeraren aan de grootste universiteiten, als onderwijzers, natuurkundigen, geneesheeren en chirurgen, predikanten, theologen en redacteuren en schrijvers. Van het Hope-college zijn naar de uiterste hoeken der wereld groote zendelingen gegaan, wier namen onsterfelijk zijn. De schitterende, jonge senator der Vereenigde Staten, Arthur Hendrik van de Berg, uit Grand Rapids, is onze laatste bijdrage aan de Amerikaansche staatkundige wereld.
Versta mij niet verkeerd. De Hollanders zijn noch engelen, noch heiligen. Zij hebben vele erfelijke en verkregen fouten. Zij zijn zonen van Adam en niet geschikt voor het paradijs, maar zij bezitten een combinatie van sprekende deugden en van onvervalschte karaktereigenschappen, welke door hun bestaan de aarde beter maken en hun land veiliger".
Tusschen deze dingen door teekende mr. Diekema ook de vaders der Afscheiding, die met de uitgeweken Hollanders mee waren gegaan naar Amerika. Hij teekende deze personen aldus :
„Wie waren hun leiders ?
Ds. Albertus C. van Raalte, klein van gestalte, met massief hoofd, athletischen stap en van ijzeren lichaamsbouw ; met diepe, scherpe, grijze oogen, die eerbied inboezemden, vertrouwen wekten en gehoorzaamheid afdwongen ; met een meer militair dan geestelijk voorkomen, te Leiden opgevoed en afgestudeerd, heldhaftig met onversaagden, zedelijken moed, vastberaden met veelomvattend inzicht in tijdelijke en geestelijke zaken, met onfeilbaren profetischen blik, met volkomen zelfverloochening, onbegrensd geloof en een ruime opvatting van christelijke naastenliefde; een staatsman, profeet en priester ; een geboren redenaar, een geboren leider. Lang moge zijn nagedachtenis leven in de harten van het nageslacht I Onsterfelijk zij zijn naam !
Ds. Hendrik P. Scholte. Een man van meer dan gemiddelde hoogte ; van edel voorkomen, schitterende opleiding en van ruime en liberale opvattingen ; machtig in den kansel en op het spreekgestoelte, een typische Hollander en voor alles een erkend leider en verdediger van zijn geloofsgenooten in Nederland, hun zaken bepleitende in de hoven en hun godsdienstige opvattingen verdedigend met een steeds vaardige pen en op onweerlegbare wijze ; gevreesd door zijn vijanden en vereerd door zijn volgelingen.
Ds. Cornelius van der Meulen. Een breedgeschouderde man van middelbare groote, van geniaal uiterlijk, met gladgeschoren gelaat, op schoone wijze karaktersterkte en vriendelijkheid des harten vereenigend. Een improviseerend prediker in den trant van Wesley, met de zeldzame gave om naar willekeur zijn gehoor tot lachen en weenen te brengen ; bij uitstek een man van het volk, met scherp zakeninstinct en een onfeilbare kennis van de menschelijke natuur"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 maart 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 maart 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's