Kleine Luijden
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN
Maar zóó gemakkelijk zou de zaak hier niet afloopen. Onder het melken heeft Burenga zich in gedachten een voorstelling gevormd van de wijze, waarop het dus in de toekomst volgens sommigen zal hebben te gaan. Dan zal er dus overleg met het werkvolk moeten plaats hebben over zaken, wAar zij tot nog toe geheel - buiten gehouden werden ! Op zijn ergst zal hun gevraagd moeten worden, of zij zich wel met de werkwijze van den boer kunnen vereenigen, of met hen geraadpleegd moeten worden over het te verdienen loon. Waarvan tenslotte het einde worden zal, dat de macht zich verplaatst, en de arbeiders alles te zeggen krijgen. Een fraaie geschiedenis ! Alles wat in hem is komt óp tegen dezen democratischen geest van den tijd. Als geboren patriciër, van kindsbeen opgevoed in de weelde, van geen mensch afhankelijk, naar dat altijd gemeend werd, omringd van alles wat het hart begeeren kan, rijk in geld en goed, geëerd en gezien bij alle standen, niet het minst natuurlijk vanwege de uitgestrekte bezittingen, waande hij zich als vanzelf vér boven de menigte die haar qualiteit niet kon uitdrukken in zooveel bunders land, of zooveel melkkoeien, of zooveel paarden, of zooveel geldswaardige papieren.
Niet dat hij niet goed voor zijn ondergeschikten zou zijn. Integendeel, hij had gevoel voor zijn vee, maar ook voor zijn dienstvolk, en slechts weinigen die zooveel lieten verdienen als hij, doch daarmee was dan ook alles gezegd. Ze moesten bij hem niet aan komen met hun rechten, zelfs niet met hun ideeën. Eens had Sjerp het gewaagd om te zeggen : „ik dacht van zóó en zóó boer, " maar toen had hij er van langs gekregen. , , Je hebt niet te denken, " — heeft hij hem toegevoegd, — „ik denk en jou hebt te doen, zoo ik het zeg." En nu zullen zulke menschen hier de lakens gaan uitdeelen ! Hij wou al zoo lief ! Dan eerder de heele boerderij met alles wat er toe hoorde, onder den hamer, al was het dan ook duizendmaal een familiegoed, dat hij ook in de verre toekomst 't liefst voor zijn nageslacht behouden zag, dan ook maar een duimbreed toegegeven aan de onmondigen, die tot hiertoe eenvoudig waren gecommandeerd, zooals in het leger plaats heeft met de recruten.
En dan over de bezittingen gesproken. Op zijn mooist is die man hier gaan vertellen, dat deze op oneerlijike wijze verkregen zijn. Hij had het immers over de verdeeling van goederen gehad. Wel ja, ook dit nog ! Alsof er één was, die ook maar een cent van hem hebben moest! Dien hij naar de oogen had te zien, omdat hij bij hem te kort gekomen was ! En dat terwijl hij meende altijd meer te hebben gedaan en vooral meer te hebben gegeven, dan elk ander. Dat was nu de dank van het volk. Daar moest je het nu maar van verwachten, 't Zou een mooie wereld worden !
Rijpkema begreep hij ook niet. Die moest noodig naar die vergadering, 't Was beter dat hij zijn volk hiervoor gewaarschuwd had, zooals hij, ook deed, met de bedreiging er bij, dat hij niet merken moest dat zij zich lieten beïnvloeden, omdat dan door hen de laatste voet op „Unia-State" gezet was. Hij zal zijn arbeiders van af dezen dag na gaan, en o wee, als hij merkt dat zij achter zijn rug gaan werken ! Als hij vandaag Rijpkema in de stad ontmoet, zal hij het hem óók zeggen, dat hij het volk een slecht voorbeeld geeft, en mede óorzaa'k is van hun oproerigheid !
En dan dominé ook. Waar bemoeit die zich mee. Laat hij zijn preeken maken, en voor de zieke menschen bidden, maar voor de rest zich niet met eens andermans zaken bemoeien. Daar hebben zulke heeren immers tooh geen verstand van. De meesten kunnen hun eigen huis ternauwernood regeeren. Geen ondeugender kinderen gewoonlijk dan die uit de pastorie, en nu zullen zulke lui gaan zeggen hoe het moet in de maatschappij. Laten zij hun kerk eerst maar eens in orde maken. Daar hebben ze nog al een paar dagen werk mee, naar hij meent. Maar in buurmans tuin wieden en daar het onkruid aanwijzen, gaat veel gemakkelijker. Hé ja, toen hij nog op school ging, hadden zij in het leesboekje een versje dat daar over handelde. , Hoe was 't ook weer ? Daar heeft hij het :
Jan wiedt heel graag in buurmans tuin En wijst er 't onkruid aan. Maar Jan laat in zijn eigen tuin, Het onkruid welig staan.
Daar was nog meer bij, maar verdei weet hij het niet. Enfin, 't kan ook niets schelen, maar zóó is het, en nu zullen vreemden, die van geen toeten en blazen weten, de wet voorschrijven ! Wie weet, welke dwaasheden in de toekomst nog worden uitgehaald, 't Scheelt er nog maar aan, dat de heeren in Den Haag, — ook meest allemaal menschen die geen verstand van zaken hebben — zulke wetten gaan maken, dat iemand niet meer heer en meester van zijn eigen bezit is. Zooals in dien mobilisatie-tijd, die gelukkig weer voorbij is, maar waarin werd opgelegd van Regeeringswege wat er gezaaid moest worden en hoeveel koeien en schapen in het land mochten loopen, en hoeveel iemand mocht eten. Hij heeft er natuurlijk wel voor gezorgd dat men alles niet zoo precies te weten kwam.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 maart 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 maart 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's