KERKELIJKE RONDSCHOUW
De Ethischen en de Reorganisatie.
De Ethischen en de Reorganisatie.
De Ethischen — ja, dat is makkelijk om zoo neer te schrijven. Maar wat is dat : de Ethischen ? Kan en mag men zóó wel spreken of schrijven ? Zijn de Ethischen wel zoodanig een éénheid, dat men van de Ethischen kan spreken?
Er is in elk geval nog al sterke verscheidenheid. Wij gelooven, dat er een belangrijk contingent „liberale" Ethischen zijn. Zoo van het type N. R. Crt.-schrijvers. Die altijd links vallen en altijd links mee optrekken. Maar er zijn toch ook een heele partij Ethischen die anders zijn ; van huis uit zijn ze anders en door hun studiegang en levensweg zijn ze anders dan die „liberale" Ethischen.
De Ethischen moeten zich ten opzichte van de organisatie onzer Hervormde Kerk in den jare 1930 wat meer en wat duidelijker gaan „verklaren". Er moet wat meer licht en helderheid komen. Wat willen ze ? Met de organisatie van 1816—'52 blijven zitten, ja of neen ? En willen ze de Hervormde Kerk een positieve Christus-belijdenis geven, om die als Kerk te belijden, ja of neen ?
Wij herinneren er hier nog eens even aan, dat ds. W. A. Hoek, van Amsterdam, in het „Algem. Weekblad voor Christendom en Cultuur" (waar is bij dat blad de Kerk? ) 22 Nov. 1929 o.a. schreef:
1". Wij, Ethischen, hebben geen principieel bezwaar tegen een nieuwe organisatie in prèsibyterialen zin. Met onze autocratische besturen en de huidige Classicale Vergaderingen is het ook niet alles gedaan.
2". Het. typisch confessioneele verlangen naar een Kerk met positief-christelijk karakter en structuur is ook het onze. Geen vleesch en geen visch is zeker niet het hoogste, wat men in ecclesiasticis kan bereiken.
Als „de" Ethischen (ds. Hoek schrijft ook van „wij, Ethischen") er ongeveer zóó over denken, dan kunnen we praten. En er moet toch ook eindelijk iets positiefs voor den dag komen. Negatiefs hebben we nu al zoo lang en zoo dikwijls gehoord. Wat is nu het positieve ? B.v. ten opzichte van een nieuwe presbyteriale organisatie ? Van een Groote Synode ? enz.
Voorgangers die niet voorgaan Herders die de weide niet zoeken Leeraars die niet wel onderwijzen.
Walaeus, vroeger (1615) predikant te Middelburg, en naderhand hoogleeraar in de godgeleerdheid te Leiden— in de dagen van Voetius, Uitenbogaart, Hugo de Groot enz. — heeft een boek geschreven, dat tot titel heeft : „Het ambt der Kerken-dienaren, mitsgaders de Authoriteit en 't opzicht 't geen de Hooge Christelijke Overheid daarover toekomt", waarin " zekere nadere bedenkingen van deze geheeie zaak uit Gods Woort worden voorgestelt, maar inzonderheit over het Tractaat van J. Uitenbogaart , „Van het ambt en de Authoriteit der Christelijke Hooge Overhelt in Kerkelijke zaken".
Dat is een belangrijk boekje, door Voetius, Polyander, Leydekker — ook door G. Brand en Hugo de Groot terecht geprezen, zij 't dan ook al op verschillende gronden. In dat boekje lezende, trof het ons, dat Walaeus (1615), in den bloeitijd van de Gereformeerde Kerk, zoo ernstig aandringt op het gebruik der Sacramenten. En hij zegt, niet te kunnen gelooven, dat zij, die de Sacramenten niet willen gebruiken, trouwe „bewaarders van den geheelen godsdienst" kunnen wezen, waar zij toch zelf „een deel verwerpen, of ten minste verzuimen".
Hoe kunnen zulke „Gods ordonnantiën bij anderen doen onderhouden, die zii zelve ongehoorzaam zijn"? Die zulks zouden goedkeuren — zegt hij — zouden „terstond hier in worden tegengesproken van alle Leeraars van naam in de geheele Christenheid".
Toen we dat lazen, dachten wij aan herders en leeraars, die het zóóver gebracht hebben, dat zij — en zij vinden het héél vroom en geestelijk — niet meer 't Avondmaal gebruiken met de gemeente. Dat zijn voorgangers, die niet voorgaan. Herders, die de weide niet zoeken. Leeraars, die niet wel onderwijzen.
Zelf ongehoorzaam zijnde aan de ordinantiën Gods, kunnen zij anderen niet tot gehoorzaamheid vermanen.
Waar zij de Sacramenten verwerpen of verzuimen, moeten zij door alle leeraars van de geheele Christenheid worden tegengesproken en vermaand. En wanneer zij toch — hoog geestelijk zelfs zich aanstellend, en niet zelden laag op anderen, die gehoorzaam zijn, neerziende — in hun ongehoorzaamheid volharden, moeten zij van het ambt van herder en leeraar afscheid nemen en liever schoenmaker worden. Want een herder, die zelf de weide niet zoekt, gaat zelf niet in in de ruste voor een arm zondaarsvolk, in Christus' Middelaarsverdiensten ontsloten, maar verhindert ook de schapen in te gaan. Ze zijn als een steen op den weg, om den toegang te bemoeilijken, niet zeiden een hinderpaal om den toegang geheel onmogelijk te maken, door zielen te verwarren en anderen te verjagen.
Radicaal verschillend hoewel vriendelijk voorgesteld.
De Modernen willen altijd zoo vriendelijk betoogen dat 't verschil tusschen de rechtzinnige leer, die naar den geest van, en in overeenstemming met de belijdenis der Hervormde Kerk is, en de gevoelens der vrijzinnigen toch maar gering is en we het eigenlijk in geest en hoofdzaak met elkaar ééns zijn.
Dat deden de Arminianen of Remonstranten in het begin van de 17e eeuw ook.
Maar er is een ontkenning van de verkiezing Gods tot zaligheid, welke de belijdenis op grond van Gods Woord leert.
Er wordt geteerd, dat de mensch een vrijen wil ten goede heeft en uit zichzelf het vermogen bezit, om zich te wenden tot God en de liefde Gods aan te grijpen als een middel tot zaligheid, naar de leer van Christus — wat de belijdenis der Kerk, op grond van Gods Woord, principieel anders stelt.
Er wordt beweerd, dat God algemeen de genade aanbiedt en de God der liefde niemand zal laten verloren gaan en alle dingen zoo in 't eind hersteld zullen worden ten goede ; en dat de mensch de hand Gods, uitgestoken in liefde, moet aangrijpen, om zich de zaligheid eigen te maken. Zoo gehoorzaamt de mensch ten slotte uit vrije keuze aan de roeping door God, op allerlei wijze tot hem komend — wat de belijdenis der Kerk weer geheel anders leert.
Het gaat dus over den val des menschen, over de kracht der verdorvenheid, over de genade Gods in Christus, over, het alles werkend werk des Heiligen Geestes — maar met loochening van de bijbelsche feiten en waarheden.
Indien de zonde zoo gering is, indien de mensch op de manier der Remonstranten kan zalig worden, waarom moest dan de Zone Gods mensch worden lijden en sterven, ten vloek gehangen aan een kruis, dragende de zonden Zijns volks ?
Over geheel de linie komt deze moderne leer — een heel oude dwaalleer zijnde — in strijd met Schrift en belijdenis, in strijd ook met de traditie der gansche Christelijke Kerk, van de eerste eeuw af tot op dezen dag.
Met loochening van heel de verschijning van Christus — zooals Schrift en belijdenis die verschijning teekenen — wordt van den mensch geleefd, wat b.v. Pelagius (5e eeuw) ook leerde, — naar oud-heidensch model — dat de mensch zich heeft op te heffen tot het hoogste goed en door de kracht van zijn innerlijk-zijn, tot den vrede met God moet komen. Dan is het innerlijk-zijn des menschen toch zoo slecht niet, als de rechtzinnigen leeren, en, aangeraakt door de liefde-openbaring Gods in Jezus, aangetrokken ook door Zijn voorbeeld, zal de mensch het kwade haten en het goede doen. De mensch heeft tenslotte innerlijke kracht om met inspanning van zijn edelste driften op te varen als met vleugelen en te verkeeren in de sfeeren van deugd en braafheid, van godsdienstzin en lust tot alles wat lieflijk is en welluidt. Zóó is er een wandel der liefde voor het aangezicht van den God der liefde, die aller Vader is.
Dat is de toren, welke men zich bouwt, waarvan het opperste in den hemel reikt.
Maar het van boven geboren worden, naar luid van de Schrift en het roemen in de verzoening der zonden door het geloof in Christus, Die de zonden Zijns volks gedragen heeft op 't hout — daarvan spreekt men niet; of ook weer principieel, radicaal anders dan Schrift en belijdenis.
Het gaat hier niet om splinterige vragen of bijzaken ; het gaat hier om het centrale van ons allerheiligst christelijk geloof — dat door de Modernen wordt geloochend, door er iets, dat er principieel mee verschilt, voor in de plaats te schuiven.
En dat achten we niet eerlijk, niet toelaatbaar ook.
Men wil een uitwendigen vrede in de Kerk en een schijn-éénheid, met terzijdestelling van waarheid en recht.
Stelselmatige ondermijning van de Hervormde leer is voor de Kerk schadelijk ; het is haar ondergang ; en hel is voor degenen, die van harte met de leer der Kerk — wat deze fundamenteele stukken van het christelijk geloof aangaat — tot droefheid, en in den grond der zaak ook een verdrukking van de kinderen des huizes, een schenden van het recht der Kerk, een beleediging van den Christus der Schriften, die het Hoofd is der Kerk.
De Reorganisatie en de Modernen.
Men wil het van Vrijzinnige zijde nogal eens voorstellen, dat de Reorganisatie gekant is tegen de Modernen, en dat bedoeld wordt de Modernen uit te drijven. Dat zou ongeveer het eenigst doel zijn. En er zijn rechts ook menschen, met name onder de Ethischen, die dat grif gelooven aannemen en mee overal dat uitbazuinen. De Reorganisatie : uitbannen van de Modernen ! Dat is het één en het al — zegt men dan.
Tegen laster en leugen is moeilijk te vechten. De beste zaak kan men verdacht maken. Er blijt allicht wat van hangen !
Dat het verschrikkelijk gevonden wordt, dat door vele leeraars der Hervormde Kerk een „verboden Christendom" — zooals ds. Theesing, modern predikant, het brutaal noemt — verkondigd wordit en voorgestaan, dat is waar. Als nu ook weer in deze lijdensweken door tal van moderne dominé's een principieel andere prediking gebracht wordt dan in onze Hervormde Kerk overeenkomstig Gods Woord thuis hoort — ja, dan is dat velen tot smart. Het gaat niet om beuzelingen ! Het gaat om de hoofd zaak bij ons allerheiligst christelijik geloof !
Dat wij een zoodanig kerkelijk leven zouden willen hebben, dat van de Hervormde Kerk in Nederland kon worden getuigd, dat zij een positieve christelijke belijdenis tot grondslag heeft — ja, dat is waar !
Maar met de Reorganisatie bedoelen we méér.
We bedoelen, dat we weer kerkelijk rondom de belijdenis van den Christus der Schriften kunnen samenleven en dat alles weer kerkelijk onder ons behandeld kan worden.
Al die dwaze, zotte, eigengerechtige, vleeschelijke, schandelijke dingen — bij welke „richting" ze nu gevonden worden is ons voor 't oogenblik hetzelfde — moeten uit zijn, onder ons ! We vermoorden elkaar en we vermoorden de Kerk, omdat ieder het zijne zoekt en we niet in het midden der Kerk Christus zoeken.
Het is een zaak, die ons allen aangaat, tenzij we een secte, een clubje, een vereeniging, een vrij kerkje willen hebben en vertroetelen. Maar dan moeten we dat niet van de Hervormde Kerk willen maken. Want dan gaat de Kerk kapot.
Veel hóóger gaat dus het doel van de Reorganisatie, dan men van Vrijzinnige zijde voortdurend zegt en schrijft ; natuurlijk met de bedoeling, om de harten van velen tegen de Reorganisatie óp te zetten en intusschen in troebel water te visschen. De Kerk moet dan intusschen maar doodbloeden. Ieder moet maar vrijheid hebben en houden om met haar te spelen, zooals de kat met de muis.
Die dat echter doen willen, moeten maar kloek en vaardig een eigen clubje of kerkje oprichten. Dan hebben ze hun zijn. Maar de Kerk van Christus in dezen lande in haar gedéformeerden toestand, moet geholpen worden door allen, die Christus liefhebben, om de wille van de Kerk en om de wille van het volk.
Want een Christus-belijdende Kerk, staande in het midden des volks, is van buitengewoon groote beteekenis ; altijd geweest en nu nog !
Daarom zouden wij het zoo wenschen, dat velen zich niet langer in de strikken van de Modernen.lieten vangen, die er met hun eenzijdige beweringen op uit zijn om te verdeden wat bij elkaar hoort om Christus' wil, en door dat verdeelen des te gemakkelijker kunnen heerschen.
Het Calvinisme.
Het is ontwaakt. Het ontwaakt weer. Het moet meer nog ontwaken.
Waarom ? Omdat het „iets van Calvijn" is ? Om dus een persoon, een mensch te eeren? Memschvergoding misschien, zooals in Rusland nu een nieuwe godsdienst is ontstaan door de vereering van Lenin, met uitbanning van den ouden godsdienst, die als een pest gehaat en geschuwd wordt?
Zou 't den Calvinisten om een mensch te doen zijn ?
Als er iets is, dat Calvijn geleerd heeft en alle Calvinisten weten, voelen, gelooven en belijden moeten, dan is het, dat het om God en om God alleen te doen moet zijn. Gods Naam, Gods wil, Gods eer, Gods Woord, Gods Koninkrijk ; 't is altijd bij alles : God! Soli Deo Gloria ! „Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen ; Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen".
Zóó spreekt het Calvinisme. Zoo heeft Calvijn gesproken.. En Calvijn sprak zoo, omdat zijn Bijbel hem dit geleerd had. Calvijn is voor ons dan ook in zooverre de man, omdat God hem gebruikt heeft als een geloovige, die wetenschappelijk gevormd, ons Gods 'Woord en Gods Waarheid weer helder en klaar heeft bijgebracht en ons geleerd 'heeft : dat de leer des Bijbels toegepast moet worden op persoon, huisgezin. Kerk, School, Staat en Maatschappij. Gebruikmaking van de schatten der waarheid en des heils in de vreeze Gods voor alle terrein des levens. Om biddend te werken en werkend te bidden, met den zieledorst, dat Gods wil geschieden mag op aarde overal en door allen, zooals Gods wil geschiedt In den hemel door de engelen.
Het Calvinisme is dus eigenlijk iets heel, héél gewoons.
Het komt niet uit Geneve, het komt niet van Calvijn, maar het komt ons tegemoet uit onzen ouden, eenvoudigen Bijbel, die nu al zooveel eeuwen zegt : Kent den Heere in al uwe wegen, o menschenkinderen, jongen en ouden, rijken en armen, koningen en onderdanen, ouders en kinderen, leermeesters en leerlingen, herders en leeraren, ouderlingen en diakenen — ja, allen ! „Kent den Heere in al uwe wegen, dient .den Heere en vreest Hem".
Het Bijbelsch beginsel toegepast op alle terrein des levens. Voor de scholen der wetenschap, voor de kunst, voor hart en huis, voor Kerk em Staat.
Het Bijbelsch beginsel : om in alles te staan als voor Gods aangezicht en te luisteren naar Zijn stem, zeggende : „Spreek, Heere, Uw knecht, Uw kind hoort !"
Dat werd tegehover het Roomsche levensbeginsel door Calvijn gesteld, als een eigen levensbeginsel, als een nieuw levensbeginsel. Maar 't was niet nieuw én 't was niet van Calvijn. 't Was oud, héél oud. En 't was het beginsel van onzen ouden Bijbel, zooals dat oude Boek het van den beginne af aan heeft voorgelegd, verkondigd en aangeprezen, zeggende : „Welgelukzalig is de mensch, wiens lust is in des HEEREN wet, om die te overdenken dag en nacht" (Psalm 1). Of zooals Psalm 148 zoo mooi zegt : „Looft den HEERE, wamt Zijn Naam alleen is hoog verheven. Zijne majesteit is over de aarde en den hemel".
Dat was vergeten door het Heidendom, dat hoe langer hoe verder van God was afgedoold en hoe langer hoe meer in verblinding eigen lust volgde en eigen goden diende. Dat was vergeten door het Mohammedanisme, door het Jodendom, door de Roomsche Kerk. Het Humanisme wilde er niet aan en baande zich een eigen weg in nieuwe richting, levende uit den mensch en uit de dingen die van de aarde aardsch zijn.
Maar Calvijn werd door God verwaardigd om den fakkel weer op te nemen van de oude Godsmannen en het licht weer te planten in het midden van de volkeren. En daardoor is Geneve geworden als een lichtcentrale. Calvijn is geworden als een fakkeldrager Gods. En de volkeren van Europa zijn verlicht. Ons goede Vaderland is overstrooid met de glanzen van de lampe des Woords. En het is verspreid en verbreid tot in Amerika, in Afrika. En 't leeft ook onder ons weer op.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's