De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FINANCIËN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FINANCIËN

9 minuten leestijd

Daar zijn menschen, die altoos precies weten wat mag en wat niet mag. Zij hebben blijkbaar zoo'n lijstje in. hun zak of in hun hoofd, waarop staat: dit mag en dat mag en dit mag niet en dat mag niet. En als zij nu andere menschen iets zien doen, dan weten zij dadelijk of zij al dan niet in overtreding zijn. Of zij het van zichzelf ook altoos zoo goed weten, is een vraag die we nu maar niet beantwoorden zullen. Maar als een ander wat doet, dan weten zij dadelijk of het zonde of geen zonde is.
Nu moet ik eerlijk zeggen, dat ik met zulke menschen niet veel op heb. Zij herinneren mij altoos aan die menschen, die ons in de H. Schrift geteekend worden als menschen van „gebod op gebod, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig". En ik meen me haast te herinneren dat zulke menschen ons ook in Gods Woord niet bepaald tot een voorbeeld worden gesteld. Ik houd dus ook niet erg van ze. Of dat nu komt dat ik zelf ook niet erg wettisch aangelegd ben ? Ik weet het niet. 't Zou best kunnen wezen. In ieder geval, ik heb zoo!n lijstje n i e t en kan dus ook niet altoos dadelijk zeggen of iets mag of dat iets niet mag. Weet ge waar ik altoos tracht het naar te beoordeelen ? Naar het lijstje, dat God mij, en niet alleen aan mij, maar aan alle menschen gegeven heeft. Want ach, of ik al zeg dat iets mag of niet mag en of gij of een ander dit al zonde en dat weer geen zonde vindt, dat beteekent zoo weinig, ja, dat beteekent in den grond der zaak heelemaal niets. Denk maar niet dat de Heere ons oordeelen zal naar den maatstaf dien wij elkaar aangelegd hebben, of naar de lasten, zwaar om.te.dragen, die wij elkaar opgelegd hebben..God oordeelt niet naar ons, maar naar Zijn lijstje, en dat lijstje vind ik in de geboden van Zijn heilige Wet. Is iets wél of is iets niet in overeenstemming met die Wet ? Ik geloof dat dat altijd voor ons de beste maatstaf is. Maar daarmee ben ik.nog niet waar ik wezen moet. Immers die Wet is voor mij niet meer de Wet onder het Werkverbond, maar wél onder het Genadeverbond. D.w.z. die Wet moet ik niet meer gaan vervullen, maar die Wet is vervuld door Christus, en nu zegt Paulus in zijn brief aan de Galaten : „Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen". Als het dus goed is, dan is de Wet voor ons geen juk der dienstbaarheid meer, geen Wet van „raak niet en smaak niet en roer niet aan". Integendeel, als ik recht tegenover de Wet sta dan leef ik uit de volbrachte Wetsvervulling van Christus, en dat leven is voor mij dan een vermaak in de Wet Gods naar den inwendigen mensch. Niet dus dat ik dan met de Wet niets meer te maken zou hebben. Een dergelijk anti-nomiaansch standpunt is in flagranten strijd met de H. Schrift. Integendeel, als ik leef door het geloof in Christus, dan is het ook mijn lust en, mijn liefde om naar den wille Gods in alle goede werken te leven. Maar wat goede werken zijn, dat beoordeel ik dan niet naar mijn goeddunken en ook niet naar de inzettingen der menschen, maar dat wensch ik dan te doen uitmaken door de Wet Gods. Nu voeg ik er echter aanstonds aan toe, dat dat in alle gevallen lang niet even gemakkelijk is. Zeker, die Wet des Heeren is op zichzelf duidelijk genoeg, maar.de toestanden en de omstandigheden van ons leven zijn, niet het minst in onzen tegenwoordigen tijd, zoó samengesteld en zoó ingewikkeld, dat ik de verklaring van onzen Heidelberger er waarlijk wel bij noodig heb om te weten wat God in ieder gebod gebiedt en verbiedt. En zelfs met die verklaring voor mij heb ik telkens de wijsheid, die van boven is, nog weer noodig en moet het mijn dagelijksche bede zijn :
„Och, dat ik klaar en onderscheiden zag Hoe 'k mij naar Uw bevelen moet gedragen'
Zóó alleen geloof ik dat we staan in de rechte verhouding tot de Wet. Maar als we zoo staan, dan geloof ik dat wij ons lijstje van wat mag en niet mag, hebben weggeworpen, om met den profeet te spreken „voor de mollen en voor de vledermuizen", en dan geloof ik dat wij alle dingen beoordeelen naar de Wet Gods, maar naar gelang van de omstandigheden, waarin we verkeeren. En die omstandigheden kunnen voor den een soms zoo heel anders zijn dan voor den. ander.
Zoo nu is het ook met de zaak, waarover onze vriend uit G. wenschte ingelicht te worden. Hij zal nu zelf wel gevoelen dat ik persoonlijk tegen de zaak, die hij op 't oog heeft, niet het minste bezwaar heb. Immers als twee hetzelfde doen, is het nog niet altijd hetzelfde, en jonge menschen moeten nu eenmaal anders geleid worden dan oudere en kinderen nóg weer anders. Maar daar staat tegenover : als iemand meent dat het zonde is, dies is het zonde ; dus die moet het niet doen. Hij heeft echter, naar het mij voorkomt, geen recht om anderen te veroordeelen, Het is met deze zaak net als met zoovele andere dingen die, naar mijn bescheiden.meening gevallen onder wat Luther noemde : „de Vrijheid van een Christenmensch".
Meer zal ik van deze zaak maar niet zeggen Onze vriend uit G. zal het misschien noemen, een antwoord dat geen antwoord is. Maar ik vlei mij toch met de gedachte, dat hij nu het antwoord op zijn vraag er wel uit zal halen. Sommige dominé's halen soms wel eens iets uit een tekst, wat er heelemaal niet, inzit. Dat vind ik natuurlijk altijd heel erg knap, maar onze vriend uit G. zal wel zóó knap zijn om het antwoord er uit te halen, dat er wél inzit.
En, nu gaan we eens naar het „schoone" laatje zien. Ik begin met een gift die ik, althans in de krant, niet verantwoorden mag. 'k Ontving n.l. van één onzer predikanten een bedrag — 'k zeg niet hoeveel en ook niet van wien het is — als restitutie van wat hij vroeger uit het Studiefonds genoten heeft. Hij meende dit, nu hij het kon doen-, verplicht te zijn. Hij was dus gelijk aan dien man, die de vorige week hier een bedrag van ƒ40.— plus 3X/1.60 in den Diaconiezak had gedaan. Die ƒ 40.-— was het bedrag, dat de Diaconie alhier in 1926 had uitgegeven voor de verpleging van zijn vrouw in een ziekenhuis. Toen had hij het niet kunnen betalen ; daarom had ook de Diaconie hem gesteund. Maar nu kon hij het wél betalen en nu achtte hij het zijn plicht om het terug te geven met 3 jaar rente er bij. Kijk, zoo iemand, vind ik heeft  iets van Nathanaël, een Israëliet in wien geen bedrog is. En van datzelfde vind ik nu ook iets in dien collega, die mij, zonder dat hem er om gevraagd was, een deel restitueerde van wat hij vroeger genoten had. We hebben in dat opzicht ook wel eens andere dingen ondervonden. Misschien vertel ik u daar — zonder namen te noemen natuurlijk — ook nog wel eens iets van. Daar zijn nu eenmaal personen wier bescheidenheid nu niet bepaald aan alle menschen bekend is. Wij kennen er althans één in wien we met de fijnste microscoop geen enkele sprank van deze christelijke deugd ontdekken kunnen. Maar verder zal ik hierover nu maar niet uitwijden. Laten we liever maar eens zien naar wat er verder, behalve deze X-gift van N.N., uit het „laatje" te voorschijn komt. Geen al te groote gedachten, hoor ! want anders zal het u tegenvallen.
Den Bommel, van den kerkeraad aldaar een bedrag van ƒ24.28, zijnde een collecte bij een spreekbeurt door ds. v. Amstel.
Ouddorp, van den kerkeraad aldaar een bedrag van ƒ57.—, zijnde een collecte bij een spreekbeurt door ds. Remme.
Reeuwijk, van den kerkeraad aldaar een bedrag van ƒ 18.63, zijnde een collecte bij een spreekbeurt door ds. Haring.
Lopik, van den kerkeraad aldaar een bedrag van ƒ 19.50, zijnde een collecte bij een spreekbeurt door ds. Schimmel.
Bolnes, van den heer P. A. Joen een bedrag van ƒ 40.—, zijnde een collecte bij een spreekbeurt door ds. Van der Snoek.
Deze collecte had eigenlijk gevoegd moeten worden bij de collecte, de vorige maal verantwoord uit Ridderkerk, aangezien ds. Van der Snoek des avonds was opgetreden niet te Slikkerveer, maar te Bolnes. De beurt te Slikkerveer was toen vervuld door ds. Steenbeek, van Ridderkerk.
ds. Steenbeek, van Ridderkerk. Vlaardingen, van ds. Heijer van de familie In 't V. 60 nikkeltjes, dus een bedrag van ƒ3.—.
Utrecht, van den heer S. van der Linden ƒ 1.— van C. G. v. D. voor het Propagandaboek.
Bodegraven, van ds. Kruishoop van N.N. een nagift van ƒ2.50 op de collecte bij diens intree.
Harderwijk, van den Penningmeester der afdeeling, T. van Dam, een bedrag van ƒ8.85, zijnde de helft van de collecte op de jaarvergadering der afdeeling gehouden, voor het Propagandaboek.
Veenendaal, in mijn brievenbus gevonden van N.N. „uit dankbaarheid dat hij (zij) na ongeveer 3 maanden ongesteld te zijn geweest, gister weer voor het eerst met de gemeente mocht samenkomen een biljet van ƒ10.—, waarvan ƒ5.— bestemd was voor het Studiefonds, ƒ 2.50 voor de Evangelisatie-Commissie en ƒ2.50 voor den Gereformeerden Zendingsbond. Oe beide laatste giften zal ik natuurlijk opzenden aan het juiste adres.
Hazerswoude, van mej. C. Qualm den inhoud van haar busje 73, een bedrag van ƒ 24.79.
Stolwijk, van ds. Bouthoorn te Putten, die in de Evangelisatie aldaar op Zondag 2 Maart de beurten vervulde, bij welke gelegenheid voor onze Fondsen gecollecteerd werd, het voor een kring als te Stolwijk niet onbelangrijke bedrag van ƒ71.58.
Maar hiermee heb ik dan ook voor ditmaal de grens weer bereikt. Gij merkt wel, de vette letters heb ik dezen keer niet noodig gehad. Maar ook zonder deze kom ik toch tot een eindbedrag van
f 276.13
dat ik heelemaal niet slecht vind en waarvoor ik aan gevers en geefsters weer mijn hartelijken dank betuig.

De Penningmeester

Veenendaal.

Ds. M. JONGEBREUR.

POSTZ., CAPSULES EN ZILVERPAPIER

Ontvangen van:

Ie. Theodorus van der Plicht, Oudi-Beijerland, postzegels en zilverpapier ;

2e. C. 'Oldenboom, Schoonhoven, postz., theelood, koper en eenige h. centen ;

3e. P. de Hoop, Polsbroek, postz., caps., zilverpapier, koper, theelood, enz. ;

4e. J. M. Molenaar, Bodegraven, zilverp., koper, lood en capsules.

Met hartelijken dank en aanbeveling.

Mejuffr. J. DEN HARTOG.

Krommedijk 60, Dordrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

FINANCIËN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's