MEDITATIE
De verdeeling van Jezus' kleederen.
De krijgsknechten dan, als zij Jezus gekruisigd hadden, namen Zijne kleederen (en maakten vier deelen, voor elken krijgsknecht een deel) en den rok. De rok nu was zonder naad, van boven af geheel geweven. Zij dan zeiden tot elkander : Laat ons dien niet scheuren, maar laat ons daarover loten, wiens die zijn zal ; opdat de Schrift vervuld worde, die zegt : Zij hebben Mijne kleederen verdeeld, en over Mijne kleeding hebben zij het lot geworpen. Dit hebben dan de krijgsknechten gedaan. Joh. 19 vers 23 en 24.
Deze tekst brengt ons midden in het lijden van Golgotha. Johannes geeft van wat op den kruisheuvel geschiedde, geen aaneensluitend verhaal. Hij vermeldt daarvan maar enkele episoden. Hier hebben wij de eerste. Daarom besluit hij deze gebeurtenis met de slotwoorden : „Dit hebben dan de krijgsknechten gedaan".
Oogenschijnlijk is dit voorval van weinig belang. Iets dergelijks geschiedde bij elke kruisiging. Volgens Romeinsch recht was de lijfdracht en alles wat op het moment der terechtstelling een kruiseling aan zich en bij zich had, zijn heele hebben en houden van dat oogenblik dus, de buit van hen, die het vonnis moesten voltrekken. Zoo werd Jezus' nalatenschap eigendom der vier soldaten, die Hem terecht stelden.
Het was een zeer poovere nalatenschap. Zij bestond uit het lange opperkleed, den gordel, de sandalen en het onderkleed, den lijf rok. Sandalen en gordel hadden eigenlijk geen waarde. Ze waren de moeite van verdeeling nauwelijks waard. Met het opperkleed was het iets anders. Dat kon gemakkelijk in vier deelen gescheurd worden.
Maar dan bleef nog over de lijfrok. Die was van veel grooter waarde. Het was een weefsel uit één stuk. Werd die in vieren gescheurd, dan was de waarde weg. Niemand kon met zulk een stuk van het weefsel iets uitrichten.
En daarom de soldaten besloten daarover het lot te werpen, wiens die zijn zou. Zoo haalden ze dobbelsteenen voor den dag en schudden die in een der helmen. Ze dobbelden over Jezus' kleeding.
Die soldaten, dobbelend daar gezeten onder het kruis, dobbelend over Jezus' gewaad, moeten, zal het wél zijn, een ieder, die in waarachtigheid den naam van Christus tot zaligheid begeert te noemen, afschrikken van alle kansspel. Het is heidensch ; het Hoort thuis tot den heidenschen levenskring en niet op christelijk erf.
De Apostel Johannes ziet in dat bedrijf, onder het Kruis geschied, iets bijzonders. Het is de vervulling der Schrift. Die zegt immers : „Zij hébben Mijne kleederen onder zich verdeeld en over Mijne kleeding hebben zij het lot geworpen".
Hier schouwt Johannes vervulling der heilsprofetie. Vervulling van Gods Raad.
Neen, die krijgsknechten wisten niet, dat zij moesten dienen om het lijdensprogram, dat de profetie in enkele lijnen, eeuwen van te voren, had neergeteekend, te realiseeren. Zij deden het onwetend.
Maar Johannes schouwde hier Gods hand. Hem straalt er over uit de diepe wijsheid Gods, Wiens wegen onnaspeurlijk zijn. En het ontroerde hem in zijn grijsheid, toen hij dit neerschreef. Zoo verhaalt hij ons het bedrijf der krijgsknechten.
Is dat bedrijf, met wat de krijgsknechten deden, afgeloopen ? Wordt die zonde — dien nog voortgezet ? Ach, die soldaten hebben de diepte van hun ongerechtigheid niet beseft. Zij staan daar, onbewust, als vertegenwoordigers van een wereld, die zich in dezen nog aan den Christus vergrijpt. Die wereld, gekerstend — en dat maakt de zonde te zwaarder — wil wél ontvangen wat van Jezus is, maar Hem Zelven wil ze niet. Hem verwerpt zij.
Op allerlei wijze geschiedt dit.
Onze samenleving dankt schier alles wat in ons leven, uiterlijk genomen, een weldaad is, aan den Christus Gods. Onze vrijheid, maatschappelijk en staatkundig, is een vrucht van het Kruis.
De werken der barmhartigheid komen op uit het kruislijden van Immanuël. Dat geldt zelfs van die werken der barmhartigheid, die de wereld doet. Ze zijn alle opgroeiend uit het werk van den Christus. Want uit zichzelve kent de wereld geen. barmhartigheid. Ze is arm aan liefde.
En dit alles, wat van Christus is, aanvaardt de mensch. Maar Hij wordt verworpen.
Dat kan geschieden onder den schijn van een vromelijk aanvaarden van Jezus. De Mensch van onzen tijd, velen althans, dwepen met den grooten lijder van Golgotha, den man, gelijk men het noemt, die stierf voor Zijn ideaal.
Ze huldigen Hem als een groot martelaar, als een groot profeet. Ze zijn zelfs vele momenten ontroerd over Zijn lijden. Maar ze willen van den Christus der Schriften, Die als Borg voor Zijn volk het kruis aanvaardt, om Sion door recht te verlossen, niet weten.
Een aanvaarden van het Zijne, maar een verwerpen van Hem !
En wij, die deze weken, meer of minder trouw de lijdensprediking aanhooren, hoe staat het in dezen met ons ? Gaan wij vrijuit ? Onze rustdag, hij is een vrucht van Zijn Kruis. Hoe brengen wij hem door ? in onzen lust te doen ? Of om God te dienen, en er door genade naar te staan, hier reeds den eeuwigen Sabbath in beginsel te kennen ?
Dan zal er genade-aanraking met den Heere van den Sabbath moeten zijn.
Wij aanvaarden misschien de barmhartigheid, om Zijnentwille ons ten deel vallend. Maar, is er begeeren naar de levensomarming van den Barmhartigen Hoogepriester ? Of volgen wij Jezus om de brooden ? Alles verwerping van den Christus. weet het wel : wie dit bedrijf aan de hand houdt, zal eens door Christus eeuwig verworpen worden. En daarom : er kome hartgrondige bekeering !
Aanvaarden van het Zijne, en toch nog Hem voorbijgaan. Het kan nog in anderen vorm onze levenspractijk zijn. Ik weet, wat ik nu zeg, is teer. Er kan zijn een staan naar Zijn genadegaven, vergeving van zonden, uitdelging van schuld, verlossing van de vreeze des doods en den angst der hel, bevinding van Zijn genade, hope eenmaal binnen te varen in de haven des behouds.
En zeker, als dat echt mag wezen, is dit begeeren rijk. Maar het moet verder komen. De Apostel hunkert naar dit zalige : Hem kennen en de kracht Zijner opstanding.
Zie, als het~ zoo mag wezen, gaat het allereerst om het bezit, door het geloof, van den vollen Christus. En wie Hem heeft, heeft alles. Laat dan 't beeld van de krijgsknechten ons ontdekken aan schadelijke wegen in dezen.
Gods Geest verlichte en ontdekke en doe ons de hand, waaraan enkel smet kleeft, die melaatsch is, uitstrekken naar en leggen op Gods heilig kind Jezus, het Lam, dat de zonde der wereld draagt, opdat het worde een omarmen van het Lam, dat die ziener op Patmos zag, staande als geslacht van voor de grondlegging der wereld
Dan wordt Immanuël ons dierbaar. Want wij zien het Kruis in de glansen van de opstanding, waarin de. Christus, gekroond in overwinning, uittreedt om Zich en .al het Zijne te geven aan dat volk. dat in de schuld en nood en dood, nergens heen kon dan naar het vloekhout van Golgotha, om zich te kennen en te belijden als een gemeente onder het Kruis.
Deze tekst heeft nog een diepere beteekenis dan die, welke wij in het voorafgaande hebben overpeinsd.
Er worden, in wat de krijgsknechten den Heere Jezus doen lijden, bittere druppels in Zijn lijdensbeker gemengd. Wij hebben in het bedrijf der krijgsknechten te doen met een vergrijp, waardoor Zijn heilige Persoon wordt aangetast. Men neemt Hem hier het gewaad van Zijn lichaam. Hij wordt geheel uitgetogen. Naakt, als de gemeenste misdadiger, geheel ontbloot, zóó hangt daar de Christus in het felle zonnebranden te verbloeden.
De armste onder ons heeft zelfs het recht zijn kleed af te leggen in de eenzaamheid van het huiselijk-verborgene. In dit recht wordt de Heere Jezus gekrenkt.
In 't kleed, dat wij dragen is Gods barmhartigheid en ontferming. God heeft het ons gegeven ter dekking.. Om ons lichaam te beschermen tegen koude en ontijd. Maar ook om de schande onzer naaktheid te bedekken. Zóó is Gods bestel over ons kleed. Hij heeft het gegeven, ook opdat er mogelijk zou zijn een geordende, menschelijke samenleving.
Dit zij ons ter waarschuwing gezegd Ons kleed mag nooit dienen tot ontdekking gelijk het in onzen tijd, vol ontaarding en verwording, vaak gebezigd wordt.
Het aanschouwen van den Christus, Die geheel werd uitgetogen, zij ons een roepstem Gods om eerbaar en Godverheerlijkend in onze kleeding te zijn.
Kleed en persoon zijn nauw met elkander verwant. De kleeding openbaart een karakter. Van den persoon, die ze draagt. Van den tijd, waarin ze gedragen wordt. In de wufte vrouwenkleeding van onzen tijd weer spiegelt zich het wulpsche, godvergeten streven onzer dagen. En in dezen gaan de christelijke kringen, het blijkt zoo menigmaal, helaas, niet vrijuit. Er is vaak een gedurfdheid in het navolgen der goddelooze mode, die ontstellend is. Het gewaad, waarin men moet verschijnen, dient eerbaar te zijn. De zonde in dezen kankert onrustbarend voort. Ons allen zij, wat Golgotha in den smaad, den Christus aangedaan, tot ontdekking aan deze zonde, 't zij wij die zonde der oneerbaarheid in ons gewaad zelve bedreven, hetzij wij er slap en vergoelijkend tegenover stonden. Wie zijn eer in betrekking tot de kleeding te grabbel gooit — zóó hebben wij hét streven van onzen tijd te zien, ook al noemen de menschen het anders — vergrijpt zich aan zijn eigen persoon en vertreedt God bestel met voeten. Kleed en persoon houden nauw verband met elkaar. Wie ons kleed aanraakt, raakt onzen persoon aan. Niemand heeft dit meer gevoeld dan de Heere Jezus, daar op Golgotha aan het vloekhout gehangen als aller afschrapsel.
Dit is de vierde maal in de lijdensgeschiedenis dat de Heere Jezus vernedering onderging in Zijn kleed. Allereerst toen Hij bij de voetwassching in de Paaschzaal Zijn opperkleed aflegde. Toen is het geschied vóór Herodes, waar Hem over Zijn kleed werd aangetrokken een blinkende mantel. Hij werd daardoor tot mikpunt van spot gemaakt. Daarna werd Hem het kleed uitgetogen bij de geeseling, vóór de terechtstelling.
Doch hier op Golgotha raakt de Heere het geheel en al kwijt. Dit was wel de diepste vernedering. Hij kon zich zelfs niet ter verweer tegen de schaamtelooze blikken het gelaat met Zijn handen bedekken.
De duisternis, hoe schrikkelijk anders ook, kan in dezen nog als een weldaad gezien worden.
Waarom dit alles? Zooals de Christus hier hangt voor het aangezicht der menschen zóó staan wij voor het heilig aangezicht Gods. jammerlijk, ellendig, naakt. En zóó verblind zijn wij, dat wij het niet zien, en zóó schuldig, dat wij het niet willen hooren.
Genade hebben wij noodig om dit te zien en te belijden, als schuld voor God. En o, als ons de oogen opengaan, dan willen wij vluchten voor God als Adam. Ons dekken met wat wij ons maakten, als hij. Zijn we met dit bedrijf nog bezig ? Ach, laat af. Beken uw ongerechtigheid. Want als wij hiermede voprtgaan dan zal eens het einde zijn, wanneer wij staan voor den rechterstoel van Hem, met Wien wij te doen hebben, de bange klacht : „Heuvelen bedekt ons, bergen valt op ons".
En dan zal er geen bedekking zijn.
Gods Geest verleene ons die genade, waardoor wij ontdekt worden, om te vluchten naar dien Christus, die zich Zijn kleeding liet ontnemen, om arme verslagen zondaren te bekleeden niet Zijn verdiensten, den mantel des Heils.
Van Zijn kruis gaat de sprake uit : „Ik raad u aan, dat gij van Mij koopt witte kleederen, opdat gij moogt bekleed worden en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde".
Laat u door Hem raden, arme zondaar, en leer door Gods Geest dat bidden, die genade begeeren.
Het heil, dat Hij heeft te geven, is volkomen. Het is geheel eenig, evenals de rok, dien Hij droeg, uit één stuk.
Hij is in Zijn persoon en werk een verzoening, een bedekking.
De beker houdt veel in. Dat heeft de Heere Jezus hier ondervonden. Over het kleed, Hem ontnomen, is gedobbeld. Het komt onder ons wel voor, dat van een afgestorvene de kleederen verdeeld worden. Velen kunnen dat, als het kleederen hunner geliefden betreft, vaak niet hebben. Voor hun besef is het, alsof men dan geheel en al met wie stierf heeft afgerekend.
Wat in dezen onder menschen soms gedaan wordt, behoeft die strekking niet te hebben.
Maar hier op Golgotha heeft de verdeeling der kleederen wèl die beteekenis.
Men heeft niet Christus afgerekend. Hij is uitgebannen uit de samenleving. Straks bant de hemel Hem uit. En dan hangt daar uw Jezus, o volk des Heeren, verlaten, verlaten van God en menschen.
Ja, de beker houdt veel in. Dat alles wilde Hij lijden voor u, kind des Heeren, opdat gij tot God zoudt komen en nimmermeer van Hem verlaten worden.
En in dien Christus moogt gij het kennen, dat er is een eeuwige wederkeer van God tot den zondaar, en van den zondaar tot Hem.
Zalig, wie dit gelooft. Dien is de Christus dierbaar.
Laat die dierbaarheid van Christus u dieper openbaar worden, tot een rijkere verlustiging.
En ja, dan kan het ons zijn, in den geest staande bij het Kruis, dat in ons opkomt niet begeeren, Hem te omhullen met ons kleed. Ach, het is zoo te verstaan, als genade ons roert.
En toch, niet zoo de genieting Zijner dierbaarheid geuit. Eenmaal zal de Heere het woord spreken : „Ik was naakt, en gij hebt Mij gekleed". En als dan Gods kinderen vragen : „Heere, wanneer ? " zal het antwoord zijn : „Voor zooveel gij dat aan een van Mijne minste broeders hebt gedaan, hebt gij dat aan Mij gedaan".
Laat de lijdende Christus, op Golgotha, om uwentwille uitgetogen, die kracht Zijner genade in u tot openbaring brengen. En als wij zoo tot Zijne eere mogen wandelen, zal ons belijden uitgaan, dat het alleen is door de genade van dien dierbaren Christus, van Wien, als vrucht van Zijn lijden, Gods vork moet belijden :
Uw bloed, en Uw gerechtigheên Dat zijn mijn bruidskleên, Anders geen.
Dat is de zaligheid, die alleen het geloof smaakt.
Dat leert den Christus te omhelzen, genietend : „Hij heeft mij bekleed met de kleederen des Heils ; den mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan".
Z.
B.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 maart 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 maart 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's