De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

20 minuten leestijd

De Overheid stelde orde op de zaken der Kerk.
Eén bewijs uit vele. In 1595 gaven Willem Lodewijk, Graaf van Nassau en de Gedeputeerde Staten van de stad Groningen en de Ommelanden een Kerkorde , om als disorde te voorkomen en eenigheid, rust en vrede in de Gereformeerde Kerk, in de Stad en Ommelanden van Groningen te mogen onderhouden".
Voor de Gereformeerde Kerk van de stad Groningen en de Ommelanden (Geref. Kerk enkelvoud staat" er in 1595 boven deze Kerkorde) gaf de Stadhouder en gaven de Staten dus een Kerkorde.
Men deed dat met een beroep op 2 Kron. 19 vers 8 en 9 : „Daartoe stelde Josafat ook te Jeruzalem eenigen van de Levieten en van de Priesteren en van de hoofden der vaderen Israels, over het gericht des HEEREN en over rechtsgeschillen, als zij weder te Jeruzalem gekomen waren. En hij gebood hun, zeggende : Doet alzóó in de vreeze des HEEREN, met getrouwheid en met een volkomen hart".
Wat dus Josafat gedaan had onder Israël, moest nu de Stadhouder Willem Lodewijk en de Gedeputeerde Staten doen ! Aan de Kerk een orde van kerkelijk samenleven geven !
Typisch staat boven die Overheids-Kerkorde, dat de Stadhouder,  Kapitein Generaal van West-Friesland, Stad en Ommelanden van Groningen zijnde, alsook van Drenthe, mitsgaders de Gedeputeerde Staten hier een roeping hebben, waarbij "dezen zich dan wenden tot „alle Jonkheeren, Hovelingen, Eigenerfden en gewone ingezetenen van de Ommelanden, geestelijk en wereldlijk saam"
De Overheid zou dus allen doen hooren, hoe het in de Gereformeerde Kerk van stad Groningen en Ommelanden moest toegaan.
En de Overheden redeneeren dan aldus : „Alzoo tot vordering van den dienst en welvaart van deze landschappen voornamelijk van noode is, dat alle oude misbruiken en afgodische kerkediensten afgeschaft worden en in de plaats daarvan de ware Gereformeerde religie, met de zuivere predikatie van het Heilig Evangelie ingevoerd wordt. En dat diensvolgens, in overeenstemming met de andere Vereenigde Provinciën en onze Bondgenooten éénerlei vorm van Discipline en Kerkelijke Ordening worde ingesteld en onderhouden, gelijk zulks alhier in de Stad straks na die Reductie ook ingewilligd en in werking gesteld is geweest — zoo is het, dat Wij ons Ambtshalve verplicht bevinden, al datgene dat tot welstand der Kerken en van de politie eenigszins dienstig is, met den meesten vlijt te bevorderen, en daarom vóór alle dingen deze navolgende Kerkelijke Ordonnantie onlangs van de Staten der Ommelanden op den laatsten Landdag gevisiteerd en bij meerderheid van stemmen geapprobeerd en aangenomen, in werking te brengen : hebben goed gevonden, diezelfde Ordening alom in de Ommeianden te doen publiceercn en bekendmaken, om na dezen dag onverbrekelijk in alle punten onderhouden en nageleefd te worden, luidende , aldus...  enz.
De Gereformeerde Overheid meende dus geroepen te zijn een Kerkorde te moeten opstellen en uitvaardigen tot welstand van de Gereformeerde Kerk in stad Groningen en Ommelanden.
En — om maar één ding te noemen, maar zoo zijn er zeer vele — in artikel 53 werd dan voorgeschreven, dat de beroeping van predikanten in handen zou worden gesteld van Collatoren „nevens Oldesten und Diaconen de gemeente representeerende".
De beroepene moest dan aan de Gedeputeerden des lands worden voorgesteld en als hij van de Magistraat geapprobeerd is (beroep goedkeuren) zal hij op drie Zondagen openlijk van den predikstoel voor de gansche Kerk voorgesteld worden, enz.
De predikanten moesten een eed afleggen, dat zij de Provincie trouw zouden zijn, het Pausdom tegenstaan en de heilige Gereformeerde religie naar hun vermogen zouden bevorderen, (art. 5).
Ze moesten beloven „het heilig Evangelie naar den regel der Heilige Schrift" te zullen prediken, rein en zuiver en klaar ; en dat zij den Kerkedienst zouden inrichten naar de Nederlandsche en Fransche Belijdenis en de Kerkorde".
Die dat wilden doen, konden hun namen opgeven bij de Gedeputeerde Staten der Provincie, (art. 2)?

Moderne stemmen.
Het laatste no. van "Kerk en Volk", Algem. Weekblad voor Vrijz, Hervormden, is in meer dan één opzicht merkwaardig. Dat wil zeggen": waard om hier en daar een merkteeken, een kruisje, een streepje te zetten.Zoo b.v.'Ket eerste artikel, dat een Stichtelijk.Artikel is. 't Is van de hand van mevr. Homan—Vos, uit Groningen. Die verhaalt daar van de bekeering van Saulus op den weg naar Damascus. Wanneer men dat Stichtelijk Artikel met het opschrift „Roeping" ter hand neemt, zou men zoo zeggen : hier wordt een historisch getrouw verhaal gedaan van wat in Hand. 9 ons in feiten beschreven staat; Maar al spoedig blijkt, dat de vrouwelijke theoloog het als een „aangekleed" verhaal beschouwt, 't Is een inwendig overtuigingsproces bij Saulus geweest én "van de feiten blijft niet veel over. De opstanding én de hemelvaart van den Heiland wordt dan ook door de Modernen geloochend. Die feiten zijn ze kwijt. En nu moet Saulus zonder die feiten toch geroepen, bekeerd, veranderd worden, 't Is alles net alsof het zoo gebeurd is als in Hand. 9 staat beschreven. Maar in werkelijkheid is het anders gebeurd. Want Jezus is niet aan den morgen van den derden dag lichamelijk opgestaan, is niet aan Zijn discipelen levend onder vele gewisse kenteekenen verschenen, enz. enz.
Dat Paulus in deze vierkant tegenover de Modernen staat, is bekend. Maar toch doen de Modernen maar of ze, in het midden van de Hervormde Kerk, in geest en hoofdzaak, in aard en wezen met het Evangelie der Schriften overeenstemmen.
Paulus heeft nooit anders gedaan, dan het Woord verkondigd (men moet het in z'n Bijbel eens onderstrepen hoe dikwijls die uitdrukking „het Woord prediken" voor komt, men zal verbaasd staan !), het Woord, dat naar de Schriften is, en waar van de inhoud is : „Want die te Jeruzalem wonen en hunne oversten. Dezen niet kennende, hebben ook de stemmen der Profeten, die op elken sabbatdag gelezen worden. Hem veroordeelende, vervuld ; en geene oorzaak des doods vindende, hebben zij van Pilatus begeerd, dat Hij zoude gedood worden. En als zij alles volbracht hadden wat van Hem geschreven was, namen zij Hem af van het hout en leiden Hem in het graf. Maar God heeft Hem uit de dooden opgewekt Welken gezien is geweest, vele dagen lang, van degenen die met Hem opgekomen waren van Galilea tot Jeruzalem, die Zijne getuigen zijn bij het volk" (Hand. 13 vers 27—31).
Dat is nu maar één greep uit Paulus' prediking ! En dat verknoeien de Modernen met hün ouderwetsche rationalistische redeneeringen, waartegen de Christelijke Kerk zich altijd heeft verzet wat d e feiten betreft. De Hervormde Kerk heeft men echter de laatste eeuw door overmacht en gewei di wederrechtelijk en onbehoorlijk, zóó ingericht, dat de feiten, de heilsfeiten moeten aanvaard en gepredikt worden, maar dat men de lafaards, die in strijd met de wederrechtelijk opgelegde Reglementen, de hei1sfeiten toch in geest en hoofdzaak, in aard en wezen, in strijd met het beginsel en karakter der Hervormde Kerk in Nederland, loochenen niets doen kan.
Dat is de kerkelijke onwaarachtigheid. Waarmee men de Hervormde Kerk opgescheept heeft van Overheidswege, met het zwaard, en waarbij men in 1852 gezorgd heeft — dezelfde die wederrechtelijk in 1816 handelde, heeft ook in 1852 die wederrechtelijke beschikking gemaakt en achtergelaten — dat de besturen-organisatie de Hervormde Kerk zou blijven knechten en kwellen.
Dat de toestanden zóó zijn in de Hervormde Kerk, zooals ze zijn, is waarlijk niet om maar zonder meer te zeggen : zóó is de toestand, en dus zóó is de Hervormde Kerk. Want dat de toestand zoo is, is niet door de Hervormde Kerk zelve gewild noch gewerkt, en het is niet aan "de Hervormde Kerk vrij gelaten zich van deze ellendige, onrechtvaardige en onwaarachtige dingen te ontdoen. De Overheid heeft gezorgd voor allerlei banden en kluisters, die tegen recht en gerechtigheid getuigen. Voelt men dat niet als eerlijke menschen ? Moet dat onrecht, dat schandelijk onrecht, de Ned. Hervormde Kerk aangedaan, bestendigd blijven ? Wil men die schandelijke dingen maar laten zitten ? Zelfs de Modernen moesten vuur en vlam spuwen tegen de ongerechtigheden aan de Hervormde Kerk in een land als Nederland aangedaan ! Vooral de socialisten onder de Modernen — de socialist-predikanten — die immers zoo foeteren kunnen tegen alles wat knechtschap, slavernij en verdrukking, onrecht heet, moesten een schreeuw geven, om toch het onrecht niet langer te bestendigen en mee vrijheid voor de Kerk vragen. Maar, als 't daarop aankomt zijn de heeren... niet thuis. Halen wat er van te halen is, dat is ook een levensregel, als 't te pas komt !
Intusschen willen we maar zeggen, met de Stichtelijke Overdenking van mevr. Homan—Vos voor ons, dat de Modernen schandelijk knoeien met het Evangelie van Jezus Christus. De heilsfeiten loochenen ze en ze maken er maar wat van ; een humanistisch praatje, een Evangelie naar den mensch, brengen ze.
Bij het graf doen ze net alsof Jezus opgestaan is. Maar ze bedoelen dan, dat Jezus' lichaam in het graf is gebleven — een rationalist kan ook moeilijk anders aannemen — maar dat z'n geest bij 't nageslacht voortleeft Zooals wanneer we in de Nieuwe Kerk te Delft staan bij het graf van den Vader des Vaderiands, dan gelooft niemand dat hij aan den morgen van den derden dag is opgestaan uit den dood, maar we zeggen wel, dat Prins Willem ook nadat hij gestorven was, bleef voortleven onder ons volk. We zeggen dan, dat hij nog leeft onder ons.
Op die laffe manier staan de Modernen hun ouderwetsche wijsheid, bestaande in de oude loochening der feiten, den volke te verkondigen — en dat moeten ze ten slotte zélf weten — maar dan zetten ze een gezicht, alsof dat nu is naar den geest den aard en het karakter van de Hervormde Kerk en alsof dat nu is geest en hoofdzaak van de belijdenis der Kerk, alsof dat nu is wat in de bediening des Woords en der Sacramenten het hart der zaak moet zijn.
Dat is laf en onbehoorlijk, dat is misbruik maken van de gebondenheid der Kerk, in welke gebondenheid zij geknecht is door de Overheid en uit welke gebondenheid zij nu niet kan uitkomen, door de wederrechtelijke daad van de Overheid in 1816 en in 1852. Een gebondenheid, waarin zij als Kerk stikken moet, als God het niet verhoedt Want de levensadem, de levensadem der K e r k, wordt haar afgeknepen. Als Kerk van Christus, als Kerk des Woords kan zij niet vrij ademhalen. Het Evangelie van Paulus — om 't zoo eens even te zeggen wordt haar ontrukt en ontroofd, terwijl men Paulus met den mond roemt.
Vandaar, dat ons óók een ander artikel in „Kerk en Volk" zoo merkwaardig voorkwam. Ook om aan te teekenen met een kruisje, 't Is maar een klein stukje, wat we bedoelen ; een „Ingezonden", door een modern dominé geschreven. Naar aanleiding van veel geschrijf over de verhoudingen van orthodoxen en modernen — met name te Amersfoort — is dit „Ingezonden"., geboren ; geschreven door ds. Ter Braak, van Lobith.
Verwonderd staat ds. Ter Braak telkens, als hij hoort en leest, dat de Modernen zoo tekeer gaan tegen de Orthodoxen, omdat de rechtzinnigen aan de vrijzinnigen geen plaats willen gunnen in het kerkelijk-gemeentelijk leven (zooals b.v. te Amersfoort nu). Al zoo dikwijls had hij daarover willen schrijven, om zijn verwondering uit te spreken over die verwondering van de Modernen. Want hij acht het heelemaal geen wonder, dat de Orthodoxen aan de Modernen geen plaats willen geven. Zij kunnen dat niet en zij mogen dat niet— zegt de moderne dominé van Lobith.
„Telkens weer de verbazing of verontwaardiging van vrijzinnige zijde als de orthodoxie ongunstig over ons oordeelt Telkens ook de een of andere onheusche kwalificatie dan van de orthodoxie. Maar — zoo zegt ds. Ter Braak : „ik ben zoo vrij de argeloosheid van die verbazing in twijfel te trekken. Moeten wij, vrijzinnigen, niet begrijpen, dat de orthodoxie op haar standpunt niet anders kan dan onze beschouwing verderfelijk noemen ? "
Nog meer schrijft ds. Ter Braak. Maar die laatste zin, dien wij hierboven afschreven, is toch wel merkwaardig. Om met een kruisje te merken. Waarbij dan later nog volgt : als de orthodoxie aan de vrijzinnigen de kansels weigeren en zij zeggen dan, „dat is bij ons geen liefdeloosheid of kleinzieligheid of machtsmisbruik, dan hebben wij dat als oprecht gemeend te aanvaarden. Die orthodoxie te karakteriseeren met het woord van den Farizeër uit Lukas 18 komt mij niet waardig voor".
Aldus ds. Ter Braak. En wij meenen. dat hij de dingen recht ziet, juist zooals zij zijn. Gelukkig staat hij niet alleen. Bij conferenties, vroeger gehouden, heeft méér dan één van de vooraanstaande Vrijzinnige-Hervormden zoo gesproken. Maar als men voor de tribune spreekt en in de kolommen van een weekblad of maandblad schrijft, kunnen vele Modernen deze psychologie niet verwerken. Dan komen er allerlei dwaze, onrechtvaardige dingen aan 't adres van de Orthodoxen.
Waarbij men ook kerkrechtelijk geheel en al uit 't oog verliest hoe en op welke wijze en door welke machten de toestand in de Hervormde Kerk zoo geworden is als zij nu onder ons gevonden wordt
Door overmacht geveld
En dan maakt men er handig gebruik van, met de termen „geest en hoofdzaak" schandelijk omspringend, zóó, dat geest er hoofdzaak van het Evangelie van Jezus Christus gansch en al verloren gaat
De heilsfeiten worden eenvoudig geloochend en men doet alsof dat héél gewoon is.
Het schandelijke daarvan moet men gaan voelen, als eerlijke menschen verachtend om
te leven van „onwaarachtig geschipper" en „opzettelijke dubbelzinnigheden".
Zoo goed als ds. Ter Braak de verbazing bij de Modernen, in het bovengenoemd ga~ val, gefingeerd vindt, zoo goed vinden wij het bij de Vrijzinnigen gefingeerd, voorgewend, als zij zich houden, alsof hun Evangelie in geest en hoofdzaak het Evangelie van Jezus Christus, gestorven om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking, achten.
Zij doen maar alsof het zoo is.
Maar zij. weten beter. Zij moeten beter weten. En het gaat er nu maar om of ze ook zóó ver kunnen en willen komen, dat ze het gaan uitspreken en gaan zeggen : laat ons aan dit  onwaarachtig geschipper" en aan deze „opzettelijke dubbelzinnigheden" een einde maken. Lant ons voor ons kerkelijk leven staan naar oprechtheid en eerlijkheid. Eerlijk duurt 't langst ! En Christenen behooren oprecht te zijn !

Kerk en Staat
t knechtschap der Hervormde Kerk.

Zóó wordt het nog al eens voorgesteld, dat de Hervormde Kerk zoodanig met den Staat verbonden is, dat de Hervormde Kerk door Staatsmacht geknecht zou zijn, om door Overheidsmacht als een gebonden te moeten leven.
Maar daarvan is dan natuurlijk geen woord waar !
Dat is een vergissing. Dat is een afschuwelijk misverstand. Dat wordt als een wapen tegen de Hervormde Kerk gebruikt, zonder dat men daartoe het recht bezit.
De Ned. Hervormde Kerk is totaal vtij van den Staat. Zij is, wat dat betreft, zoo vrij als een vogeltje in de lucht
Natuurlijk hebben we het nu niet over wat in 1818 is gebeurd, toen de Koning, de Regeering des lands, wederrechtelijk aan de Gereformeerde Kerken in Nederland hare eigene Kerkorde heeft ontnomen en daarvoor in de plaats gesteld heeft het „Staatscreatuur" van de Synodale besturen-organisatie.
Toen heeft de Overheid onrecht gepleegd aan de Kerk.
Toen is de Synode benoemd door den Koning ; heel de kerkelijke bureaucratische besturen-organisatie door den Koning in elkaar gezet, enz. En de verschrikkelijke gevolgen ervaren we nog dagelijks.
Maar nu is de Hervormde Kerk totaal onafhankelijk van de Overheid, van den Staat In deze moeten we de dingen niet verwarren.
„Als men zóó van de „zilveren koorde" spreekt, alsof de Hervormde Kerk bij een geldelijke uitkeering door de Overheid in haar vrijheid, dienst en belijdenis zou verhinderd worden, berust dat op een geheel onjuiste beoordeeling der bestaande toestanden".
Zoo schrijft ds. J. C. Sikkel, in leven Dienaar des Woords bij de Gereformeerde Kerk te Amsterdam, in zijn interessante; brochure „Het brood der Kerk", bladz.. 46
En wij zeggen het ds. Sikkel van ganscher harte na !
Hier is een geheel onjuiste beoordeling der bestaande toestanden in 't spel bij velen in de Hervormde Kerk, maar zeker nop bij velen buiten de Hervormde Kerk.
Voor de Rijkstractementen en Verdere uitkeeringen van gelden door de overheid aan de Hervormde Kerk (gelijk ook aan de Joden, Roomschen, Remonstranten, Lutherschen, Doopsgezinden) behoeft de Hervormde Kerk (en geen enkele Kerk) iets te laten vallenvan haar vrijheid
Laten we dat dus hier nog eens zeggen en vastleggen, opdat w het goed weten en onthouden.
Daarvoor behoeven, we dus het stuk van K e r k en Staat niet onder de oogen te nemen.

Alle Kerken voor de Overheid gelijk.
Ds. Sikkel zegt verder nog : niemand der Gereformeerden behoeft kerkegoed of rijkstractement prijs te geven, alsof daarin eenige ongerechtigheid schuilt (blz. 47). Zoo die goederen en inkomsten aan de Gereformeerde Kerken waren gebleven — zegt ds. Sikkel — bij haar handhaven van de Belijdenis, zou dat e e n onberekenbare weldaad voor ons volk geweest zijn.
Neen — zoo gaat ds. Sikkel voort — ons bezwaar tegen tractementsbetaling aan Kerkedienaren door de Overheid geldt niet dit gewaande zilveren koord, dat de Kerken, naar het leven zou staan. Maar ons bezwaar is, dat de Overheid hare uitkeeringen doet aan de predikanten, waar zij het behoorde te doen aan de plaatselijke Kerken, die de Dienaren des Woords zelf moeten salariëeren, opdat de band tusschen de Kerk en haar Dienaar, die noodig is en die naar zedelijk recht bestaan moet, niet ontbreke, noch verzwakt worde.
Ds. Sikkel bedoelt dus, dat de schatkist van het Rijk b.v. niet aan 16 predikanten van Rotterdam rijkstractement moet toezenden ; aan no. 1—16 ieder ƒ 1700.— en aan no. 17 en 18 niets. Het Rijk moet dat uitkeeren, aan de gemeente, aan degenen die de plaatselijke Kerk in deze vertegenwoordigen, en dat zijn n i e t de predikanten.
Waarbij ook het Rijks-emeritaatspensioen wonderlijk voor ieder afzonderlijk geregeld is, zoodat de een ƒ2500.— en de ander ƒ840.— zou ontvangen.
Dat dus het Rijk rijkstractement geeft voor de Dienaren des Woords, achtte zelfs de Gereformeerde dominé Sikkel, in leven predikant bij de Gereformeerde Kerk te Amsterdam, geen nadeel, maar een voordeel. Voor heel de positie van de Kerk des Heeren in het midden des volks oordeelde hij het noodig en tot een zegen. (Men moet z'n mooie, origineele, interessante brochure „Het Brood der Kerk" — óók een sociale vraag — eens lezen ! Uitgave : H. A. Bottenburg, Amsterdam, 1907).
De Hervormde Kerk mist dus door deze „zilveren koorde" niets van haar vrijheid.
Alleen maar moet het stuk van de verhouding van Kerk en Staat om gansch andere oorzaken onder de oogen gezien worden.
En vergeten doen we het niet, dat door de Overheidsbemoeiing in 1816 onze Hervormde Kerk gebracht is onder de Synodale besturen-organisatie en daardoor door de Overheid is ingekerkerd.
En toen de Koning in 1852 zich terugtrok, heeft hij niet die wederrechtelijk opgelegde Synodale besturen-organisatie, waardoor de Hervormde Kerk in strikken en klemmen was gezet, mee genomen, om aan de Hervormde Kerk vrijheid te geven vrij zelve een eigen Kerkorde  te kiezen. Maar zelf weggaande, heeft hij de bureaucratische Synodale besturen-organisatie als een harnas, als een band en klem en strik gelaten, en hij heeft den kerkerbewaarder tot gevangenisdirecteur gepromoveerd, om te treden in 's Konings plaats. De Synode en de kerkelijke besturen werden oppermachtig verklaard door den Koning, en de Kerk, die nu met handen en voeten in die besturenklem zit, mag, volgens den Koning nu „doen wat zij zelve wil".
Zij is vrij.
Vrij — met handen en voeten in de besturenklemmen zittend.
En de stokbewaarder is gevangenisdirecteur geworden.
Triumfantelijk aanziende, dat de Kerk worstelt.
Oppermachtig zeggend : de klemmen zullen nog wat blijven zitten, verachtelijke slavin !!!
Tot die fatale macht is de Synode, zijn de besturen verheven door den Koning, door de Landsregeering, die in 1816 onrecht aan de Kerk gepleegd heeft. Die fatale positie heeft de Kerk te danken (!) aan den Koning, aan de Landsregeering, die in 1852 zich terug trok, maar onrechtvaardig achterlatend wat in 1816 wederrechtelijk aan de Kerk was opgelegd ; de Synodale besturen-organisatie zóó achterlatend, dat nu niet meer de Koning door middel van de besturen de Kerk knechtte (zooals de gevangenis-directeur door middel van den cipier de gevangene kerkert en bewaart in den kerker), maar dat nu de besturen, zelf oppermachtig werden, zittend op een troon, waar niet de Kerk, maar waar de Koning ze gezet had, om de Kerk te knechten. De ledige, stoel van den Koning Werd door de Synode zelve nu ingenomen op 's Konings bevel.
Maar — hoe ellendig ook — dat heeft niets te maken met de Rijkstractementen.
Dat is een toestand, die op kerkelijk erf moet worden uitgevochten, waarbij de Overheid — die helaas ! ons op de besturen-organisatie getracteerd heeft — ons nu geen stroobreed in den weg legt.
Ds. Sikkel wijst in zijn brochure nog op iets anders.
'Hij zegt eerst: „Wat men van de „zilveren koorde" der Overheid spreekt, waardoor de Kerken bij een geldelijke uitkeering door de Overheid in haar vrijheid, dienst en belijdenis zouden gehinderd worden, berust op een geheel onjuiste beoordeeling der bestaande toestanden". „De uitkeering der Overheid doet hieraan niet het allergeringste af of toe" (badz. 46).
„Neen, ons bezwaar tegen tractementsbetaling aan Kerkedienaren door de Overheid geldt niet dit gewaande zilveren koord, dat de Kerken naar het leven zou staan, maar ons bezwaar is hier hetzelfde, dat tegen salariëering der onderwijzers onzer Christelijke Scholen door de Overheid gelden zou. De Overheid behoort haar uitkeering niet te doen aan de onderwijzers (wat ook niet geschiedt) „maar aan de Schoolcorporaties" (de Schoolbesturen) „die hun onderwijzers zelf behooren te salariëeren, opdat de band tusschen de Schoolcorporatie en de onderwijzers niet verzwakt worde. Zoo ook behoort de Overheid haar uitkeeringen te doen niet aan predikanten, maar aan de plaatselijke Kerken, die de Dienaren des Woords zelf moeten salariëeren, opdat de band tusschen de Kerk en haar Dienaar, die noodig is, en die naar zedelijk recht bestaan moet, niet ontbreke noch verzwakt worde" (bladz. 47).
Dan komt er echter een zaak, die belangrijk is.
En dat is het feit, dat voor de Overheid niet alle Kerken gelijk zijn en niet op gelijke wijze financieel worden gesteund.
Wel de Joden, wel de Roomschen, wel de Hervormden, wel de Lutherschen, wel de Remonstranten, wel de Doopsgezinden — alle Kerkgemeenschappen die in 1816 bestonden — maar verder kent de Rijksschatkist niet, dat er Kerken bestaan !
Die Kerken, die na 1816 in Nederland ontstaan zijn — en dus de Gereformeerde Kerken, de Christelijke Gereformeerde Kerk, enz. — bestaan eenvoudig financieel voor de Regeering niet!
Dat is niet recht.
De Overheid mag maar niet zeggen bij een bepaald jaar — en dat ligt nu al meer dan een eeuw achter ons !! — dat daar de geschiedenis eenvoudig ophoudt !
Ieder voelt, dat is niet recht ! Dat mag niet bestendigd blijven !
Dat moet ieder voelen.
Nu zegt ds. Sikkel in zijn meer genoemde brochure „Het Brood der Kerk", dat voor de Kerk des Heeren met haar publieke plaats in het midden van het menschenleven, als Kerk van Christus in het midden des volks (men moet z'n brochure eens lezen over deze belangrijke zaak van de sociale plaats van de Kerk des Heeren) geld uit 's Lands schatkist een zegen is. Maar, dan moeten alle Kerken voor dé Overheid gelijk zijn.
En dan zegt hij er dit van :
„Overigens zal echter niemand, die de belangen der Kerken ook met het oog op land en volk ernstig overweegt, op goede gronden kunnen ontkennen, dat een regeling, die voor alle Kerken naar gelijken maatstaf een Overheidsuitkeering geeft, en die zulk een uitkeering voor de toekomst waarborgt aan alle plaatselijke Kerken, onafhankelijk van hun Kerkverband, billijk en heilzaam zou zijn" (bladz. 47).
Billijken heilzaam „mits die uitkeering aan de Kerk niet meer, dan de helft van haar vaste uitgaven brengt".
Zulk een regeling zou aan de vele zwakke Gemeenten van Christus in ons Vaderland, met het oog op haar gewichtvolle roeping in heden en toekomst, uitkomst geven. Zij zou haar gelijk evenredig bestaansrecht waarborgen in de geestelijke worsteling der eeuw, waarin zij met den stok des broods bestaan moeten. Zij zou de geloovigen naar hun belijdenis tot één brengen en ons zoo verlossen uit de ellende, die nu een eeuw lang de Kerk des Heeren kwelt. En zij zou daarom van onberekenbaren zegen zijn voor land en volk" (bladz. 48).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 maart 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 maart 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's