STAAT EN MAATSCHAPPIJ
De landbouwcrisis.
Er heerscht op dit oogenblik in den landbouw en wel met name in het akkerbouwbedrijf een crisis, die tot groote bezorgdheid aanleiding geeft.
Deze crisis is naar het oordeel van de deskundigen in landbouwkringen van ernstiger aard dan die, welke in de jaren 1890 —1895 werd beleefd.
Algemeen wordt de vrees uitgesproken, dat de moeilijkheden, welke de landbouw over heel de wereld doormaakt, er wel eens toe zou kunnen leiden dat het ziektegeval een chronisch karakter krijgt. Nu zijn de moeilijkheden, waarmede het akkerbouwbedrijf bizonderlijk hier te lande heeft te worstelen, de daling van de prijzen van de landbouwproducten, voornamelijk van de tarwe, de haver, de rogge en de aardappelen.
Om dit duidelijk te maken, willen wij wijzen op de gecontroleerde bedrijven in het noordelijk gedeelte van de provincie Groningen, waar in 1925—1926 een winst werd gemaakt van ƒ5.69 per hectare.
In het volgend jaar was er een verlies van 19 gulden, daarna kwam er een verliesjaar van bijna 30 gulden. Latere gegevens zijn in „de Mededeelingen van de directie van den Landbouw 1929", waaruit deze cijfers zijn geput, niet te vinden. Uit dé cijfers blijkt intusschen, dat in de drie aren, die wij noemden, een gemiddeld bedrijfsverlies is geleden van ƒ 15.— per hectare ; dat wil zeggen, dat de toestand dus zoo is, dat de boeren in Groningen niet alleen voor niets hebben gewerkt, maar nog en tekort hadden van ƒ 15.— per bunder.
En wat het Noorden van het land geeft te zien, is ook het beeld van het akkerbouwbedrijf in de andere provincies des lands.
Zoo ook staat het b.v. met de aardappelen. Van dit product zijn de prijzen zelfs zoodanig gedaald, dat het voor de verbouwers niet de moeite en de kosten loont om , de aardappelen uit de kuilen, waarin zij gedurende de wintermaanden werden bewaard, naar boven te brengen.
Onder deze omstandigheden is het alleszins begrijpelijk, dat de landbouwers de toekomst donker inzien.
Zelfs zijn er onder hen niet weinigen, die zich voor de vraag gesteld zien, waarmede zij dit jaar den grond zullen bebouwen.
Waarin ligt nu de oorzaak van dezen noodtoestand, die alhoewel hij een wereldprobleem uitmaakt, voor Nederland toch in bijzondere mate fnuikend is ?
Een der hoofdzaken ligt in de omstandigheid, dat eenerzijds het buitenland zijn overproductie, al of niet gesteund door uitvoerpremies, op onze markten brengt, wat mogelijk wordt gemaakt doordat bijna geen invoerrecht aan de grenzen wordt geheven, en anderzijds onze export van landbouwproducten door de hooge tarieven van andere landen benadeeld wordt. Nog dezer dagen werden b.v. de reeds hooge tarieven in .Duitschland opnieuw verhoogd.
Een enkel voorbeeld moge dit duidelijk maken.
Het is bekend, dat de Veenkoloniën zich vrijwel uitsluitend tot het verbouwen van aardappelen beperken. Deze aardappelen worden dan verwerkt tot
aardappelmeel, dat voor het grootste gedeelte op den uitvoer is aangewezen.
Nu werd in de laatste jaren aan aardappelmeel ongeveer 2 millioen balen a 100 Kg. geproduceerd ; daarvan wordt ± een half millioen balen voor binnenlandsche doeleinden gebruikt. De rest moet dus worden uitgevoerd.
Wat ziet men nu gebeuren ?
Dit, dat uit het buitenland het aardappelmeel hier te lande vrijwel zonder rechten wordt ingevoerd, terwijl per 100 Kg., waar van de waarde thans tien gulden bedraagt, aan invoerrechten wordt geheven door België ƒ1.12, Zwitserland ƒ2.88, Japan ƒ3.90, Finland ƒ4.70, Italië ƒ6.91, Spanje ƒ7.20, Frankrijk ƒ7.76. Polen ƒ7.50, Duitschland ƒ9.52, Vereenigde Staten ƒ9.55, Tsjecho Slowakije ƒ 11.82, Zweden ƒ 13.36, Noorwegen ƒ 16.35.
Invoerrechten alzoo, die bijna overal de 50% overschrijden en in niet weinige gevallen de 100% te boven gaan.
Dat dit voor onzen uitvoer van aardappelmeel moordend is, zal geen nadere toelichting behoeven.
Is het dan te verwonderen, dat de boeren in de Veenkoloniën in een wanhoopsstemming gaan verkeeren ?
En zooals het daar met de aardappelen gaat, gaat het elders met de andere landbouwproducten.
Het buitenland voert allerlei granen beneden den marktprijs in, waardoor onzen akkerbouw een doodende concurrentie wordt aangedaan, terwijl hetgeen Nederland heeft te exporteeren, tegen zulke hooge tariefmuren stuit, dat het bedrijf niet meer loonend is te maken en met verlies moet worden gewerkt.
Het was van den heer Van den Heuvel een goed werk, dat hij door zijn interpellatie in de Tweede Kamer de crisis in den landbouw aan de orde stelde en dat over al deze dingen in de Volksvertegenwoordiging breedvoerig van gedachten werd gewisseld.
Laten wij hopen, dat uit de debatten nog iets goeds voor onzen landbouw moge worden verkregen.
Een eerste stap.
In verband met hetgeen wij hierboven schreven over de crisis in den landbouw, o.m. als gevolg dat onze export van landbouwproducten door de hooge tarieven van andere landen benadeeld wordt, is het van belang om te letten op het groote werk, dat de heer Colijn in de afgeloopen maand te Geneve heeft tot stand gebracht.
In deze Volkenbondsstad werd na vijf lange weken van noesten en volhardenden arbeid met tal van voortdurende tegenslagen de tariefwapenstilstand-conferentie tot een bevredigend einde gebracht.
De beteekenis van dit werk is, dat, waar de volken nog dagelijks bezig zijn de tariefmuren hooger op te trekken, een wapenstilstand werd tot stand gebracht, waar bij de status quo tot 1 April 1931 wordt gehandhaafd ; dat wil zeggen, dat tot dien datum geen verandering in de tarieven, die op het oogenblik van kracht zijn, zal worden gebracht.
Voorts hebben de Staten, die tot de handelsconventie zijn toegetreden, zich verbonden om vóór 1 April 1931 in onderhandeling te treden over de afschaffing van uitvoerpremies, de opheffing van het indirect protectionisme, de sluiting van veterinaire conventies en verlaging van tarieven. Door deze besluiten wordt de eerste stap gezet op den weg om tot de economische toenadering der volken te geraken.
Dat de handelsconventie reeds werd onderteekend o.m. door de delegaties van België, Duitschland, Engeland, Frankrijk, Italië en Oostenrijk, is een succes van groote betekenis.
Dit succes werd voornamelijk verkregen door de groote toewijding en het voorzichtig beleid van den oud-Minister van Financiën, den heer Colijn.
Niemand minder dan dr. Wibaut, het Sociaal-Democratisch Eerste Kamerlid, bracht; in de vergadering van de Eerste Kamer van 26 Maart den oud-Minister hulde voor de bekwaamheid en onvermoeidheid waardoor hij aan de conferentie groote beteekenis gaf en haar tot een goed einde bracht.
En het was de conferentie te Geneve zélf, die om uiting te geven aan haar gevoelen van grooten dank jegens den heer Colijn, geheel in strijd met alle traditiën, besloot om in de slot-acte niet alleen den naam van Colijn te vermelden, maar ook te betuigen, dat Minister Colijn de zware taak van de leiding der twee commissies vervuld heeft met de grootst mogelijke toewijding, met het grootst mogelijke beleid en met een zeldzamen geest van helderziendheid.
De Zwitsersche correspondent van de Nieuwe Rotterdamsche Courant, die van dit feit melding maakt, voegt daaraan toe, dat de heer Colijn inderdaad met voldoening mag terugzien op deze waardeering, die de conferentie voor zijn onvermoeiden arbeid getoond heeft. Het is hier, naar 't blad zegt, een „summa cum laude".
Echter zal het voor Minister Colijn de grootste voldoening zijn, wanneer 't hem onder Gods zegen zal mogen gelukken een zoodanige toenadering onder de volken te brengen, dat ook het economisch leven van ons volk daardoor zal worden gebaat.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 april 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 april 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's