De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

De kerk

20 minuten leestijd

De Kerk.
De Kerk van Christus is geen Vereeniging. Want een vereeniging wordt gesticht, bestuurd, onderhouden, naar de wenskeuze van de leden der vereeniging. Wanneer men een vereeniging wil stichten tot bevordering van toonkunst, dan doet men het. Wil men een voetbal-vereeniging hebben, dan gaat men z'n gang. Wil men stichten een Vereeniging tot Nut van 't Algemeen, of een Vrij-Metselaars-Vereeniging, dan staat de weg open.
Met de Kerk des Heeren is het zoo anders. Van een wilskeuze der menschen is hier geen sprake. De Kerk is er naar Gods vrijmacntig welbehagen en zij is een planting Gods, door de werking van Zijn Geest en Zijn Woord. Zij komt dan ook te voorschijn en neemt haar gangen door het midden van het menschengeslacht, zooals de Heere dat wil. „Ik weet hoe 't vast gebouw van Uwe gunstbewijzen, naar Uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen".
Een van de eerste „eigenschappen" van de Kerk is dan ook, dat zij „goddelijk" is.
Aanstonds na den val, als de geschiedenis der menschheid gebroken ligt en Satan triomfeert, zien we het, dat de Almachtige proclameert, dat er een Kerk zal zijn ; en in het zaad der vrouw — niet des mans — wordt alles gefundeerd en vastgelegd voor alle volkeren, voor het gansche menschengeslacht. Niet de menschen hebben daartoe besloten, 't Gaat alles buiten den mensch om en tegen 's menschen verdienste in, enkel en alleen zijnde naar Gods welbehagen en door Zijn souverein willen.
In de dagen van Enos, den zoon van Seth (Genesis 4 vers 26), zien we de eerste uitspruitsels van het kerkelijk leven. Dan komen ze bij elkaar die zeggen : „Wij gelooven allen met , het hart en belijden met den mond, dat er is een geestelijk Wezen, 't welk wij God noemen". (Art. 1 Ned. Geloofsbelijdenis). Door het wonder mysterie van Gods welbehagen komt er, te midden van een zondig menschengeslacht, een gemeenschap van geloovigen, die niet alleen kennen een stillen, verborgen omgang met God, maar die er ook behoefte aan hebben om saam, openlijk den Naam des Heeren aan te roepen. Dan krijgen we religie en cultus, godsdienst en eeredienst in saamhoorigheid met allen die gelooven. Zóó komt dan te midden van het zeer beperkt-menschengeslacht een kerkelijk leven tot openbaring, in beginsel universeel, staande in het midden van het menschengeslacht. En in de dagen van Adam tot Noach zien we uitbreiding en benauwing. Men roept openlijk den Naam des Heeren aan, maar ook de goddeloosheid neemt toe. Er komt samenvoeging van degenen die God vreezen, maar er komt ook uitbreiding van degenen die God haten ; en er komt een bedenkelijke vermenging van de kinderen Gods en de kinderen der menschen, waarbij de cultuur zich ontwikkeld, maar de Kerke Gods wordt bedreigd van alle kanten. Onder hooge en geweldige werking van de krachten der natuur wordt er een geslacht geboren, dat geweldig is in kracht en de gaven der schepping worden rijkelijk genoten. Maar de goddeloosheid groeit en de Heere ziet het met droefheid aan. Hij draagt rouw over de schandelijkheden die uitbreken en de zonden die brutaal worden bedreven. Zullen de wateren van den zondvloed alles en allen verderven ? Zal het uit zijn met de menschheid ? Zal de Kerk met de wereld worden weggenomen van den aardbodem en zal 't einde der geschiedenis zijn bereikt ? Neen ! Noach's ark, symbool van Christus' Kerk, is tot behoudenis. En een geslacht wordt bewaard, dat God vreest, maar ook de wereld, die God niet vreest, leeft voort. Sem, Cham, Jafeth worden de drie stamvaders van het nieuwe menschengeslacht. En de Heere plant Zijn Kerk uit naar Zijn welbehagen, met een vloek over Cham, met een zegen over Sem en met een belofte voor Jafeth. Tweeërlei soort van menschen, die God liefhebben, en die God haten — en de Kerk des Heeren is universeel, staande in het midden van het toen levend menschengeslacht.
Bij Abram — later Abraham geheeten — komt een keerpunt in de Kerkgeschiedenis. Het menschengeslacht breidt zich uit. Landen en volkeren treffen we aan. Maar dan verkiest de Almachtige, de Schepper en Onderhouder aller dingen, naar Zijn vrijmachtig welbehagen Abram, wonend in Ur der Chaldeën, om Zijn vriend genaamd te worden en de vader te worden van de geloovigen. Dan gaat 't langs wondere wegen. Paulus teekent het in Hand. 13 aldus : „De God van dit volk Israël heeft onze vaderen uitverkoren en het volk verhoogd als zij vreemdelingen waren in , het land van Egypte en heeft ze met eenen hoogcn arm daaruit geleid ; en heeft omtrent veertig jaren in de woestijn hen verdragen ten spijt van hun afkeerigheid ; en zeven volkeren uitgeroeid hebbende in het land Kanaan, heeft Hij hun door het lot het land van die volkeren toegewezen" (Hand. 13 vers 17—19).
Naar Zijn vrijmachtig welbehagen gaat de gang van Zijn Kerk door het midden van het volk van Israël, dat in Kanaan z'n woon plaats krijgt en daar is de Kerk des Heeren tot dat Joodsche volk beperkt — particularistisch onder de Oude Bedeeling — waarbij Staat en Kerk op 't nauwst vereenigd is in het land der theocratie of Godsregeering. Wel worden enkelen uit de heidenen toegevoegd tot de Kerk des Heeren, maar dat is hooge uitzondering, en bedoeld als profetie van wat eerst later komen zou in breeder zin. Eerst later zou de zegen van Abraham — door Christus — uitgaan tot alle volkeren, maar aanvankelijk was het voor één volk, en wel voor het volk van Israël. „Mozes heeft Hij Zijn woorden bekend gemaakt, den kinderen Israels Zijne daden, zooals Hij aan geen volk gedaan heeft", zegt de Psalmist.
Onder de Nieuw-Testamentische Bedeeling wordt de Kerk, die nationaal beperkt was tot het Joodsche volk — en dus particularistisch, met het priesterschap van Aaron — door de prediking van het Evangelie en de werking des Heiligen Geestes uitgebreid tot alle volkeren — en dus internationaal of universalistisch, met het priesterschap van Jezus, die priester was naar de ordening van Melchizédek. Dan worden de grenzen van de Kerk des Heeren zoo wijd mogelijk uitgezet; want — zoo zegt Paulus, staande op den Areopagus (Hand. 17) —: „God verkondigt nu allen menschen alom, dat zij zich bekeeren" (17 vers 30b).
Nu worden in Abraham alle geslachten der aarde gezegend. En die Kerk des Heeren, die van het begin af aan geweest is (Gen. 3 vers 15 ; 4 vers 26) en langs de wegen is gegaan, welke de Heere voor haar bepaald heeft, zal nu zijn en blijven ten einde toe. De uitverkorenen Gods, die des Vaders zijn, maar door den Vader aan Christus ter verzoening en verlossing gegeven zijn, bevinden zich in alle geslachten. En nooit komt er hier op aarde een tijd, dat de Kerk er niet meer zijn zal. De geschiedenis der tijden gaat juist om die Kerk des Heeren. De gemeente des Heeren is het groote, centrale punt van alles. Daarvoor spaart God de volkeren en bestendigt de tijden, opdat Hij zal vergaderen al Zijn uitverkorenen. En Christus is daarbij Koning. Heel de Kerk bestaat door Christus. Dat zit organisch onlosmakelijk aan elkander verbonden. Als Christus er niet was, dan was de Kerk er niet. En als de Kerk Christus niet heeft, dan blijft er niets over voor en van de Kerk, hoogstens een humanistische Vereeniging, die straks verdwijnt.
Zoo kunnen we begrijpen, dat de Kerk des Heeren heel „eigensoortig" is en zoodra zij dat „eigensoortige" gaat verachten en verwerpen, raakt zij Kerk af en wordt hoogstens een humanistische Vereeniging tot Nut van 't Algemeen, of iets dergelijks.
(Wordt voortgezet).

't Is toch bar!
Hoe zeer we uit de richting geslagen zijn met veel, dat op Staatssocialisme lijkt, blijkt wel uit 't volgende.
Van gemeentewege doet men overal moeite om door „schoolvoeding" de kinderen die de scholen bezoeken, aan eten en drinken te helpen. Niet de ouders, de gezinnen worden ondersteund als 't noodig is. Maar schoolvoeding en schoolkleeding hebben we gekregen. De Overheid voedt dan en kleedt dan. De ouders worden uitgeschakeld.
Dat van deze dingen dan bovendien schandelijk misbruik wordt gemaakt, blijkt uit een bericht uit Velzen. Van de 333 kinderen die van Gemeentewege gevoed werden — blijken nu 169 kinderen uit huisgezinnen te komen, waar de weekloonen (gezinsinkomen) van ƒ60.— tot ƒ100.— per week zijn.
In gezinnen, waar dus ƒ3000.— tot ƒ5000.— per jaar inkomt, „genieten" de kinderen dus van de schoolvoeding enz. Ze krijgen van de Gemeente eten en drinken, klompen en schoenen.
Is het geen schandaal ? De Overheidsbemoeiing gaat wel ver ! En de brutaliteit van vele gezinnen is grenzenloos. Met een inkomen van ƒ60.— tot ƒ 100.— per week houdt men gerust z'n hand op voor een spijskaartje en voor een schoenenbriefje van de Gemeente, om op kosten van de Gemeente gratis eten en schoeisel enz. te ontvangen voor de schoolgaande kinderen.
Staat de wereld niet op haar kop ?
En is de weeldezucht, de geldvermorserij in vele gezinnen niet grenzenloos ? Waar blijft het geld, dat men verdient, als men geen voedsel voor de kinderen koopen kan ? In de bioscoop, in de kroeg, aan mooie kleeren, aan buitensporig eten, snoepen, reizen en trekken ?
Met ƒ60.— tot ƒ100.— in de week inkomen — en dan nog bedeeld van de Gemeente voor voedsel enz. voor de schoolgaande kinderen !

de economische onmogelijkheid tot gezinsvorming.
In het Algem. Handelsblad van Woensdag 26 Maart j.l. lazen we een artikel, met bovenstaand opschrift, 't Gaat over de ontwikkeling van maatschappelijke wanverhoudingen. En wij verheugen ons zeer, dat we over deze verschrikkelijke toestanden in het midden van onze tegenwoordige maatschappij in dat Dagblad zoo'n artikel vonden.
Door de Socialisten Polak en Mendels is in de Eerste Kamer gezegd, dat velen onmogelijk kunnen huwen en geen gezin vormen, omdat de inkomsten veel te laag zijn. En dat moet dan als oorzaak beschouwd worden van toenemende demoralisatie, van groeiende onzedelijkheid. Zoo gaat de waarde van het gezin verloren. Door de lage salarieering, door de geringe inkomsten enz.
In het artikel van het Handelsblad wordt dan gezegd, dat, wanneer er zóó geredeneerd wordt, eigenlijk niemand meer trouwen kan. Want ieder heeft te weinig inkomsten. Alleen de bedeelden kunnen trouwen. Als ze niet getrouwd zijn krijgen ze geen „bedeeling", als ze wel  getrouwd zijn komt de „uitkeering".
Het artikel in het Handelsblad zegt dan verder, dat de Westersche bevolking bezig is door gezinsbeperking — kinderbeperking — zich naar den ondergang te helpen. Men wil dat er geen kinderen komen, opdat het aantal levenden beperkt blijft en die het des te beter zullen hebben. Veel varkens maken de spoeling dun. Elke groep stelt z''n eischen voor woning, kleeding, genot, reizen en trekken, vacantietijd, pension enz. enz. En overal komt men zoo te kort. De „bedeelden" hebben 't nog 't makkelijkst en 't best. ledere kring wil een hoogeren kring nadoen. Meubels, levenswijze, uitgaan enz. alles moet nageaapt worden. Die en die doen 't en hebben 't (men moet niet vragen hoe), waarom zouden w ij 't dan óók niet mogen hebben en doen. Gordijnen, dressoir, gramofoon, radio, bioscoop, pension, gezelschapsverkeer, kleeding, stand — 't is 't een en 't al. Al hooger en hooger moet men op den positie-ladder komen. En — trouwen kan niet. Of als men trouwt — dan geen kinderen ; geen gezin, 't Is vrijer om uit te gaan en men kan er een nieuw' meubelstuk voor koopen, een nieuwen looper op de trap — mooier dan bij de buren — en bioscoop, schouwburg enz. kunnen worden bezocht. En 's zomers op reis..: ... Geen kinderen !
Terwijl vroeger slechts de rijken b.v. buitenlandsche reizen en verblijf aan zee kenden, is dit nu in alle volkslagen voor velen heel gewoon. En het Nieuw-Malthusianisme is een welkome gast. Ongehuwden en kinderloozen zijn de gelukkigste menschen. Dan heb je nog wat aan je leven
Ongehuwden en kinderloozen geven den toon aan. Huisgezinnen met kinderen worden beklaagd. Die arme moeders, die arme vaders. En een woning voor een gezin met kinderen is moeilijk te krijgen. Een dienstbode voor een gezin met kinderen vindt men haast niet. Ook in christelijke kringen heeft men dikwijls maar weinig op met gezinnen met kinderen. Ongehuwden en kinderloozen gaan de meerderheid vormen.
In Frankrijk klaagt men er over, dat nette menschen bijna geen kinderen meer hebben, 't Plebs heeft nog zonen en dochteren. Dat zal straks een meerderheid geven voor 't plebs en de nette families zullen de minderheid vormen. Daarover maakt men zich in Frankrijk bezorgd!
De statistiek ten onzent heeft uitgemaakt, dat in de groote steden de overwegende meerderheid der geheel zelfstandige werkers d.w.z. in geenerlei vorm bedeelden, nagenoeg kinderloos is. Men zegt, dat gezinsvorming economisch onmogelijk is. De positieverbetering komt op die manier door moord op de kinderen, door levensvernietiging, opdat het getal der levenden niet al te groot wordt en de inkomsten daardoor voor weinigen zijn.
Van de 130.000 aangeslagenen in de gemeentelijke belasting te Amsterdam waren reeds in 1913 — vóór den oorlog reeds — 50 % ongehuwd of kinderloos. Van degenen die ƒ650.— en meer inkomen hadden waren dus de helft ongehuwd of kinderloos. Ongeveer 10% (ruim) hadden vier of meer kinderen. In het jaar 1925 waren ongeveer 80 % van degenen diè ƒ 1700.— en meer inkomen hebben, ongehuwd of kinderloos. Naar ruwe schatting waren er toen 214 op de honderd met meer dan drie kin-, deren..58% van de gehuwden, die aangeslagen waren, waren kinderloos. En zoo blijkt, dat bij een behoorlijk inkomen, door allerlei oorzaak, de, economische toestanden zóó zijn, dat men geen kinderen wil hebben. Men kan anders niet rondkomen. En daarom — geen kinderen. Men vermoordt het opkomend geslacht, vóór dat het geboren is. Men geeft aan de nieuwe wereldburgers geen kans ! Het zelfstandig gezin wordt vernietigd, vermoord.
De sociaal bedeelden hebben nog kinderen. Menschen met een inkomen kunnen ze niet gebruiken.
In de eenvoudige arbeidersgezinnen zijn nog kinderen. Menschen in de stad en menschen van stand kunnen ze niet gebruiken.
Menschen die nog gelooven, dat de huwelijksgemeenschap heilig is en dat kinderen een erfdeel des Heeren zijn, hebben nog een gezin. Maar menschen die stoelen en gordijnen, eten en drinken, bioscoop en schouwburg, vacantietijd en uttgaansdagen zoo „fijn" vinden, dat ze er nacht en dag over denken en praten, - kunnen geen kinderen gebruiken. ;
De materialistische." levensopvatting en levensgenieting vermoordt ons volk.
Daarbij komt dan nog dit, dat b.v. in Frankrijk 1 op de 5 menschen — na en ondanks 50 jaar verplicht kosteloos onderwijs — zonder het geringste spoor van ontwikkeling is; hetgeen dus thans neerkomt op ongeveer 7 miljoen zwakzinnigen of gedegenereerden.
Ook dat spreekt van een leven, dat verschrikkelijk is.
En zoo draait alles rond te midden van een materialistische levensbeschouwing, met het hoogste ideaal van levensgenieting, en de vruchten zijn : ongehuwden, kinderlooze gezinnen en duizenden en duizenden zwakzinnigen die geboren worden uit ouders met een rampzalige geschiedenis.
Die het leest, die merke er op !

De Predikantenbond.
Moderne Vakvereeniging. Het Jaarverslag 1929 van den Predikantenbond is verschenen. In „Het Orgaan" No. 3 en 4 (Maart-April nummer) is het opgenomen, blijkbaar gesteld door den secretaris, ds. D. Boer, emeritus-predikant, die nu dienst doet als een „vrijgestelde" en de belangen van den Predikantenbond behartigt. Dat ds. Boer dit verslag heeft geschreven „achter zijn machine" voelt men duidelijk. Want ds. Boer behoort tot de familie van „de brütalen, die dé halve wereld hebben". En dit verslag draagt geheel en al dat stempel. Wat een hooge, arrogante toon 1 Een „vrijgestelde" van een of andere moderne, roode vakvereeniging is er maar een kind bij. Van den tongriem gesneden. Geen blad voor den mond nemen. Over alles afkeuringen uitspreken, overal de lakens uitdelen. En dan bedreiging van „uitsluiting" aan allen, die — o ! die gehate „onderkruipers" — niet mee willen doen. Ja — we zullen ze wel krijgen, die niet in de gelederen willen mee marcheeren, die niet achter het vaandel mee willen loopen. „Welbewuste" kameraden moet men hebben in den optocht. En dat zijn ze allen die lid zijn. Daar zijn geen kuddedieren bij. Daar zijn geen belangenjagers bij. Neen, dat zijn allen „welbewuste" kameraden. Flinke mannen. Prachtexemplaren. Kerkbouwers. Maar wee die futloozen — die niet mee-willen doen. En zij die lid geweest zijn maar bedankt hebben of nu gaan bedanken, dat is nog erger zootje. Op blz. 2, 2e kolom bovenaan krijgen ze er van langs. En dan die „onderkruipers", "die zijn 't ergst van allen !
Het schijnt te gisten in 't midden van den Predikantenbond. Men kan 't aan alles merken ook aan dien ijzig rustigen toon van : den Secretaris, die niet zonder sarcasmen, aldoor betoogt, dat het goed gaat. Alleen zijn en blijven er zoovélen, die niet met den Predikantenbond sympathiseeren en die hem tegen werken en dat is natuurlijk het schuim van de predikantenwereld. Ook vermindert het aantal leden. En dat komt omdat vele predikanten hun belangen niet behartigen en geen oog hebben voor het waarachtig belang van de Kerk ! Die bijbedoelingen hebben !......
Het aantal predikant-leden is nu gedaald tot beneden de lOOO. Er waren er 1005, nu zijn er zegt ds. Boer •— 994. Hieronder zijn 812 dienstdoende predikanten, 162 emeriti en 20 studenten. Van de 812 predikanten behooren ér 715 tot de Hervormde Kerk. Wij zouden zeggen, dat is 715 te veel. Maar ds. Boer vindt het natuurlijk veel te weinig. En de bedankjes schijnen nog steeds binnen te komen. Tegelijk wordt melding gemaakt van „het scherpe zwaard, dat het Bondsoordeel recht snijdt" enz. Misschien dat er wel predikanten zijn, die meenen, dat het scherpe zwaard van den Bond alleszins gevaarlijk is. En wij zouden ze geen ongelijk geven. Maar dan valt ds. Boer weer in en zegt : er zijn er velen die niet weten wat ze willen, van die modderaars enz. „Dit moet men weten als men recht wil doen ervaren aan het Bondsbeleid", staat er dan. Hier voelt men, waar de schoen wringt. De Predikantenbond — en dan met name de secretaris, de emeritus dominé Boer, — nu „vrijgestelde" van den Bond — wil de lei­ding hebben bij alles. En die niet naar zijn pijpen dansen willen zijn „modderaars". Er is maar een flinke man in de kerkelijke wereld en dat is de secretaris van den Predikantenbond, die als „vrijgestelde" van een moderne, roode vakvereeniging geen kwaad figuur zou slaan. Synode, Raad van Beheer, Kerkvoogden, Kerkeraden, predikanten enz. moeten het maar eens hooren, dat het alles een zootje is, een Augias-stal.
Wat z'n tractement betreft — dat op blz. 9 officieel voor ƒ 7.735.— staat aangegeven — kan hij 't wel stellen. Maar de echte actie zit er niet meer in. Alles is prachtig geregeld. De voorzitter heeft ƒ500.— honorarium. - De secretaris is bezorgd. Kosten Hoofdbestuur (buiten dat alles) is Ook nog ƒ 1500.—. Kantoorkosten, telefoon, personeel — want mijnheer de secretaris, die „vrijgestelde" is, heeft een behoorlijke hofhouding — loopen ook nog aardig in de papieren. Maar toch gaat het niet zoo heelemaal naar wensch. Natuurlijk is er „afschrijving" en „overschrijving", zoodat de zaak nog wel veilig is vooreerst, maar 't gaat toch niet, zooals 't eigenlijk moest gaan. Daarom is de toon zoo bitter.
Nu heeft de secretaris een nieuw middel bedacht. Zooals dat in den kring van de moderne vakvereenigingen gewoonte schijnt te zijn. Er wordt voorgesteld, dat de Jaarvergadering op 28 April 1930 een motie zal aannemen en daarin het werkprogram voor 1930 zal vaststellen. En dat zal zijn, om de Kerk met de vuisten van een vakvereeniging aan te grijpen en te zeggen : als je nu niet wil zooals wij willen, dan zullen we je boycotten, dan zullen we je in den ban doen, dan zullen we je uitsluiten. Werkstaking, boycot, uitsluiting — dat zijn immers de machtsmiddelen, de brute, wilde machtsmiddelen in het midden van de roode gelederen der bewuste proletariers ? Welnu — de Predikantenbond is daar in de leer gegaan. En met dezelfde brute, wilde machtsmiddelen van boycot en uitsluiting wil men de Kerk gaan bewerken. En men zal de predikanten „onderkruipers" wel krijgen ! Want de Motie, bovenbedoeld, luidt als volgt:
„De Bond van Nederlandsche Predikanten in vergadering bijeen te Utrecht op 28 April 1930, verklaart zich in 't algemeen bij voortduring bereid mede te werken tot een richtige uitvoering der reglementen welke de maatschappelijke positie der predikanten betreffen : ziet in het bijzonder als noodzakelijk daaruit voortvloeienden eisch, dat de predikanten zich er van onthouden tegenstrevende invloeden te bevorderen, met name door tegen hoog honorarium, achter de officieele vacaturebeurten om, diensten te vervullen in vacante gemeenten ; is van oordeel, dat de richtige toepassing dezer reglementen in het openbaar behoort te blijken ; zal voorzoover rechtstreeksche correspondentie daarover is uitgesloten zijn oordeel zoo noodig in het openbaar uitspreken enz."
In 't algemeen is de Predikantenbond bereid een richtige uitvoering der reglementen te bevorderen, welke de maatschappelijke positie der predikanten betreffen Leest dat nu eens rustig!
Als eisch voelt de Predikantenbond daarbij, dat de predikanten, die in vacante gemeenten naast de officieele vacaturebeurten, voor hoog honorarium in den dienst des Woords en der Sacramenten voorgaan als onderkruipers moeten worden gesignaleerd en de Bond zal in 't openbaar over en tegen die predikanten en de verrichting van diensten in een vacante gemeente gaan schrijven. Naam en toenaam enz. zal in de courant komen ; in het Orgaan ; op de zwarte lijst enz.
Het zal ons benieuwen of de predikanten in de Ned. Herv. Kerk nu niet als één man voor 't lidmaatschap van den Predikantenbond zullen gaan bedanken, 't Wordt nu wel wat heel erg met die vakvereeniging van dominees.
En die nu aan 't lijntje blijven loopen van zulke daemagogen en dictators zijn geen knip voor d'r neus waard !

Zonder reorganisatie?
Prof. dr. Slotemaker de Bruine, die vroeger zelf geijverd heeft voor reorganisatie in het midden der Ned. Herv. Kerk, maakt de laatste weken bij zijn schrijven nog wel eens den indruk, dat we, na de verwerping van het bekende reorganisatie-plan, nu maar rustig moeten doorwerken en eigenlijk moeten doen, alsof er niets gebeurd is. In „de Nederlander" onlangs maakte een artikeltje op ons den indruk, dat hij de Geref. Bonders er eenigszins op aanzag, dat zij nu eigenlijk verder maar niets wilden doen.
Dat laatste is natuurlijk een totale vergissing. Want prof. Slotemaker de Bruine kan weten, dat de Geref. Bonders er héél anders over denken. En dat ook met de daad bewijzen.
Maar wat nu dat rustig voortwerken aan gaat, na de verwerping van het reorganisatie-plan, is toch wel goed, dat we er elkaar aan herinneren, dat het in het midden van de Hervormde Kerk niet in orde is — ook niet bij allen arbeid die we gezamenlijk verrichten — omdat niet gaaf is, niet vast staat in het midden van de Hervormde Kerk wat in de Kerk toch zeker als het centrale en het fundamenteele punt vast staan moet n.l. de belijdenis van den Naam van Christus ; het kruis van Christus.
We kunnen grootere en kleinere cirkels trekken, maar het middelpunt moet zijn en blijven : Jezus Christus en die gekruisigd ; de Christus der Schriften.
Dat moet niet zijn hier en daar — maar overal. Dat moet niet zijn door een toevallige meerderheid, maar verzekerd, stellig en vast.
Dat moet voor de Kerk, voor den dienst des Woords en der Sacramenten vast staan. Dat moet voor de catechisatie vast staan, bij de belijdenis des geloofs, bij den diaconalen arbeid, bij de stichtingen van barmhartigheid, voor weezenverpleging en verzorging van verwaarloosde jongens, voor ziekenverpleging, sanatoria enz. Voor alles.
En dan niet door toevallige meerderheden, niet door trucjes, oi afspraakjes. Maar in de Kerk overal — als de meest natuurlijke zaak. Gelijk het de meest onnatuurlijke zaak is, wanneer die fundamenteele en centrale zaak niet vast staat.
Dat moeten we met elkaar zien en erkennen. Dat moeten we met elkaar eerlijk erkennen. Anders kan er geen hartelijk samenwerken zijn. De Christusbelijdenis moet ons te hoog, te heerlijk, te centraal en te allesbeheerschend zijn dan dat we het desnoods ook zonder 't zelve, of op andere manier óók wel zouden kunnen doen.
Saam moeten we zeggen : tot geen prijs mag het in het midden van de Hervormde Kerk anders geschieden !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's