MEDITATIE
Het kruis verwisseld voor de kroon.
En één van de kwaaddoeners, die gehangen waren, lasterde Hem, zeggende : „Indien gij de Christus zijt, verlos u zelf èn ons !" Maar de andere, antwoordende, bestrafte hem, zeggend : „Vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt ? " „En wij toch rechtvaardig ; want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hébben ; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan !" En hij zeide tot Jezus : „Heere, gedenk mijner, als gij in Uw konin'krijk zult gekomen zijn !" En Jezus zeide tot hem : , , Voorwaar zeg Ik u : Heden zult gij met rnij in het Paradijs zijn !" Lukas 23 vers 39-43
Het lijdt geen twijfel, of de boetvaardige moordenaar was nog onbekeerd, nog een prooi des satans, toen hij gehangen werd aan het kruis. Immers lezen wij in Markus 15 vers 32 : „Ook, die met Hem gekruisigd waren, smaadden Hem." Hieruit blijkt onweersprekelijk, dat beide moordenaars, dus ook hij, Jezus hebben gehoond en gelasterd en aangetast in het heiligste, dat Jezus bezat, n.l. in Zijn Messiasschap.
Aan het kruis zélf werd alzoo de boetvaardige moordenaar een nieuw schepsel, dóór God en tót God bekeerd. Dat, en geen ander, oogenblik was door den Almachtige hiertoe van eeuwigheid bepaald.
Hij werd bekeerd ter elfder ure. Immers omtrent de zesde ure, dat is volgens onze klok 's middags om twaalf uur, omsomberde de dikke duisternis de.drie kruispalen op den heuvel 'Golgotha, en kort tevoren had deze kruislijder zijn gebed om genade uitgesproken voor Christus' Heilandsoor.
Moeten we hieruit opmaken, dat het ons geoorloofd zou zijn, onze bekeering uit te stellen tot b.v. op ons sterfbed, of totdat wij gelegener tijd zullen bekomen hebben? O, mijne medestervelingen, hoe gevaarlijk zou het trekken van dusdanige conclusie zijn ! Wie onzer is één enkel minuutje zeker van zijn bestaan ? Bevindt zich niet onze adem in onze neusgaten ?
Gelijk het gras is ons kortstondig leven ; Gelijk een bloem, die, op het veld verheven. Wel sierlijk pronkt, maar krachtloos is en teer. Wanneer de wind zich over 't land laat horen, Dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren ; Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.
Een Christen droomde, dat hij satan zag gezeten op zijn troon, en al zijn booze geesten om hem heenvergaderd. Hij vroeg : „Wie wil heengaan naar de aarde, om heel veel zielen te verderven, en hoe zult gij 't aanleggen ? " Eén der demonen sprak : „Zend mij, en ik zal den menschen vertellen, dat er geen God bestaat !" Een ander vroeg : „Zend mij, en ik zal de menschen wijs maken, dat ze te groote zondaars zijn voor genade !" Zoo werden vele plannen geopperd, die alle min of meer de goedkeuring des satans wegdroegen. Ten slotte vond hij den meesten bijval, die voorstelde : „Zend mij, en ik zal den menschen prediken, dat de Bijbel Gods Woord is, dat Jezus Christus is de eenige Borg en Middelaar voor zondaren, dat de genade vrij valt. Kortom, ik zal de volle waarheid des Bijbels prediken, maar ik zal er aan toevoegen, dat niemand met zijn bekeering haast behoeft te maken, want dat ze steeds nog tijd genoeg bezitten I" Tot dezen boozen geest sprak satan : „Ga ! gij zult zeer veel zielen meevoeren naar den afgrond der wanhoop !"
Het was slechts een droom. Maar een droom, waar veel uit te leeren valt. Op den weg naar den hemel toch dragen de wegwijzers o.m. het opschrift : „Haast u en spoedt u om uws levens wil !"
Waarom kwamen niet beide medekruiselingen van Christus tot bekeering ? Waarom de één en de ander niet ? Mijn lezers, indien wij deze vragen stellen, loopen we gevaar, onze ziel met zondige gedachten te vergiftigen. De Heere is vrij in al Zijn doen en laten, ook is de Heere recht in al Zijn weg en werk. De geopenbaarde dingen zijn voor ons en onze kinderen, maar de verborgen dingen zijn voor den Heere onzen God. Met Artikel 16 onzer Belijdenis getuigen wij : „Wij gelooven, dat het geheele geslacht van Adam door de zonde des eersten menschen in verderfenis en ondergang zijnde. God zich zelven zoodanig bewezen heeft, als Hij is, te weten : barmhartig en rechtvaardig. Barmhartig, doordien Hij uit deze verderfenis trekt en verlost degenen, die Hij in Zijn eeuwigen en onveranderlijken raad uit enkele goedertierenheid uitverkoren heeft in Jezus Christus onzen Heere, zonder eenige aanmerking hunner werken. Rechtvaardig, doordien Hij de anderen laat in hun val en verderf, waarin zij zich zelven geworpen hebben". Wat een ieder van ons persoonlijk betreft, laten we niet vragen : „Ben ik een uitverkorene ? " maar wél : „Ben ik een zondaar, en moet ook ik bekeerd worden ? " We kunnen geen enkel voorwendsel vinden, om ons aan het gebruik der middelen en aan het buigen der knieën te onttrekken. Wanneer we behouden worden, zal het genade zijn. Gaan we echter verloren, het zal eigen schuld zijn en blijven. Op de hellepoort lezen ontdekte zielen het woord : „Verdiend !" Maar op de hemelpoort : „Genade !" Ook is de mensch een verantwoordelijk schepsel. Laten we de uitnoodiging des Heeren ter harte nemen, wanneer Hij ons toeroept : „De goddelooze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten, en hij bekeere zich tot den Heere, zoo zal' Hij zich zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk !" De Heere roept ons met ernst en nadruk toe : , , Heden, indien gij Zijne stem hoort, verhardt u niet, maar laat u leiden 1" Ook wij, mijne lezers, bidden u met tranen : „Laat u met God verzoenen !" Zoekt een dierbaren Heiland als Borg en Middelaar voor uw ziel te verkrijgen. Hij wil ook uw Zaligmaker zijn, indien gij als een zondaar met al uw schulden tot Hem komt. Nog nooit heeft Hij een boeteling, die met ootmoed smeekend tot 'Hem kwam, verstooten. Hij zal het ook u niet doen.
Waar zult gij zijn in d' eeuwigheid ? Ernstige vraag in dezen tijd ! Hebt gij uw antwoord reeds bereid ? Waar zult gij zijn in d' eeuwigheid ?
O, kies voor Jezus.heden nog ! Vlied toch de zonde en haar bedrog ! Jezus vraagt zelf met teederheid : „Waar zult gij zijn in d' eeuwigheid ? "
De bekeering van den boetvaardigen moordenaar draagt in alle opzichten het kenmerk van een echte en niet ingebeelde bekeering te zijn. Zoo maakte hij zijn ziel door vermaning vrij van het bloed van zijn vroegeren makker op den weg naar de hel, toen hij hem ernstig afvroeg : „Vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt ? " Ware genade immers brengt mee, dat we onze medemenschen waarschuwen en uitnoodigen, om zich ook tot Jezus te bekeeren. Ook onderteekende hij zijn eigen doodvonnis, toen hij beleed : „En wij toch rechtvaardig; want wij, ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben !" Dat leert de Heere door Woord en Geest ook al Zijn kinderen. Ook kwam hij tegenover heel de wereld op voor Christus' eer, en bestond, wat Pilatus niet recht aangedurfd had, den uitroep : „Maar deze heeft niets onbehoorlijks gedaan I" Daardoor werd hij, de geredde zondaar, Jezus' aureool op Golgotha. En tenslotte sprak hij een gebed uit, dat de drie kenmerken vertoont van 't ware Christelijke gebed : „Hij besefte, tot Wien hij bad ; hij w, ist, waarom hij vroeg ; hij bezat een vasten grond der verhooring ; dit alles samenvattend in de kruisbede : „Heere, gedenk mijner, als gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn !" Ook had hij Immanuël leeren kennen in Zijn zondelooze nienschelijke natuur en in Zijn waarachtig goddelijk bestaan. Altemaal heilgeheimen, die de Heere Zijn beminden leert verstaan door Zijn Woord en Geest, die Hij hun in een oogenblik geven kan.
Zoo waren Gods wegen hooger dan menschelijke wegen, en 's Heeren gedachten hooger dan onze gedachten. De boetvaardige zondaar is een wonder Gods, een bewijs, dat de Heere wonderen doet op aarde, en een toonbeeld van Gods vrije genade.
De ootmoedige bidder, aan wien zulke groote en heerlijke dingen gebeurd waren, ontving, niet óm, maar wel op zijn bede, van zijn nieuwen Koning een zaligende belofte, en ondervond reeds terstond, welk een goede Heiland Jezus is. Immers :
Als de nevens Hem-gekruiste Aan Zijn onschuld hulde deed. Vond hij Hem, hoe afgemarteld, (Nog tot liefde en troost gereed. Ja, die bede vond genade : „Heer, gedenk hierna aan mij !" „Heden zult gij", sprak de 'Heiland, , , 't Paradijs zien aan mijn zij !"
Deze rijke belofte maakte het kruislijden licht voor zijn geredde ziel. Veel smart moest hij nog dulden. Niet lang echter zou zijn lijden duren. Vandaag nog zou hij zijn Jezus ontmoeten in het hemelsche Paradijs, waar geen kruisen meer gedragen worden, waar niemand zegt : „Ik ben ziek !", waar geen kind Gods meer kermt : „Tegen U alleen heb ik gezondigd en gedaan, wat kwaad is in Uwe oogen !" Daar zal hij met Jezus zijn. O zaligheid, niet uit te spreken ! Zonder Jezus zou de hemel voor hem geen hemel zijn. Nu zou hij er echter zijn Koning in Zijn schoonheid aanschouwen ; zijn oogen zullen een vergelegen land zien. Daar zal God alle tranen van zijn oogen afwisschen. Daar zal hij het kruis verwisselen voor de kroon. Daar zal hij, verlost van het lichaam der zonde en des doods, den Heere dienen in volmaaktheid en heerlijkheid. Daar zal hij zich eeuwig verwonderen over het feit, dat hij zelf er is, hij, die naar God nooit uit zichzelf zou hebben omgezien, maar dien de 'Heere in ontferming heeft willen kennen van vóór de gronc legging der wereld. Daar zingt hij met al Gods verloste volk, met Abraham en Mozes en Jesaja, in het gezelschap van de schare, die niemand tellen kan, het lied der vrije genade :
Door U, door U alleen, Om 't eeuwig welbehagen !
Kruisdragende kinderen Gods, heft uwe oogen op naar den hemel, vanwaar uw hulpe komen zal ! De Heere zal u nimmer begeven noch verlaten, ook u niet, kleinen en bekommerden, lammerkens der kudde, want ook gij behoort bij Christus' duurgekochte Kerk ! En gij, onbekeerden, o verwaarloost het heden der genade niet ! Stelt uw weg wél aan, en buigt uvj knieën, en vraagt om genade ! Laat de boetvaardige moordenaar u een aanmoedigend voorbeeld wezen ! Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde, en tot in alle eeuwigheid. Zoekt echter geen uitstel, komt heden !
Draal langer niet ! Eens is vervuld De maat ook van Zijn teer geduld ! Wee u, wanneer Hij verder gaat, En u ook geldt Zijn droef: „Te laat!"
O, dat dit allervrees'l'ijkst woord Toch nimmer van u word gehoord ! Kom, spoed u ! Laat met blijden zin, Nu 't tijd nog is, uw Koning in !"
Neerlangbroek.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's