De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Brief aan de Romeinen.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Brief aan de Romeinen.

9 minuten leestijd

Wat dan, zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade ? Dat zij verre. Weet gij niet, dat wien gij u zelven stelt tot dienstknechten ter gehoorzaamheid, gij dienstknechten zijt desgenen, dien gij gehoorzaamt, of ter zonde tot den dood, of der gehoorzaamheid tot gerechtigheid.
Maar Gode zij dank, dat gij wel dienstknechten der zonde waart, maar dat gij nu van harte gehoorzaam geworden zijt aan het voorbeeld der leer, tot hetwelk gij overgegeven zijt.
Ik spreek op menschelijke wijze, om de zwakheid uws vleesches wil : want gelijk gij uwe leden gesteld hebt om dienstbaar te zijn der onreinigheid en der ongerechtigheid, tot ongerechtigheid, alzoo stelt nu uwe leden, om dienstbaar te zijn der gerechtigheid tot heiligmaking.
Want toen gij dienstknechten waart der zonde, zoo waart gij vrij van de gerechtigheid.
Wat vrucht dan hadt gij toen van die dingen, waarover gij u nu schaamt ; want het einde derzelve is de dood.
Maar nu van de zonde vrijgemaakt zijnde en Gode dienstbaar gemaakt zijnde, hebt gij uwe vrucht tot heiligmaking, en het einde het eeuwige leven. Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegifte Gods is het eeuwige leven door Jezus Christus onzen Heere. Romeinen 6 vers 15—23.
Herinnert ge u nog de vraag uit het eerste vers van dit hoofdstuk, lezers? Het was een vraag, die wel een beetje geleek op vers 15. Vers 1 toch luidt als volgt : „Wat zullen wij dan zeggen ? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde? " En in vers 15 lezen we : „Wat dan, zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade ? "
Aandachtige lezing doet ons echter groote verschillen zien. Ging het in vers 1 om de vraag, of vermeerdering van de zonde de genade nog overvloediger zou kunnen maken, na verwerping van deze dwaling gaat het nu veel meer om de vraag, of het geen gevaar zal opleveren voor den mensch die van den vloek der wet verlost is, dat hij het nu in zijn handel en wandel met die wet zoo nauw niet meer zou nemen.
Veronderstelt eens, dat alle wetten des lands eens werden afgeschaft ! We zouden het er niet op wagen durven, want zeker zou het aantal overtredingen bij den dag toenemen.
Toch durft de apostel Paulus op geestelijk terrein de gevolgen gerust onder de oogen te zien. Met het bekende „dat zij verre", verwerpt hij oogenblikkelijk deze gewaagde onderstelling. Maar daarbij Iaat hij het niet. Met een mooie beeldspraak wil hij het ook nader bewijzen.
„Weet gij niet, dat wien gij u zelven stelt tot dienstknechten ter gehoorzaamheid, gij dienstknechten zijt dagenen, dien gij gehoorzaamt, of ter zonde tot den dood, of der gehoorzaamheid tot gerechtigheid ? "
In den grondtekst staat eigenlijk niet dienstknecht, maar slaaf. Dit zegt veel meer. Een slaaf mist immers de vrijheid. Hij is het eigendom van zijn heer. Zoo is ook de zonde een macht, die over den mensch heerscht. Heeft niet de Heere Jezus zelf gezegd, dat hij, die de zonde doet, een slaaf van de zonde is ?
Zonder de reddende zondaarsliefde blijft de mensch een slaaf der zonde tot den doodssnik toe. Maar door de herscheppende genade Gods worden slaven der zonde gemaakt tot dienstknechten onder de gehoorzaamheid tot gerechtigheid.
Ook de Christenen te Rome waren eerst slaven van de zonde, maar door Gods genade waren ze getrokken uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht en hadden zich onderworpen aan het beginsel van de gehoorzaamheid. Niet Satan was nu hun koning, maar de Heere zwaaide Zijnen scepter over hen. Nu kan echter niemand zijn natuur verloochenen. Evenmin als de slaaf der zonde lust kan hebben in de geboden des Heeren, evenmin kunnen de dienstknechten van Koning Jezus zich blijven verlustigen in de zonde.
Het is onmogelijk, dat hij die door een oprecht geloof Christus is ingeplant, niet zoude voortbrengen vruchten der dankbaarheid. Laat Gods kind dagelijks mogen struikelen in vele dingen, laat Petrus den Meester verloochend hebben, en David overspel bedreven hebben, de Schrift teekent allen, die vielen en struikelden, juist als zoodanigen, die het hebben uitgeschreeuwd voor God vanwege hunne zonde.
Die smartkreet van David : „Ik doornat mijne bedstede met mijne tranen", zegt toch genoeg, dat de zonde met Uria's vrouw niet zijn levenselement is geweest.
Neen, het is geen vrucht van de genade Gods, zoo er nog begeerte is om de wereld te dienen. Waar God heerschappij voert met Zijne onwederstandelijke genade, daar wordt ook geboren een heilige lust om in des Heeren wegen te wandelen. Daar ontwaakt een verlangen om de overige dagen des levens, die nog resten, op deze aarde te wandelen als hemelingen, omdat de Heere het waardig is om door ons geëerd, geprezen en gediend te worden. Daar roept het hart 't uit voor God : „Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten".
Met recht mocht Paulus dan ook schrijven aan de gemeente te Rome : „Maar Gode zij dank, dat gij wel dienstknechten der zonde waart, maar dat gij nu van harte gehoorzaam geworden zijt aan het voorbeeld der leer, tot hetwelk gij overgegeven zijt".
Met het type, hetwelk in onderscheid van andere typen in een leer bestaat, of wat hetzelfde is, een leer, die als type of voorbeeld diende, verstaat de apostel het Evangelie zelf, hetwelk hun gepredikt is. „Het was een zuiver Evangelie ; anders toch kon het niet dienen tot model of type, waaraan alle verdere prediking van het Evangelie beantwoorden moest".
Aan die zuivere leer hadden de Romeinen zich onderworpen. Het Woord des Evangelies had een plaats gevonden in hunne harten, waardoor het gekomen was tot die heerlijke overgave des harten.>Paulus geeft hiervan Gode alleen de eer. Wie den Romeinen ook het eerst de boodschap des heils mogen hebben gebracht, wie moge hebben geplant of natgemaakt, de wasdom alleen is van den Heere.
Van nature is immers elk een tegenstander van het Woord des Heeren, hetwelk hem gepredikt wordt. Is dat niet de sprake van elk menschenhart : „Wijk van ons, want. aan de kennis Uwer wegen heb ik geen lust"?
Maar door Gods genade worden verdorvene Adamskinderen vrijgemaakt van de zonde, tot dienstknechten van de gerechtigheid.
„Ik spreek op menschelijke wijze, om der zwakheid uws vleesches wil : want gelijk gij uwe leden gesteld hebt, om dienstbaar te zijn der onreinigheid en der ongerechtigheid, tot ongerechtigheid, alzoo stelt nu uwe leden, om dienstbaar te zijn der gerechtigheid, tot heiligmaking".
Dat de mensch, die de zonde doet, een slaaf der zonde geheeten wordt, lijkt ons volstrekt niet zoo vreemd. Wel zou iemand zich kunnen stooten aan het feit, dat men een kind Gods een slaaf van de gerechtigheid zou noemen.
Men zou kunnen zeggen, dat de dienst des Heeren toch immers een zalige dienst is. Zegt niet de Schrift, dat hij, die door den Zoon vrijgemaakt is, waarlijk vrij zal wezen ? Welaan, noem dan den dienst des Heeren geen slavendienst, maar liever liefdedienst der vrijheid, zou iemand kunnen zeggen.
Paulus heeft zelf dit bezwaar gevoeld en daarom gezegd, dat hij op menschelijke wijze spreekt, om der zwakheid des vleesches wil. Van menschelijke zijde bezien, mag het Christen-zijn u een slavendienst toeschijnen, allen, die met Ruth die onberouwelijke keuze mochten doen, weten wel beter. Hoe gaarne stellen ze hunne leden, om dienstbaar te zijn der gerechtigheid tot heiligmaking. Ik denk aan de zondares, die in het huis van Simon achter Jezus kwam staan en Zijne voeten nat maakte met haar tranen. Met hare schoone haarlokken, waar in ze vroeger als in een net des duivels de harten der jongelingen had zoeken te verstrikken, droogt ze nu die gezegende voeten af. Haar fleschje met zalfolie, vroeger gebruikt in den dienst der zonde, giet ze nu uit op Zijn hoofd. Neen, die offers zijn haar niet te zwaar. Ze zou Hem wel alles willen schenken.
Zoo gaat het allen van wie Paulus mag getuigen : „Want toen gij dienstknechten waart der zonde, zoo waart gij vrij van de gerechtigheid. Wat vrucht hadt gij toen van die dingen, waarover gij u nu schaamt, want het einde derzelve is de dood. Maar nu van de zonde vrijgemaakt zijnde, en Gode dienstbaar gemaakt zijnde, hebt gij uwe vrucht tot heiligmaking en het einde het eeuwige leven".
Toen ze nog slaven van de zonde waren, hadden ze niets uit te staan met de gerechtigheid. Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat een heiden in onbekeerden staat niet gehouden was om naar de Wet Gods te leven. Neen, het beteekent veeleer, dat de heidenen los waren van de wet, in dien zin, dat God hen had overgegeven om de zonde te dienen.
Met alle macht en kracht wil Paulus hen daarom nog eens waarschuwen voor alle toegeeflijkheid aan de zonde, door hen te herinneren aan hun slavenbestaan en hun slavenloon van eertijds.
De tweede helft van Romeinen 1 laat ons genoegzaam zien, waarover ze zich hadden te schamen.
Met Paulus is het anders. Hij behoefde zich niet te schamen voor het Evangelie van Jezus Christus. Het was immers een kracht Gods tot zaligheid. De vruchten der zonde echter zijn o zoo bitter. En het einde derzelve is de dood. Vreeselijk zal 't wezen voor den zondaar, die zich niet bekeert, om straks te vallen in de handen van den levenden God. Ontzettend zal het wezen, om dan naar ziel en lichaam eeuwige straf te dragen !
Heerlijk daarentegen zijn de vruchten der heiligmaking voor al Gods kinderen. Zalig aan deze zijde des grafs der zonde te leeren sterven. Dit wil natuurlijk niet dit zeggen, dat de mensch hier op aarde in eigen oog hoe langer hoe heiliger wordt. We verwijzen naar dien veiligen regel tot zelfonderzoek : Minder zonde doen, en toch grooter zondaar worden in eigen oog voor God.
Het einde van dien weg zal wel wezen de smartkreet : „Ik ellendig mensch, maar ook mag er op volgen : „Gode zij dank door Christus Jezus, en dan tenslotte : het eeuwige leven.
En dan vat Paulus in het slotwoord vers 23 alles nog weer eens samen : „Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegifte Gods is het eeuwige leven". In de oudheid betaalden de veldheeren aan de soldaten de beloofde soldij. Welnu, de zonde betaalt ook de verdiende soldij, n.l. den dood.
Maar God de Heere, die gezegd heeft, dat Hij een belooner is dergenen, die Hem zoeken, schenkt Zijn kinderen het. eeuwige leven.
Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den eenigèn waarachtigen God, en Jezus Christus, , dien gij gezonden hebt.
Alleen door Christus het heil, gelijk het slotwoord zegt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Brief aan de Romeinen.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's