JAARVERSLAG
van de 25ste Jaarvergadering van den Geref. Bond op Woensdag 9 April 1930
van de 25ste Jaarvergadering van den Geref. Bond op Woensdag 9 April 1930, gehouden in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen te UTRECHT.
Het weer lokte uit. Wel had de zon moeite om door dé nevelen heen te breken. Maar 't was heerlijk voorjaarsweer. En velen uit allé deelen van ons land, uit Groningen zoo goed als uit Zeeland, uit Noord-Holland en Gelderland, hadden de reis ondernomen om naar Utrecht te gaan. 't Was immers Jaarvergadering van den Gereformeerden Bond ? En dan blijft ons Gereformeerde volk, dat onze Hervormde Kerk als de erve der Vaderen lief heeft, niet thuis ! Geen sprake van !
Zoo troffen we Woensdag 9 April, 's morgens elf uur, éen groote vergadering van ouderen en jongeren in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, Mariaplaats, Utrecht. Want de Bondsdag was nu, op verzoek van onderwijzers, niet op Donderdag, maar op Woensdag. Dan kunnen de heeren opvoeders der jeugd makkelijker een dag of een halven dag uitbreken, en er waren dan ook verschillende bekenden uit de schoolwereld, vooral 's middags, in de groote bovenzaal, van het Gebouw aanwezig. De Kweekschool, ziet u, dat trok de heeren natuurlijk óók! En we waren blij, dat zij bij de besprekingen tegenwoordig waren.
Hoe We weer in het Gebouw voor Kunst en Wetenschappen terecht zijn gekomen dit jaar? Niet, omdat 't ons in het Jaarbeursgebouw niet bevallen is. Maar door een bloemententoonstelling konden we daar ditmaal niet terecht. En och het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen is voor ons allen, die van vergaderen houden, zoo'n oude bekende, dat het ons werkelijk niet speet, dat we daar weer eens konden samenkomen, in die bekende bovenzaal, waar we in vorige jaren zoo dikwijls bijeen zijn geweest, als wè Bondsvergadering hadden, 't Is een-rustige; ruime zaal — maar we kwamen nu bijna plaats tekort. Want de belangstelling was groot. Toch hebben we er ons én 's morgens én 's middags prachtig doorgeslagen. Ieder kon tenslotte nog een ruime plaats krijgen. Alleen in de pauze, in de koffiekamer, liep 't een weinig vast.-Maar dat kwam óók wel, omdat de vergadering eerst wat laat 's morgens gesloten kón wórden en de tijd, om wat te gebruiken, niet bizonder ruim toegemeten werd. 't Moest alles nu wat haastig gaan. En al gaat men nu niet naar Utrecht om te eten én' te drinken — 't kan tóch op zoó'n zwaren dag niet heelemaal verwaarloosd worden. Doch — dit valt eigenlijk buiten ons Verslag en daarom zwijgen we er verder over.
De Voorzitter, ds. M. van Grieken, van Rotterdam, begreep, dat we het druk zouden krijgen op dezen Bondsdag en begon dan ook precies op tijd, klokke elf uur. Hij liet zingen Psalm 89 vers 3, las Efeze 2 vers 8—22, ging voor in gebed en sprak tóen een openingswoord, dat we hier laten volgen :
Geachte Vérgadering,
Gaarne wil ik u als voorzitter van den Gereformeerden Bond en voorzitter van deze vergadering, hartelijk welkom heeten, 't zij gij leden van onzen Gereformeerden Bond zijt of niét. Want ook in dit laatste geval zijt gij toch als belangstellenden hier tegenwoordig.
Belangstellenden.
Waarin belangstellenden?
Wellicht belangstellend in onzen Gereformeerden Bond. Maar waarschijnlijk dan nog méér belangstellend, in onze Hervormde Kerk.
En dan durf ik u allen, leden of niet-leden van onzen Gereformeerden Bond, aanspreken met den naam van „Kerk-bouwers".
Laat dat woord ons vanmorgen en den ganschen dag voor den geest staan !
Kerkbouwers.
Dat is toch voor ons allen geen vreemde klank. We weten allen, hoe vaak de Heilige Schrift spreekt van de gemeente Gods onder het beeld van een bouwwerk. Dan eens gebruikt de Bijbel het woord huis, dan weer tempel, maar altijd dan om ons voor den geest te brengen, hoe de Kerk des Heeren van alle plaatsen Zijner heerschappij wordt opgebouwd als een tempel, als éen huis Gods.
In het Oude Testament vinden we die beeldspraak b.v. in Psalm 118. Daar wordt de komende Messias genoemd een steen, van de bouwlieden verworpen, maar van God gelegd tot een steen des hoeks. Dit is de groote zaak, , die door alle eeuwen genoemd en geroemd wordt als „van den HEERE geschied, én wonderlijk in onze oogen (Psalm, 118 vers 22, 23).
De Heiland haalt later Zelf deze woorden aan om er de overpriesters en de ouderlingen des volks aan te herinneren, wat in de Schriften geschreven staat (Matth. 21 vers 42). Levend bij de Schriften, spreekt Hij naar de Schriften, en den leidslieden des volks, maar ook de schare, zegt Hij het aan, hoe het bij den opbouw en bij den uitbouw van 's Heeren huis, van des Heeren tempel gaan zal. 't Zal zóó gaan, dat de menschen, dat de bouwlieden verwerpen zullen den fundament-en hoeksteen Jezus Christus, maar de HEERE, Jehova, de God des eeds en des verbonds, zal er voor zorgen, dat de fundamentsteen blijft en dat alom levende steenen worden opgebouwd op den Steen des Levens, welke niet anders is dan Jezus Christus.
Vooral de apostel Paulus spreekt heel dikwijls over deze dingen. We behoeven maar één plaats uit den brief aan de gemeente te Efeze te noemen, om u dat aanstonds helder voor den geest te stellen. We bedoelen Efeze 2. vers 19—22. Daar is sprake van den vrede door het Evangelie voor degenen, die verre waren en voor degenen, die nabij waren. Over den toegang tot God den Vader door éénen Geest. En bij dien vrede en bij die éénheid des Geestes voor degenen, die verre waren en voor degenen, die nabij waren, gaat Paulus dan spreken over de medeburgers der heiligen en huisgenooten Gods. Om dan nader uiteen te zetten, dat zij gebouwd zijn op het fundament der Apostelen en Profeten, waar van Jezus Christus is de uiterste hoeksteen, op welken het geheele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heiligen Tempel in den Heere, op welken ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in den Geest.
Wij gaan deze dingen nu niet uitwerken. Wij wilden het alleen maar voor uwen geest stellen, opdat het ons allen den ganschen dag levendig voor oogen zal staan : het beeld van den heiligen Tempel Gods, van het huis des Heeren, van de Kerk van Christus. En wij : Kerkbouwers!
Want hoe meer wij er zelf kennis aan hebben door genade, wat het is niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen en huisgenooten Gods te zijn, hoe meer wij er ook van zullen gevoelen dat het huis des Heeren moet gebouwd worden op het fundament der Apostelen en Profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen.
De Schriften des Ouden Testaments en de Schriften des Nieuwen Testaments, de Evangeliën, de brieven, het boek de Openbaring, spreken voor ons één taal. Van Genesis 3 vers 15 tot Openbaringen 22 vers 21 is het Jezus Christus en die gekruist en niets en niemand anders. Zóó willen we ook onze Ned. Hervormde ('Geref.) Kerk zien. 't Is 's Heeren Kerk, door God in dezen lande geplant, 't Is onze Kerk — ja onze Kerk — in den zin, dat de Heere er ons deed geboren worden, door den Doop ons hier heeft ingelijfd in Zijn verbond, in Zijn gemeente begrepen zijnde, terwijl wij hier belijdenis van ons geloof hebben afgelegd. Ja, voor een groot deel zijn wij ook in deze Kerk in het ambt bevestigd, 't zij als herder en leeraar, 't zij als ouderling, 't zij als diaken, wat nog bizondere banden heeft gelegd.
Zou ons dat Huis des Heeren dan niet aangaan ?
Immers ja !
En nu loopt er door de Kerkgeschiedenis déze lijn, dat Christus Satan den kop vermorzelt, maar dat tegelijk Satan Christus in den hiel bijt. Dat voelen we, dat zien we in de Kerkgeschiedenis, ook zoo heel bizonder in de geschiedenis van onze Ned. Hervormde (Geref.) Kerk.
Een worsteling is er voor en tegen den Christus.
En Christus valt — gebeten in den hiel. Hij valt. Satan bijt en laat niet af. Maar Christus overwint, heeft overwonnen en zal overwinnen. Toch is 't telkens weer, dat Satan bijt en dat Christus valt.
Men heeft onze Hervormde (Geref.) Kerk, tot welke Kerk wij welbewust zijn toegetreden als belijdende lidmaten, in het midden van die Kerk geboren en gedoopt zijnde — men heeft onze Hervormde (Geref.) Kerk, zijnde 's Heeren Kerk, duchtig gehavend. Men heeft die Kerk tot een „Genootschap" gemaakt met een Synodale besturenorganisatie, als ware het een burgerlijke Vereeniging.
Anderen spreken nu bij voorkeur gaarne over haar niet als een Kerk, maar als een Genootschap.
Wij niet. Waarom niet ?
Omdat de Ned. Hervormde Kerk in 1816 wederrechtelijk door de Overheid gebonden is en tot een „Genootschap" gemaakt is, in strijd echter met haar eigen aard en wezen, in strijd met haar geschiedenis en haar recht.
En een die wederrechtelijk door overmacht gebonden is, roepen wij op straat niet na, dat hij of zij een gevangene is.
Dat is niet royaal. Dat is niet recht.
Dat is niet eerlijk. Dat is niet christeliik.
Liever willen wij, óók vandaag, telkens voor onzen geest stellen, dat wij, die tot de Ned. Hervormde (Geref.) Kerk behooren, leden of geen leden van den Gereformeerden Bond zijnde, Kerkbouwers behooren te zijn. Dat is onze lust, dat is ons leven ! En hoe meer we ons gebonden voelen aan de Schriften, aan het fundament der Apostelen en Profeten, waarvan Jezus Christus de uiterste hoeksteen is, hoe beter het zijn zal, óók vandaag. Want dan zullen we den weg weten, waarin wij saam het goede hebben te zoeken voor de erve onzer Vaderen.
Voor onzen Gereformeerden Bond staan wij er niet naar vooral véél leden te hebben. Dat is nooit ons ideaal, nooit ons streven, nooit ons pogen geweest. We hebben nooit onze kracht in het aantal gezocht. Maar hoe meer leden we hebben, die eerlijk, hartelijk instemmen met grondslag en doel van onzen Gereformeerden Bond, hoe liever dat 't ons is. Want het aantal verachten we niet en we weten dat ééndracht macht maakt". We weten, dat saamhoorigheid in deze gebiedend noodzakelijk is. 't Is een eisch Gods. Altijd, maar vooral nu. Dat het Gereformeerde volk het hoe langer hoe meer mag leeren verstaan !
Wij hopen van harte, dat deze onze Bondsvergadering, van morgen en van middag, mag meewerken, dat we ons als „Kerkbouwers" één voelen. Dat we ons één voelen in liefde en ijver, om naar uitwijzen van onze Statuten, mee te werken aan het heerlijke doel, dat de Ned. Hervormde (Geref.) Kerk meer en meer in 't midden van ons volk mag komen staan als een pilaar en vastigheid der Waarheid, in de orde van haar kerkelijk samenleven zich openbarend naar de beginselen van de Dordtsche Kerkorde. Een herboren Gereformeerde Kerk, gebouwd op het fundament der Apostelen en Profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen.
De Ned. Hervormde (Geref.) Kerk in haar tegenwoordigen vorm is voor ons nog iets anders dan een „Genootschap", dat wij verachten. Zij is ons nog iets anders dan een rotte appel, dien wij verwerpen en vertrappen. Zij is ons nog iets anders dan Babel, dat wij hebben te verlaten. De Ned. Hervormde Kerk is voor alle Gereformeerde Bonders de aloude Gereformeerde Kerk, die uit haar diepen val moet worden opgericht, tot wederverkrijging van hare plaats in het midden van ons volk, haar vanouds door den Heere aangewezen, opdat zij weer zijn mag een leidsvrouwe des volks in 's Heeren Naam en in Zijn kracht.
Als Kerkbouwers willen we vandaag vergaderen, spreken, luisteren, beraadslagen, besluiten nemen. Als Kerkbouwers levend en werkend in 't midden van de Ned. Hervormde (Geref.) .Kerk.
Aan de geschiedenis, die achter ons ligt, willen we onze aandacht geven, juist ook
om er leering uit te putten voor het heden en de toekomst, om saam het goede te zoeken voor onze Ned. Hervormde (Geref.) Kerk, opdat zij staan mag als een pilaar en vastigheid der Waarheid in het midden des volks, met de belijdenis van 's Heeren Naam.
We willen de verhoudingen van den Staat tot de Kerk en van de Kerk tot den Staat onder de oogen zien.
We willen spreken over het werk der Evangelisatie.
We willen handelen over de orde van ons kerkelijk samenleven, in verband met de Synodale besturen-organisatie, die tot op heden ons knelt en benauwt.
We willen onzen arbeid onder de jeugd, met name nu den arbeid onder de kinderen, de schoolzaken dus, ons voor oogen stellen, om dan bizonder onze aandacht te schenken aan onze Hervormde Scholen met den Bijbel, en met name saam te spreken over de opleiding van onderwijzers. Waarbij een voorstel van het Hoofdbestuur tot oprichting van een Hervormde Kweekschool op Gereformeerden grondslag U in de middagvergadering zal worden voorgelegd.
Veel en velerlei werk wacht ons. Dat dr. Severijn aanstonds bereid zich toonde aan ons verzoek te voldoen vandaag tot ons te spreken over het allerbelangrijkste onderwerp „.Kerk en Staat" verheugt ons zeer en wij roepen hem als spreker in deze morgenvergadering een hartelijk welkom toe. Hij is een kerkelijk man en een staatsman — wie zou ons beter kunnen voorlichten dan hij ? Hij mag dan ook verzekerd zijn van ons aller aandacht. En de Heere geve, dat het voor hem en ons een gezegend samenzijn mag wezen, om ons saam bezig te houden met de dingen die wij saam van 't hoogste belang voelen voor Kerk en Volk.
Kerkbouwers. Willen we dat zijn ?
En nu gaan we aan 't werk.
Kerkbouwers in het midden van onze Ned. Hervormde (Geref.) Kerk. Ja, dat te mogen zijn is onze lust en is ons leven.
God van den hemel doe ons dat werk wèl gelukken, ook vandaag ; en in de toekomst hoe langer hoe beter.
Het woord is nu aan dr. Severijn, om ons te spreken over het onderwerp : „Kerk en Staat".
Dr. J. Severijn te Dordrecht hield daarna een referaat over 't aangekondigde onderwerp : "Kerk en Staat".
De referent zeide ongeveer het volgende.
Het onderwerp , , Kerk en Staat" is actueel. Prof. dr. H. H. Kuyper en prof. J. J. van der Schuit hebben over ditzelfde onderwerp een referaat gehouden en in druk doen verschijnen.
Dit onderwerp is niet altijd op dezelfde wijze actueel. Maar actueel is het altijd, zoo zeker als God zelf gezegd heeft : „Ik zal vijandschap zetten enz."
Er is ook altijd eene oplossing in de verhouding van Kerk en Staat. De Kerk verschijnt in het volksleven. Waar een volksleven is, is een Staat. Ieder volk zoekt naar z'n eigen Staat. Daar is dan ook noodwendig een verhouding van Kerk en Staat. Die verhouding kan minder juist zijn. Een verhouding is er. Daarom is er ook een oplossing.
Er zijn menschen die spreken van dé oplossing. Dé oplossing vinden wij niet. We moeten het doen met een oplossing. Zulk een oplossing zal verschillen naar de omstandigheden. Dé oplossing komt in de voleinding der dingen. Dan krijgt de verhouding van Kerk en-Staat haar eeuwig beslag. Hoe dan de Staat, het Koninkrijk er uit zal zien, weet ik niet. Maar 't zal een Koninkrijk zijn. Ook een Kerk in een volk.
In menschelijke zaken is niets dat volmaakt is te wachten (Voetius).
Ik wensch nu niet die twee referaten te behandelen, 'k Acht dit overbodig, 'k Ga in op de dingen die deze beide heeren niét zeggen.
Als wij over „Kerk en Staat" spreken, moet er gevraagd : Wat is „Kerk" ? Wat is Staat" ? Alle vraagstukken zijn op de studeerkamer betrekkelijk gemakkelijk, omdat wij dan met de dingen werken, die zich naar onze hand laten zetten. Dan stellen wij het normale, zooals een Kerk, een Staat naar de ordinantie Gods er moet zijn. Maar dan komen wij toch ook al in de nesten, als het gaat over de verhouding van Kerk en Staat. Jezus Christus heeft zoowel over de Kerk als over de Staat alle macht. Maar welke Potestas (macht om iets te doen) heeft dan de overheid van dien Christus ? En welke potestas van dien Christus heeft dan de Kerk? (Zie Voetius, Politica ekklesiastica).
'k Ga u niet spreken in het afgetrokkene.
'k Wil vragen : Welke Kerk ? Welk instituut? Welke Staat? , 't Gaat om de verhouding van die twee. Dan moet ik een Kerk hebben, die er is, ook een Staat, die er is. 't Gaat om werkelijkheden, om een bepaalde Kerk, om een bepaalden Staat.
Zoo zijn wij actueel. Niemand kan dan zeggen dat ik in 't afgetrokkene spreek.
Prof. dr. H. H. Kuyper en prof. J. J. v. d. Schuit stellen zich een vrije Kerk in een vrijen Staat. Ja, dan hebben wij alle vrije Kerken in een vrijen Staat. De zaak is dus opgelost. Wilt ge een Kerk stichten 't gaat heel gemakkelijk. Wij zijn wonderlijk vrij. We kunnen net zooveel Kerken stichten als wij willen. Daar is b.v. een groep van ontevredenen. Zij stichten een Kerk ! Zij maken een dominee ! Wat zijn wij vrij ! Maar 't is ironie, als 'k zoo spreek.
Wat is er bij deze vermeende vrijheid dan toch niet in orde ? Wij hebben de ware vrijheid niet.
Voetius heeft zeven graden genoemd van vrijheid, waarin een Kerk verkeeren kan.
1. De vrijheid van consciëntie, zonder dat er vrijheid is van.uitoefening. Dat wil dus hetzelfde zeggen als vervolging. Een vrijheid, die er heden in Rusland is.
2. De vrijheid van uitoefening buiten den muur der stad. Het verschil tusschen 1 en 2 is, dat bij 2 de opkomende Kerk zooveel overwinning verkreeg op den volksgeest, zooveel vrijheid dat de Overheid de oogen wat dicht moet doen.
3. De uitoefening in particuliere gebouwen. Daar hebt ge dus de huisgemeenten.
4. De Kerk mag vergaderen in openbare gebouwen, dus in een kerkgebouw. We bespeuren bij eiken graad een verdere overwinning op den volksgeest.
5. De Overheid maakt de religie tot de hare.
6. De Overheid keurt de rechtmatige vrijheid der Kerk in dogmaticis goed. Zij maakt dus de zaak van de Kerk tot de hare.
7. De Overheid beschermt de Kerk door de hoogste politieke macht.
De vrijheid, die Voetius dus voor de Kerk vraagt, is een heel andere dan wat de hedendaagsche toestand laat zien.
ledere geestelijke beweging eischt vrijheid, niet slechts om te praten. Zij heeft pas haar vrijheid, wanneer zij zich een geestelijke sfeer heeft geschapen, waarin zij heerscht. Hoe grooter de geestelijke heerschappij is op het volksleven, des te grooter is de vrijheid van zulk een geestelijke richting.
Er is geen geestelijke beweging, die dit mist.
De religie openbaart datzelfde karakter, 't Zou vreemd zijn, als de religie dat niet deed. Dan ware zij dood. Zoo kan de christelijke religie niet rusten, voordat zij een sfeer heeft geschapen van heerschappij. „Heb goeden moed. Ik heb de wereld overwonnen". Zoo sprak de Heere Jezus Christus. Het geloof overwint dan ook de wereld. De religie oefent eene gekuischte heerschappij uit. Of liever, de Heilige Geest doet het in de religie. De Heilige Geest noemt heerschappij over de volksziel.
Zoo geschiedde het dat door de reformatie heel het volksleven kwam onder die heerschappij. Deze laatste kreeg haar volle beslag. Zoo werd de reformatorische Kerk gegrond. Zoo leefden Kerk en Staat dicht bij elkaar, 't Was één medaille, met de Kerk aan de eene zijde en de Staat aan de andere zijde. In 't formeele waren zij onderscheiden. In de practijk was dat anders. De heele Kerk was Staat. Het volle volk was Kerk. Toen is de ketterdood verheerlijkt, 't Waren twee cirkels die op elkander pasten. De ketter die er buiten, kwam, werd door die twee doodgedrukt. De ketter staat buiten de Kerk. Mag nu de Overheid iemand dooden, omdat hij ketter is ? Hij staat toch op het terrein van de Overheid, waar de Overheid geheel alleen baas is. Mag nu die Overheid om Gods wil dien ketter dooden ? De doodstraf was er toch, in Gods Woord, voor den schender van den Sabbat, voor den vloeker Dergelijke vragen waren er tóén aan de orde van den dag. Maar wij, in onzen hedendaagschen toestand, kunnen ons met die vragen niet bezig houden. Wij hebben die reformatorische Kerk niet.
Wij moeten de Kerk gaan zoeken. Waar is de Kerk ? Er zijn menschen, die meenen dat zij de Kerk hebben. In het feit, dat iemand lid is van de Hervormde Kerk, ligt, dat hij daar de ware Kerk ziet. Zoo ook, als iemand lid .is van de Gereformeerde Kerken, spreekt het vanzelf dat hij daarin de ware Kerk ziet. Omdat er echter zooveel ware Kerken zijn, is er geen ware. Omdat alle Kerken vrij zijn, is er geen eene vrij. Er is geen Kerk vrij. Dat kunt ge op het politieke terrein zien. ledere kerkelijke groep zoekt naar die vrijheid, die Voetius op het oog had.Wat doet ds. Lingbeek anders ? ledere kerkelijke groep eischt voor haar zelf de Voetiaansche vrijheid op. Wat doet ds. Kersten anders dan de pretentie hebben dat zijn Kerk de ware Kerk is ? Nu, heden wil hij de zevende graad (zie hierboven) hebben. Hij vergeet, dat hij een paar trappen overslaat. Zijn kerkelijk leven is niet vrij.
De Christelijk Historische Partij heeft zich steeds aangediend als de bewaakster der Hervormde Kerk. Er zijn menschen, die van de prediking van Christelijk Historische predikanten niets moeten. hebben en die toch in de politiek zich door hen laten leiden. Die partij is kerkistisch. Zij zoekt de Voetiaansche vrijheid voor de Hervormde Kerk te verkrijgen en vergeet dat de Kerk zich niet als één lichaam openbaart.
De Antirevolutionaire Partij is niet kerkistisch. Zij heeft achter zich de nationale Kerk. D.i. het volk, dat de oude nationale belijdenis vasthoudt. De nationale Kerk is de Kerk, die Voetius zich voorstelde. D.i. het Gereformeerde volk. Krachtens de belijdenis is dat volk de Kerk, de gedesorganiseerde Kerk, in drie of meer stukken uiteenliggend.
Die Kerk, dié nationale Kerk, die in vele stukken in ons volk uiteen ligt, moet naar hare vrijheid toe. Als zij leeft — en wie is er die dit durft tegen te spreken ? — streeft zij naar hare heerschappij.
Die nationale Kerk.is gedurende meer dan honderd jaren aan het worstelen om zich op te heffen uit het stof, om een hoogere plaats te verwerven. De vrijheid die zij thans heeft, is de derde trap, wilt ge, de vierde trap van Voetius. Daar bevinden wij ons op. Wij zijn niet. zóó ver, dat de Overheid de religie van die Kerk tot de hare heeft gemaakt. Tusschen den 3den en 4den.graad bewegen wij ons.
Wij hebben nu de Kerk gevonden. Die Kerk is ons niet onzichtbaar gebleven.
Die Kerk leeft in zonde. Hoe komt die nationale Kerk weer tot haar gestalte ? Hoe komt zij tot hare vrijheid, tot hare heerschappij? Wij kunnen de geschiedenis, waar door die nationale Kerk gedesorganiseerd is en in zonde is gaan leven, niet ongedaan maken. Wat stellen wij ons nu voor? Er moet een groote verandering plaats vinden. Er moeten offers gebracht.
Dan moet men niet doen zooals prof. Van der Schuit in zijn referaat zeide. Daar lees ik op blz. 26 : „De reformatie der 16e eeuw staat hierin achter bij de reformatie van 1834" enz. Hoe kan men nu toch zeggen, dat er in 1834 een reformatie neeft plaats gehad? De Christelijke Gereformeerde broeders verbeelden zich dus dat zij de reformatorische Kerk hebben. De ware reformatie is de wedergeboorte van de Kerk zelf. En nu gaat prof. Van der Schuit zeggen dat dit in 1834 heeft plaats gevonden ! Natuurlijk behoort wat, er geschiedde in 1834 ook bij het zoeken der nationale belijdende Kerk naar haar vrijheid. Ik zie, dit in verband met alles dat er geschied is. De „Christelijke Gereformeerde Kerk", is een stuk van de nationale Kerk, de reformiitorische Kerk, die in desorganisatie leeft.
Ook de Gereformeerde Bond is daarvan een stuk. De Gereformeerde Borid heeft heel wat in beweging gebracht, heeft zeer veel bijgedragen aan het worstelen der reformatorische Kerk om zich haar geestelijke heerschappij te veroveren.
De menschen strijden in onze dagen wel over Artikel 36. Maar in werkelijkheid is dat veelgenoemde artikel niet actueel. Wij hebben nog niet den 7en trap. Eerst dan zou het actueel zijn. Wij kunnen dé Kerk in den Staat niet aanwijzen. Wat geeft dan al dat strijden over Artikel 36? Onze Gereformeerde Vaderen hebben over dit artikel niet getwist. Zij pasten, het toe naar omstandigheden. Wij zouden bijna wenschen dat zij er meer over , getwist hadden. Zij hadden ons dan ook meer ingelicht. Nu vinden wij over Artikel 36 heel weinig bij hen.
Hét actueele punt is : Hoe komt die nationale Kerk tot openbaring ? Zóó, dat in ons volksleven daar weer de eene Kerk staat? Opdat zij hare. geestelijke heerschappij uitoefene.
Door een offerte brengen. Wie moet dat offer brengen ? Ieder, die er bij hoort. Het offer van zijn kerkistisch zieltje. Dat is een zwaar offer. Dat kost heel wat.
De eerste taak van het Gereformeerde volk ligt hierin, dat het. zich vergadere. De offers moeten gebracht om al die geschilpunten te laten varen, die steeds de verschillende stukken der nationale Kerk tegen elkander jagen, 't Zijn zware offers, welke allèen de liefde van Christus vermag te brengen. Wij moeten leeren leven uit den geest der broederschap. De offers zijn o.m. de leer der veronderstelde wedergeboorte, het houden van Generale Synoden, enz. Er moet een nationale Synode gehouden worden van de nationale Kerk, die daar verbroken ligt.
'k Zie tot mijn schrik; dat ik moet eindigen. En nog heb ik niets gezegd van den Staat. Het onderwerp wordt in een geschrift uitgewerkt, dat in druk zal verschijnen, dat komt dus wel terecht.
Toch wil ik nog even de vraag stellen : Hoever gaat de macht van de Overheid over de Kerk ? De Overheid heeft recht circa sacra (over geestelijke dingen, over de dingen van de Kerk). De Remonstranten zeiden : de Overheid heeft niets met de Kerk te maken. Voetius antwoordde hun : „zooiets kan alleen geschieden in het rijk van de maan". Voetius gaat heel ver met die , , circa sacra". Dè Overheid mag volgens Voetius wel de decreten der Synode het volk opleggen. Hoe is daar, zoo vragen wij, dan vrijheid "van consciëntie ?
't Is waar, ten slotte moet de Overheid toch ook ontvangen van de Kerk. Er is altijd een ontvangen van de Kerk. Daarom is Voetius' standpunt niet geheel en al te verwerpen. De Overheid moest in de consciëntie overtuigd zijn van de waarheid. En eerst daarna kwam de uitvoering.
't Zou wel eens gebeuren kunnen, dat er een Overheid is, die zelfstandigheid had en die in de consciëntie overtuigd was : de nationale Kerk, - dat Gereformeerde volk, leeft in zonde, omdat zij niet die bepaalde Kerkorde aanneemt. Als gevolg daarvan. van die gewetensovertuiging, roept zij nu de verdeelde Kerken tot de orde. Wat zouden wij daarvan zeggen ? 't Is te hopen, dat het Gereformeerde volk zelf de hand aan den ploeg slaat en zich bekeert tot den levenden God. Christus heeft voor de éénheid van de Kerk gebeden in den nacht, waarin Hij verraden werd : , , opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in mij, en ik in U, dat ook zij in ons één zijn, opdat de wereld geloove dat Gij mij gezonden hebt".
De Voorzitter geeft nu de gelegenheid om vragen te stellen, of op-of aanmerkingen te maken.
De heer Haanschoten (van Haarlem) zegt : Ik ben geen theoloog, maar ik zou toch wel aan den referent willen vragen of wat hij gezegd heeft van de sfeer van vrijheid en heerschappij, die zich de Kerk verovere, niet in strijd is met hetgeen, de Heiland zeide : „Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld".
Ds. Prins (van Neerlangbroek) vraagt: Gelooft dr. Severijn, dat die nationale Kerk zich nog eens in Nederland zal openbaren ? Zullen onze oogen dat nog eens aanschouwen ?
Ds. Van Binsbergen (van Muiden) zegt : De geachte referent heeft ons gezegd dat Artikel 36 niet actueel is. Waren de opstellers van dat artikel niet doortrokken van den Roomschen zuurdeesem ? Of acht dr. Severijn dat artikel zuiver Gereformeerd ? Verder : Maakt zich de referent het kerkelijk vraagstuk niet te gemakkelijk? De menschen, die niet van Gereformeerde belijdenis zijn, nemen toch ook hun plaats in in de Kerk. Moeten de uitverkorenen Gereformeerd zijn ?
De Voorzitter heeft aan den referent twee dingen te vragen, n.l. : Als de Overheid naar haar consciëntie ging zeggen : „De Kerk leeft in zonde. Zij moet zich reformeeren", zou dr. Severijn dit blij begroeten ? Is die consciëntie dan autonoom? In de tweede plaats : Heeft de Gereformeerde Kerk geen recht in Synode saam te komen ? Er is wel eens gezegd : Na de Dordtsche Synode van 1618 en '19 is er geen Synode meer geweest, zoodat de notulen nog altijd wachten om voorgelezen te worden in de eerste, wettige Synode. Wat denkt de referent daarvan ?
Dr. Severijn beantwoordt de gestelde vragen ongeveer aldus :
Wat betreft de vraag van den heer Haanschoten, ja, de Heiland zeide : „Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld". Maar de Christelijke religie pakt ook het gansche volksleven niet aan, als zij zich in hare heerschappij wil openbaren, 'k Sprak van den invloed, die er van de religie uitgaat op den volksgeest.
Aan ds. Prins antwoord ik : De Waarheid zal zegevieren. Wanneer de nationale Kerk zich zal openbaren, weet ik niet. Op Gods tijd zal het geschieden. De nationale Kerk draagt de geschiedenis in zich. Die geschiedenis zal niet ongedaan gemaakt kunnen worden. De litteekenen o.a. van 1834 en 1886 zullen er altijd blijven. Maar 't betaamt ons niet moedeloos te zijn, als wij niet deden wat op onzen weg ligt om de openbaring van de reformatorische Kerk te zoeken. God werkt nog in ons Vaderland. Zijn Geest is nog niet geweken. Hij is nog wat van plan. Wij moeten doen wat in deze zaak onze roeping is. 't Moet ons om toenadering tot elkander te doen zijn.
Wat ds. Van Binsbergen vraagt, ligt eigenlijk buiten m'n onderwerp. Hij legt mij een gewetensvraag voor. Hij wil mij eens aan den tand voelen. Is Artikel 36 Roomsch of Gereformeerd ? Toen daar de reformatorische Kerk was, leefden Kerk en Staat dicht bij elkander. Uit die omstandigheden is ook Artikel 36 opgekomen. V/at is Gereformeerd ? Wie zal dat zeggen ? Is , : Gereformeerd" iets absoluuts ? Artikel 36 is Gereformeerd, zooals onze Vaderen gereformeerd waren. Is de Overheid door God bevolen het Woord te prediken ? Neen. Als Artikel 36 dit bedoelt, dan is het niet Schriftuurlijk. Als dat artikel zegt : „desnoods met het zwaard", en dit ook .gelden zou met het oog op de ketters, en de ketters gelijk zouden staan met de godslasteraars, dan moge het artikel Gereformeerd zijn voor den tijd der Vaderen, Schriftuurlijk is het niet.
Moeten de uitverkorenen Gereformeerd zijn ? „Gereformeerd" is geen norm. 't Is niet absoluut. Wij gelooven In de absolute kracht van Gods Woord. Men is in onze dagen het Woord kwijt. Als de menschen naar het Woord leefden, zouden zij alles uit het Woord afleiden. Wij moeten vragen : Is een kind des Heeren naar 't Woord. Dit laatste is een betere toetssteen. Het woord „Gereformeerd" wijst ons heen naar de Heilige Schrift.
De pluriformiteit der Kerk moet ik toegeven op grond van de historie, op grond van de practijk. De Kerken worden op Gods tijd emeritae (uitgediend, rustend). Maar die Kerken, die emeritae werden, blijven nog altijd fundamenten van hetgeen God heeft gedaan. Maar er is geen pluriformiteit der Kerk op grond van dezelfde belijdenis. Zulk eene pluriformiteit kan niet door den beugel.
Den Voorzitter antwoord ik : Neen, , 'k zou er mij niet over verblijden, als er een Overheid was die zich in haar consciëntie gedrongen gevoelde de Kerk tot de orde te roepen. De Overheid, zoo wilde ik zeggen, heeft rechten circa sacra. Dat recht heeft zij ook. Maar laat de Kerk dat voorkomen. Zelf, uit eigen beweging neme zij haar zaak ter hand.
De Gereformeerde Kerk heeft zeker recht in een Synode te vergaderen, 'k Zeide, dat er offers gebracht moeten worden, als de Kerk zich als de reformatorische Kerk zaf kunnen openbaren. Er zijn wel generale Synoden van de Gereformeerde Kerken. Maar een nationale Synode is er niet. Zij kunnen de pretentie niet hiervan hebben. En zoo Is het volkomen waar, dat de notulen van de Dordtsche Synode in de komende nationale Synode zullen moeten worden voorgelezen.
Prof. dr. H. Visscher vraagt nog het woord. Z.H.Gel. zeide : 'k Had geen plan mij in de discussie te mengen. Het antwoord, dat de geachte referent gaf aan ds. Van Binsbergen, noopt er mij toe. Dat Artikel 36 niet Schriftuurlijk zou zijn, is voor mij een punt van hoogst ernstige bedenking. Wij hebben daar te doen met de belijdenis van onze Vaderen. Die belijdenis is uit de gevangenis geboren. Is Artikel 36 naar Gods Woord ? Ik zeg : conform den Woorde Gods. Vast blijft staan, dat de Staat is Gods dienaresse. Het kan geschieden dat er omstandigheden zijn die de Overheid dringen te doen zooals Artikel 36 zegt. Wat betreft de prediking van het Evangelie heeft wel degelijk de Staat de voorwaarden te scheppen dat het Evangelie gepredikt kan worden.
Dr. Severijn verheugt zich dat hij nog de gelegenheid heeft een misverstand weg te nemen. Toen ik over Artikel 36 sprak in m'n antwoord aan ds. Van Binsbergen, heb ik veronderstellend gesproken. Als de Vaderen in dat artikel zouden bedoeld hebben, dat aan de Overheid door God bevolen is het Evangelie te prediken, en a1s zij den ketterdood bedoeld hadden, desnoods met het zwaard, dan ware Artikel 36 niet Schriftuuriijk. Het doet mij leed, dat prof. Visscher. mij verdacht dat ik Artikel 36, zooals het daar ligt, niet zou achten te zijn conform den Woorde Gods. Ik heb hypothetisch gesproken.
De Voorzitter neemt .—. 't is al over half twee geworden — nu nog het woord, om dr. J. Severijn hartelijk dank te zeggen voor het houden van zijn referaat. Op eene hem eigene wijze heeft de referent ons bij veel dingen bepaald en ons rondgeleid in hetgeen hij ons tot een gids was. Wij hadden van verschillende dingen verwacht er iets van te hooren en wij hebben er niets van gehoord, en wij hebben veel gehoord wat wij niet hadden verwacht.
't Zou ons een groot genoegen doen als dr. Severijn zijn referaat in druk wilde uitgeven. (Applaus uit de vergadering).
Dr. Severijn antwoordde, dat hij het dan eerst nog gaarne zou bewerken, daar hij slechts "van punten af" gesproken heeft.
Nadat dr. Severijn was voorgegaan in dankzegging, sloot de Voorzitter de vergadering.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's