De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

De eerste Paaschpreek

15 minuten leestijd

De dood is verslonden tot overwinning. Dat is de blijde jubel die ook op dezen Paaschdag weer vernomen wordt in zooveel duizenden tempelkoren van Gods strijdende Kerk.
De dood ! Kent gij een vijand die machtiger, kent ge een vijand die wreeder, kent ge een vijand die gevaarlijker is dan de dood ?
Neen, machtiger vijand is niet denkbaar. Immers gij hebt het al zoo dikwijls gezien in anderen, en straks zult ge 't ook zelf ondervinden, dat, als de dood macht over ons heeft, er dan aan zijn machtigen greep geen ontkomen mogelijk is. Al waart ge dan zoo sterk als Simson, al waart ge zoo rijk en zoo wijs als Salomo, tegen den dood blijken nu eenmaal onder ons, menschen, geen kruiden te wassen.
Wij hebben in dien strijd geen geweer. Neen, wreeder vijand is ook niet denkbaar. Ook dat hebt ge misschien wel eens ondervonden, als de dood zijn koude hand legde op het warme hart van uw vader, van uw moeder, van uw man, van uw vrouw, van uw kind. Dan stoorde de dood zich niet aan uw tranen of aan uw gebeden, en zoo zal hij zich straks ook niet storen aan de wanhoopskreten uwer dierbaren, als de tijd daar is dat ook uw levenslamp zal worden uitgebluscht.
Maar gevaarlijker vijand is ook niet denkbaar. Immers die machtige, wreede dood blijkt ook zoo verraderlijk te zijn. Als gij denkt dat hij nabij is, dan is hij soms nog verre, maar ook als gij meent dat hij verre is, dan staat hij soms vlak voor uw deur. Eer gij er aan denkt heeft hij u bij de keel gegrepen en dan blijkt soms in een ondeelbaar oogenblik de kruik aan uw springader door hem gebroken te zijn.
En ziet, die dood nu, die machtige, die wreede, die gevaarlijke dood heeft aan den morgen van den grooten Paaschdag de nederlaag geleden. Die dood is overwonnen, is verslonden tot overwinning. Die dood heeft het moeten afleggen, hij is verslagen, niet m.aar ten deele, maar geheel verslagen. Door Wien ? Neen, niet door Abraham, niet door Izaak, niet door Jacob, niet door Petrus, niet door Johannes, niet door Jacobus, niet door één van Gods kinderen, maar door den Zone Gods, die hier op aarde Zoon des menschen was geworden.
Die dood is overwonnen door Christus Triumfator, door Christus Consolator, door Christus Remunerator.
Is die dood ook overwonnen voor u ?
Dat hangt hiervan af of er ook een band van gemeenschap is tusschen u en dezen Christus ; of er ook een band is van waarachtig geloof, vaste hoop en vurige liefde, waardoor gij u aan Hem verbonden gevoelt.
Is die band er? Dan alleen kunt ge Paaschfeest vieren. Dan alleen kunt ge een Paaschlied zingen. Dan alléén kunt ge Paaschvreugde smaken. Dan alleen zal uw belijdenis een ware belijdenis, een Paaschbelijdenis zijn. Dan alleen zal onze Paaschtekst, ontleend aan de eerste Paaschpreek, ook op u van toepassing zijn.
Dien Paaschtekst vindt ge
Matth. 28 vers 5b : »V.reest gijlieden niet want ik weet dat gij zoekt Jezus, die gekruisigd was«.
Onze tekst verplaatst ons in den geest in den hof der opstanding. Waar zouden we op den Paaschmorgen ook beter kunnen toeven dan daar ? Daar immers in dien hof van Jozef van Arimathea is het Paaschwonder geschied. Daar is de Paaschengel gezien, daar is het Paaschlied gezongen, daar is het Paaschevangelie verkondigd, daar heeft ons Pascha, dat voor ons geslacht werd, .zich in de kracht Zijner opstanding geopenbaard.
Naar dien hof wil de gemeente des Heeren dan ook op den Paaschmorgen gaarne heengeleid worden.
Tegenover dien hof kan een tweeledige houding worden aangenomen. Gij kunt er met een onweerstaanbaar verlangen heengetrokken worden, maar gij kunt er ook met een onweerstaanbaren drang van wegvluchten. Dit laatste hebben de wachters gedaan, die het graf van den Heiland bewaakt hadden. Zoodra zij den aardschok hebben gevoeld, zoodra zij het verblindend licht van die bliksemende gedaante hebben aanschouwd, zoodra zij gezien hebben dat de steen van de deur des grafs gewenteld werd, zijn ze den hof uitgerend. En ze zijn niet eer tot rust gekomen voor ze binnen de muren van Jeruzalem gekomen waren. Daar hebben zij toen aan hun lastgevers verslag uitgebracht van wat zij bij die geheimzinnige spelonk hadden beleefd. En daar zijn zij toen de eerste apostelen van het ongeloof geworden die onder den invloed van een handvol geld de leugen verspreid hebben, die door de wereld onzer dagen nog zoo graag wordt geloofd : Zijne discipelen zijn des nachts gekomen en hebben Hem gestolen als wij sliepen.
Nu zijn deze wachters het beeld van zoo velen ook nog in onzen tegenwoordigen tijd. Hoevelen zijn er immers ook nu nog, die, evenals zij, in de onmiddellijke omgeving van het Paaschwonder verkeeren, die er de prediking van hooren, die er het verhaal nauwkeurig van kennen en die toch veel liever van den hof der opstanding weg wMlen dan er naar toe, die toch niet gelooven dat Jezus ook hun dood tot overwinning verslond. Ja deze wachters zijn ons het bewijs dat zelfs door het aanschouwen van een wonder het geloof in den levenden Christus niet in onze zielen gewekt wordt. God beware er ons voor, dat ook ons beeld in deze ongeloovige en daarom wegvluchtende wachters geteekend zou staan. Maar tegenover de wachters die van het graf weggaan, staan de vrouwen, die naar het graf toe gaan. Deze vrouwen waren Maria Magdalena, en Maria, de vrouw van Clopas, de moeder van Jacobus. Maar volgens de andere evangelisten waren zij ook vergezeld door Salome, de huisvrouw van Zebedeüs, alsmede door Johanna, die de vrouw van Chusas, den rentmeester van Herodes was. Deze laatste was blijkbaar een der weinige aanzienlijken die Jezus volgden en die Hem voor Zijn dood ook uit hare goederen hadden gediend. Vrouwen dus van verschillenden naam, met een verschillend verleden, uit een verschillenden stand, vrouwen zeker ook met een verschillend karakter, maar die, waarin zij ook mochten verschillen, één waren in liefde tot Jezus en daarom ook één waren in drang naar het graf.
Beladen met haar specerijen, die tegen duren prijs waren gekocht, hebben zij weldra den hof van Jozef bereikt. En als zij dan aan het graf komen, en de vrees voor alles wat zij daar zien en hooren haar overvalt, dan ruischt het haar tegen uit den mond van den Paaschengel : »Vreest gijlieden niet, want ik weet dat gij zoekt Jezus, die gekruisigd was«.
Aan de hand van dit woord gaan we achtereenvolgens uwe aandacht bepalen
1e. bij de vreeze der vrouwen
2e. bij het zoeken der vrouwen, en bijzonder met het oog op hen (haar) door wien straks in ons midden de Naam des Heeren beleden zal worden, willen we dan vragen :
3e. is die vreeze der vrouwen ook onze vreeze ?
4e. is dat zoeken der vrouwen ook ons zoeken ?
Vreest gijlieden niet. Dat de engel dat woord tot de vrouwen richtte, was een bewijs dat zij vreesden. Vreeze op den Paasch morgen, vreeze bij het geopende graf, vreeze bij den afgewentelden steen. Neen, die vreeze behoefde er eigenlijk niet te zijn, die vreeze mocht er eigenlijk niet wezen. Integendeel, in plaats van reden om te vreezen was er, om wat er aan den morgen van dezen eersten dag der week geschied was, veeleer reden om blijde te zijn. Daar was veeleer reden om een loflied, dan om een klaaglied te zingen. Als de vrouwen maar recht geweten hadden welk een groot wonder hier plaats had gehad, dan zou het van haar lippen door den hof van Jozef geklonken hebben :
Looft, looft verheugd den Heer der heeren, Aanbidt Zijn Naam en wilt Hem eeren. Doet Zijne glorierijke dan alom den volkeren verstaan. En spreekt met aandacht en ontzag Van Zijne wond'ren dag aan dag.
Maar nu waren hare harten in plaats van met vreugde, met vreeze vervuld. Toch was deze vreeze der vrouwen een heel andere vrees dan de vreeze der wachters. Daar is aan den morgen van den grooten Paaschdag tweeërlei vreeze geweest. De vreeze van de wachters had hen van het ledige graf van Jezus doen wegvluchten. Tot hen heeft de engel dan ook niet gezegd dat zij niet behoefden te vreezen. Integendeel, juist in dat : »Vreest gijlieden niet«, ligt opgesloten dat er menschen waren, voor wie er wèl reden was om te vreezen. En tot zulke menschen behoorden ook de wachters. Toen de aarde was gaan beven, toen de steen was afgewenteld, toen de engel in de gedaante van een bliksem zich op den afgewentelden steen had neergezet, was er voor de wachters alle reden geweest om te vreezen, alle reden geweest om te schrikken, alle reden geweest om als dooden te worden. Die bevende aarde en die afgewentelde steen en die sneeuwwit gekleede engel waren voor hen symbolen van Gods almacht, van Gods majesteit en van Gods heerlijkheid. En die almacht des Heeren hadden zij getart, en die majesteit des Heeren hadden zij geschonden, en die heerlijkheid des Heeren hadden zij aangetast. Was het wonder dat zij ontsteld waren, was het wonder dat zij van schrik wegvluchtten toen 't lied van den dichter van Psafm 68 zijn vervulling vond :
De Heer zal opstaan tot den strijd, Hij zal Zijn haters wijd en zijd, Verjaagd, verstrooid doen zuchten ?
Neen, tot de wachters kon niet gezegd worden : Vreest gijlieden niet. Veeleer zou de engel, als hij, iets tot hen gezegd had, gesproken hebben : Vreest gijlieden wèl, want gij hebt te doen met een God, die den schuldige geenszins onschuldig houdt, die den toorn Zijnen vijanden behoudt, die een verterend vuur voor alle werkers der ongerechtigheid is. Maar van heel anderen aard dan de vreeze der wachters, bleek de vreeze der vrouwen te zijn. immers dat was al een wonder, dat de vreeze der vrouwen haar niet van het graf wegdreef, maar naar nog des te dichter naar het graf toe dreef. Vindt ge dat niet een wonderlijke vreeze ? Niet waar, in den regel zult ge iemand, dien gij vreest, ontvlieden, althans trachten te ontvlieden. Maar de vreeze der vrouwen, die gemengd was met zooveel smart over het gemis van Jezus, had haar juist in den hof van Jozef gebracht. En ook wat zij daar gezien hadden, die afgewentelde steen en die neergedaalde engel, het heeft in haar wel een gevoel van ontsteltenis gewekt, 't heeft haar wel bezield met een heilige vrees voor Gods heerlijke majesteit, maar het is een vrees die haar onder de vleugelen van die Majesteit doet schuilen.In plaats van te vluchten van het graf, komen zij door haar vrees hoe langer hoe dichter bij het graf. De vrees maakt haar des te begeeriger om te weten wat het beteekent, dat de steen werd afgewenteld en dat de engel was neergedaald.
De vrouwen vreezen, maar toch willen zij van datgene waarvoor zij vreezen, niet weg. En nu komt de engel en zegt : Vreest gijlieden niet. Zou er werkelijk geen reden zijn om te vreezen voor de ontzaglijke dingen die hier door een wezen uit hooger gewesten verricht waren? Ach neen, als de vrouwen maar indachtig geweest waren aan de woorden van Jezus, als de vrouwen maar geloofd hadden dat ongelooflijke en toch zoo geloofwaardige woord dat de Heiland haar van Zijn opstanding gezegd had, als de vrouwen zich maar herinnerd hadden dat woord aangaande Jona, met wien haar Meester zichzelven vergeleken had, dan zouden zij, o zeker nog wel met een diep ontzag voor wat hier plaats had, bezield zijn .geweest, maar dan zouden ze niet gevreesd hebben, dan zouden ze niet bang geweest zijn voor dat ledige graf, niet bang geweest zijn voor dien afgewentelden steen, niet bang geweest zijn voor het witte kleed van dien engel. Integendeel, dan zou daar in plaats van vreeze blijdschap in haar harten zijn geweest. Dan zou daar in 't diepst harer zielen iets geruischt hebben van dat :
Juich aarde, juich alom den Heer : Dient God met blijdschap, geeft Hem eer. Komt nadert voor Zijn aangezicht. Zingt Hem een vroolijk lofgedicht.
De vreeze der vrouwen was dus een vrucht van haar ongeloof, een vrucht van het niet aanvaarden van de belofte des Heeren. De vrees dezer vrouwen bleek dus heelemaal niet noodig te zijn. En waarom niet? De engel heeft 'haar op die vraag redegevend geantwoord : »Want ik weet dat gij zoekt Jezus, die gekruisigd was«. En hiermee zijn we vanzelf genaderd aan het zoeken der vrouwen.
De vrouwen zochten. Dat was een bewijs dat zij iets kwijt waren, dat zij iets verloren hadden, iets dat zij niet konden missen. Niet waar, naar iets dat we heel goed kunnen missen, zoeken we niet. We zoeken alleen naar datgene, naar hem of naar haar, wier gemis ons ter harte gaat. Welnu, zoo was het ook met de vrouwen in den Opstandingshof. Zij zochten naar Eén dien ze niet konden missen, naar Hem die haar boven alles dierbaar was. Zij zochten naar Jezus, zij, zochten naar haar Liefste, die blank was en rood, die de banier droeg boven tienduizend. Wiens hoofd was van 't fijnste goud, Wiens gestalte was als de Libanon, uitverkoren als de cederen, Wiens gehemelte enkel zoetigheid en aan Wien alles gansch begeerlijk was.
De vrouwen zochten naar Jezus, ja maar naar een Jezus, die gekruisigd was. Zulk een Jezus hadden deze vrouwen juist noodig, een Jezus, die niet alleen het kruis had gedragen, maar die voor haar ook aan dat kruis geklonken was.
Een Jezus die gekruisigd was. Dat was een Jezus die voor Zijn vijanden gebeden had : »Vader, vergeef hét hun, want zij weten niet wat zij doen«.
Een Jezus die gekruisigd was. Dat was een Jezus die met teeder erbarmen over Zijn hulpelooze moeder bewogen was. »Vrouw, zie uw zoon, zoon, zie uw moeder«.
Een Jezus die gekruisigd was. Dat was een Jezus die naar de stem van een moordenaar had geluisterd en die aan dezen grooten zondaar ter elfder ure nog een toegang had beloofd in het huis des Vaders, waar vele woningen zijn. »Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn«.
Een Jezus die gekruisigd was. Dat was een Jezus die voor Zijn volk tot zonde was gemaakt en die daarom aan dat kruis zelfs van Zijn Vader verlaten was. »Eli, Eli, lama Sabachtani«.
Een Jezus die gekruisigd was. Dat was een Jezus aan Wien in de hevigste smarten zelfs een druppel water geweigerd was. »Mij dorst«.
Een Jezus die gekruisigd was. Dat was een Jezus die tot in de kleinste bijzonderheden voleind had het werk dat de Vader Hem te doen had gegeven en dat Hij .vrijwillig op zich nam. »Het is volbracht.
Een Jezus die gekruisigd was. Dat was een Jezus die Zijn leven had afgelegd, die Zijn ziel uitgestort had in den dood en die dat gedaan had met het hoofd naar beneden, maar met het hart naar boven. »Vader, in Uwe handen beveel Ik Mijnen Geest«.
Naar zulk een Jezus, die aan het kruis had gebeden, die zich aan het kruis had ontfermd, die aan het kruis had vergeven, die aan het kruis had geleden, die aan het kruis had geklaagd, die aan het kruis had gearbeid, en die ten slotte aan het kruis gestorven was, naar zulk een Jezus zochten de vrouwen. En dat zij dat deden, dat wist deze engel. Ik weet dat gij zoekt Jezus, die gekruisigd was. Hoe wist hij dat dan ? Wel, ik zou zeggen, dat had hij gehoord in den hemel, dat had God Zelf hem gezegd dat hij daar in dien hof vrouwen zou vinden wie het te doen was om een Zaligmaker, die het kruis, die dus den vloek had gedragen en die door het dragen van dien vloek den zegen verwierf.
Ik weet. Daar blijkt uit, dat de engelen meer weten dan wij. Dat is ook daarmee in overeenstemming, dat God eenmaal de engelen zal uitzenden om Zijn uitverkorenen te vergaderen. Maar immers als de engelen dat doen zullen, dan moeten zij ook weten wie de uitverkorenen zijn. Neen, wij menschen weten dat niet. Wij kunnen van anderen nooit met absolute zekerheid uitmaken of het hun waarlijk te doen is om een Jezus die gekruisigd was. Maar de engelen weten dat blijkbaar wel. Althans deze engel wist het van de vrouwen dat het haar te doen was om een gekruisten Jezus.
Zeker, het geloof waarmee zij Hem zochten was een zwak geloof, was een geloof dat weinig dacht aan het woord dat Hij had gesproken, was een geloof dat weinig omvatte van de heerlijkheid die van Hem afstraalde. Maar het was toch een geloof dat werkzaam was in een vurige en blijvende liefde, dat werkzaam was in eer. vaste hoop en in trouwe aanhankelijkheid. Zij zochten Jezus, den Gekruiste, vreesden dus niet om deel te hebben aan de smaadheid die Hij had gedragen, schaamden zich niet om met Hem gerekend te worden. Integendeel. Juist de gekruiste Jezus was dezen vrouwen boven alles dienaar geworden. En ziet, dat was nu de reden dat de engel 't haar had mogen toeroepen : Vreest gijlieden niet. Immers wie zoekt die vindt. Wie een gekruisten Jezus zoekt, zal een gekroonden Jezus vinden. Wie een gevloekten Heiland zoekt, zal een gezegenden Heiland vinden. Wie een dooden Verlosser zoekt, zal een levenden Verlosser vinden.
En daarom gelukkig als ook ons leven de kenmerken draagt van dat zoeken naar een Jezus die gekruisigd was.
Gelukkig als het niet op aarde, maar in den hemel van ons bekend is, als niet de menschen, maar als de engelen het weten dat wij behooren tot het zoekende volk. Dan mogen wij het ook elkaar vanmorgen toeroepen :
Gij die God zoekt, in al uw zielsverdriet, 'Houd aan, grijp moed, uw hart zal vroolijk leven Nooddruftigen, veracht Zijn goedheid niet; Nooit zal Hij Zijn gevangenen begeven.

(Slot volgt).

V.

J.


) Predikatie, gehouden op Zondagmorgen 20 April 1930 in de Oude Kerk te Veenendaal, bij het afleggen van openlbare belijdenis des geloofs.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 april 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 april 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's