KERKELIJKE RONDSCHOUW
De Kerk. (4)
Een bizondere plaats had Gods Kerk onder Israël, naar den rijkdom Zijner barmhartigheden. Aan Mozes heeft de Heere Zijne woorden bekend gemaakt, aan de kinderen Israels Zijne dagen — zooals Hij aan geen volk gedaan heeft ! En zoo bloeide de religie en zoo tierde de Kerkedienst. Maar bizonder ook heeft het volk des Verbonds in Kerk en Staat gezondigd. Roekeloos heeft Israël gehandeld met het heiligdom des Heeren eigen zondelust stellend tegenover en boven Gods ordinantien. En toen heeft de Heere, de Heilige Israels, Zijn volk op bizondere wijze bezocht en gestraft. Zijn oordeelen zijn gekomen op onderscheldene tijden en telkens weer anders. Ballingschap is gekomen over Gods bondsvolk. In het land der heidenen zijn ze in gevangenschap opgesloten voor straf. En alleen door Gods wondere genade en trouw zijn ze bewaard, opdat ook uit hen de Christus zou worden geboren in Bethlehem. Zóó is de Nieuw-Testamentische Kerk uitgesproten, als een groene tak uit een dorre aarde.
Dan groeit en bloeit de plantinge Gods. Dan schiet de Kerk van Christus wortelen en wordt uitgeplant onder alle volkeren. Héél anders wordt zij nu geplaatst en georiënteerd dan de Oud - Testamentische Kerk, die in Kanaan in het midden van Israël rondom tabernakel en tempel gevonden werd.
Naar Gods raad, in Gods aanbiddelijke wijsheid gaat het anders nu. Daarin heeft de Heere, in Christus, lust. En terwijl de discipelen het tempelgebouw te Jeruzalem bewonderen, ziet de Heiland, met tranen in de oogen — Hij weende — dat de tempel afgebroken werd, steen na steen verworpen. Gods straffen en oordeelen zijn. vreeselijk ! Heilig is Zijn Naam !
Maar de Heiland ziet met vreugd — kruis en schande verachtend — dat de Nieuw-Testamentisbhe Kerk gebouwd wordt onder alle volkeren en in alle landen. „Predikt het Evangelie aan alle creaturen", zoo zegt Hij, die Zijn ziel gaat uitstorten in den dood. Want Hij weet het, dat Zijn Vader van alle vleesch heeft uitverkoren en die des Vaders waren als eigendom, zijn nu van Hem geworden tot bezit, en Hij worstelt en dankt, dat er niet één verloren zal gaan.
Een nieuwe gedaante gaat de Kerk des Heeren nu krijgen. Door smarten, benauwdheden, barensweeën heen wordt iets nieuws geboren. Iets groots, iets heerlijks. Universalistisch, voor alle landen en volkeren en talen, tot aan de uiterste einden der aarde, gebouwd op het fundament Jezus Christus en die gekruisigd, zijnde het fundament, in Gods eeuwigen Vrederaad gelegd.
De discipelen worden uitgezonden dan, vervuld en bekwaamd door den Heiligen Geest. En de Kerk des Heeren wordt als Kerk van Christus — Zijn eigendom. Zijn huis. Zijn kudde. Zijn volk, Zijn lichaam is 't — uitgeplant, in Jeruzalem, Antiochië, Klein-Azië, Griekenland, Rome. En de Kerk van Christus komt in Europa, gaat naar Amerika en Afrika, en de Heere rust niet vóórdat het mosterdzaad geworden is tot een boom, in welks takken de vogelen schuiling zoeken en hun nest bouwen.
In den weg van Gods Woord gaat dat alles, door Gods genade-Geest.
Want als het gaat in den weg van de prediking „des Evangelies", dan is dat, naar de uitlegging van den Heidelb. Catechismus, niets anders dan door de prediking van „Gods Woord", 't Gaat immers om een bepaald Evangelie, en wel om het Evangelie, hetwelk God Zelf eerst in het Paradijs geopenbaard heeft en daarna door de heilige Patriarchen en Profeten laten verkondigen en door de offeranden en andere ceremoniën of plechtigheden der wet laten voorbeelden of afschaduwen, en ten laatste door Zijnen eeniggeboren Zoon vervuld" (Zondag 6, vr. en antw. 19).
In den weg van het Evangelie, dat is : door de prediking des Woords — Oud-en Nieuw-Testament saam — wordt de Kerk des Heeren uitgeplant. Lees het boek de Handelingen der Apostelen maar ! Daar staat 't ontelbaar dikwijls dat „het Woord" gepredikt werd, dat , , het Evangelie van Jezus Christus" wordt gebracht, en dan is dat altijd één en hetzelfde : het Evangelie van Jezus Christus als inhoud van de Schriften, zooals Mozes, David, de Profeten, de Apostelen het hebben gebracht en nóg brengen door het Woord onzes Gods in en door hen tot ons gekomen.
Met dat Evangelie willekeurig om te springen is verboden in 's Heeren Kerk. Dat komt een mensch niet toe. Dat komt zelfs een engel uit den hemel niet toe. Zooals God Zelf het ons heeft gegeven, zóó moet het doorgegeven worden. En die het Evangelie des kruises verandert is van God ver vloekt ; die een ander fundament legt, is geen Kerkbouwer, maar Kerkverwoester. „Het Woord" moet het doen. Lees Handelingen Il vers 1 ; 12 vers 24 ; 13 vers 5 ; 13 vers 7 ; 13 vers 44 enz. enz. Zóó komt de Nieuw-Testamentische Kerk. Zóó wordt zij uitgeplant. Onlosmakelijk en heerlijk vereenigd met en levend bij het Evangelie van Jezus Christus, het Evangelie der Schriften. (Hand. 28 vers 23, 31).
De eerste Christelijke gemeente kan ons hier ten voorbeeld zijn. De oer-gemeente staat immers voor ons met het oude, oorspronkelijke geloof, niet anders wetende dan Jezus Christus en dien gekruisigd, 't Zij we de brieven van Paulus lezen, 't zij we de Evangeliën van Mattheüs, Marcus en Lukas ter hand nemen, 't zij we het vierde Evangelie opslaan, 't zij we lezen de brieven van Petrus of van Johannes of wel 't laatste bijbelboek, het boek de Openbaring, overal komt ons tegemoet, dat de oude Christelijke Kerk leefde bij het Evangelie van Jezus Christus, waarvan de hoofd inhoud is de zaligheid door het geloof in den Middelaar Gods en der menschen, gestorven om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.
't Is telkens weer: betuigende den Joden dat Jezus is de Christus (Hand. 18 vers 5 ; 28 vers 23, 31) en dat betuigen geschiedt dan naar het Woord Gods, overeenkomstig de Schriften van Mozes en de Profeten (Hand. 18 vers 11, 28 ; 28 vers 23, 31). In dien weg zal het Koninkrijk Gods komen onder de menschen.
Paulus' bede was, dat de gemeente eensgezind zou wezen, om eendrachtelijk met één mond den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus te verheerlijken (Rom. 15 vers 5—7. Maar hij wist het bij ervaring, dat er wolven — in schaapskleerén soms gehuld — zouden-binnendringen in 't midden van de gemeenten, om de Kerk van Christus te verleiden in leer en leven. Daarom is zijn bede anderzijds : „En ik bidde u, broeders, neemt acht op degenen, die tweedracht en ergernissen aanrichten tegen de leer die gij van ons geleerd hebt, en wijkt af van dezelven. Want dezulken dienen onzen Heere Jezus Christus niet, maar hunnen buik, en verleiden door schoonspreken en prijzen de harten der eeovoudigen" (Rom. 16 vers 17, 18). En in den brief aan Titus lezen we : dat de leer van God onzen Zaligmaker moet worden bewaard (2 vers 10) en dat een kettersche mensch na de eerste en twééde vermaning verworpen moet worden. (3 vers 10).
Hier hebben we al een stuk Kerkgeschiedenis belangende de eerste Christengemeenten. Satan, wereld, eigen vleesch laten niet na verwoestingen, storingen te brengen. En er komen allerlei dwalingen, afbuigende van het eenvoudig Evangelie der zaligheid in Jezus Christus. Het Judaïsme werkt als een Joodschen zuurdeesem speculeerende op den hoogmoed en de eigengerechtigheid van den mensch, die zoo gaarne wat vóór heeft op anaeren en zoo gaarne zelf wat doet tot z'n zaligheid. Het Gnosticisme komt op, als een poging om den godsdienst met de filosofie en het Christendom met het heidendom te vermengen. Het Docetisme, dat alles z.g.n. vergeestelijkt en de verschijning van Jezus Christus in het vleesch loochent ; waardoor de werkelijkheid tot schijn wordt gemaakt. Het Manicheïsme komt, dat wonderlijke leeringen, ontleend aan het Parzisme, brengt aangaande de leer van het kwade en de zonde en de verftssing, enz. De Waarheid Gods, het Evangelie der Schriften, wordt verdonkerd. Arius en Pelagius doen veel kwaad, als ze ten opzichte van de natuur des menschen en de naturen van Christus allerlei dwalingen brengen. En dan begint Rome met den bisschop der bisschoppen, die de plaats van Christus gaat innemen, den kop omhoog te steken. Ze fantaseeren Petrus' stoel te Rome, vlechten kransen om het hoofd van een mensch, die extra openbaringen krijgt, en het onbeschreven Woord van God bezit, met de buitengewone gave der onfeilbare uitlegging der Waarheid. De Paus mag het Woord Gods aanvullen en verklaren, de drager zijnde van de hoogste macht op aarde. En dan komt de verbastering over de lengte en de breedte van het godsdienstig en kerkelijk leven, zoodat de Kerk van Christus in deformatie geraakt en geheel misvormd wordt, in leer en leven.
De Kerk van Christus in deformatie
(Wordt voortgezet).
Uitbouw der Belijdenis.
Het Kerkgezang, de Liturgie (Huwelijksformulier b.v.), het Leerboek, maar ook de Uitbouw der Belijdenis heeft de volle aandacht in het midden van de Gereformeerde Kerken. De Synode van Arnhem krijgt het dezen zomer druk. Wat het resultaat zal zijn der besprekingen (het promotierecht der Theologische School te Kampen daarbij niet te vergeten), weet niemand toch. Maar belangrijk is het in elk geval. Het zijn ook dingen van de grootste beteekenis. De Deputaten die voor den Uitbouw der Belijdenis benoemd waren, hebben een concept aanvulling der Ned. Geloofsbelijdenis ingediend. Als proeve van bewerking heeft het beteekenis. Het zal wel niet nog worden vastgesteld. Maar de wijze waarop men dezen Uitbouw der Belijdenis gedacht heeft is de kennismaking waard, ook onder ons. Daarom laten we het Concept hier volgen.
Daarom laten we het Concept hier volgen. Men zou dus deze Artikelen willen bijvoegen bij de 37 Artikelen van de Ned. Geloofsbelijdenis, omdat in de Nederlandsche Confessie over deze onderwerpen niet wordt gehandeld en ze in onzen tegenwoordigen tijd toch waarlijk wel de aandacht van de Kerk, die naar het Woord leven wil, vragen.
De bedoelde Artikelen luiden dan :
PROEVE VAN UITBOUW DER BELIJDENIS.
Artikel 1.
VAN DE ALGEMEENE OPENBARING GODS.
Wij gelooven, dat God Zich aan den mensch van het begin zijner schepping heeft geopenbaard zoowel rechtstreeks in zijn hart als door de natuur en de historie. Wijl echter de mensch van zijn Maker afviel, werd dat hart verdorven, werd de natuur getroffen door Gods rechtvaardige vervloeking en geeft de geschiedenis niet alleen wijze en heerlijke daden Gods, maar ook booze werken der duisternis te aanschouwen. Ofschoon dan God Zich ook nu nog door deze algemeene openbaring aan niemand onbetuigd laat en wil, dat de mensch Hem daaruit nog eenigermate zal kennen, gelijk de heilige apostel Paulus schrijft, dat wat van God kennelijk is zelfs in de heidenen openbaar is (Rom. 1 : 19), alsmede dat de heidenen betoonen het werk der wet geschreven te hebben in hun harten (Rom. 2 : 15), zoo is nochtans deze niet genoegzaam om den gevallen mensch te leiden tot die kennis, die het eeuwige leven is.
Artikel 2.
VAN DE BIJZONDERE OPENBARING GODS.
Wij gelooven, dat God den mensch uit loutere barmhartigheid onmiddellijk na de overtreding van Zijn gebod Zijn bijzondere openbaring heeft geschonken, dat Hij het volk Israël heeft toegerust om daarvan de drager te zijn en die door Christus en-Zijn heilige apostelen heeft voltooid. In deze openbaring heeft Hij Zichzelf doen kennen als dien God, die in Zijn groote genade ons Zijn lieven Zoon Jezus Christus gegeven heeft tot verlossing van Zijn volk en tot vernieuwing Zijner schepping. Ook kan alleen bij het licht, dat Hij daardoor ontstak. Zijn algemeèhe openbaring recht verstaan worden, waarom ook de apostel bekent, dat hij niet geweten had de begeerlijklieid zonde te zijn, indien de wet niet zeide : gij zult niet begeeren (Rom. 7 : 7);
Artikel 3,
VAN DE HEILIGE SCHRIFT IN 'T GEMEEN.
Wij gelooven, dat de bijzondere openbaring Gods te rijk is dan dat zij geheel in schrift kon worden gebracht, gelijk ook het heilig Evangelie getuigt : „en er zijn nog vele andere dingen, die Jezus gedaan heeft, welke, zoo zij elk bijzonder geschreven werden, ik acht, dat ook de wereld zelf de geschreven boeken niet zou bevatten" (Joh. 21 : 25). Daaruit echter heeft de Heere in de Heilige Schrift laten opteekenen al wat Zijn Kerk tot aan het einde der dagen noodig heeft om Hem te kennen, te belijden en tot eer Zijns Naams te leven. Daarom verwerpen wij niet alleen de dwaling van hen, die leeren, dat we uit de algemeene openbaring een even rechte kennis van God kunnen verkrijgen als uit de bijzondere, maar ook van hen, die meenen, dat nog steeds bijzondere openbaring geschonken wordt buiten de H. Schrift.
Artikel 4.
VAN DE INGEVING DER HEILIGE SCHRIFT.
Wij gelooven, dat de gansche Heilige Schrift door den Geest Gods is ingegeven en dat zij niet maar in sommige, doch in al haar deelen is het onfeilbaar Woord van God. Waarom wij ook de dwaling verwerpen van hen, die zeggen, dat deze bijzondere zorg van den Heiligen Geest zich uitsluitend heeft uitgestrekt over de godsdienstige en zedelijke waarheden, welke in de Schrift zijn vervat.
Artikel 5.
VAN DE WIJZE DER INGEVING.
Wij gelooven, dat de Heilige Geest, die alleen de eigenlijke Auteur der Schrift is. Zich bij het teboekstellen van menschen heeft willen bedienen en dat Hij hen niet heeft gebruikt als doode werktuigen, maar als levende personen, onderling van elkander verschillend, waarvan ook hun geschriften de kenmerken in zich dragen. Desniettemin heeft Hij hen, ondanks de zonde, welke ook hun aankleefde, alzoo bewerkt, dat zij onwederstandelijk tot schrijven werden gedreven ; bij die dingen, welke zij hadden te onderzoeken, onfeilbaar tot de waarheid werden geleid ; voor nieuwe openbaringen, welke Hij hun deed toekomen, ten volle ontvankelijk waren en dit alles op zoodanige wijze neerschreven, dat wij hun woord moeten aanvaarden niet als eens menschen, maar als Gods Woord. Om welke oorzaak wij ook verwerpen de dwaling van hen, die de waarheid, welke zij in de Schrift meenen te vinden, gronden-op de godvruchtige eigenschappen harer schrijvers, welke ook anderen, zij het in mindere mate, bezitten, in plaats van op de geheel eenige werking, die de Heilige Geest enkel en uitsluitend ter wille van de Heilige Schrift van zich deed uitgaan.
Artikel 6.
VAN HET GEZAG DER HEILlGE SCHRIFT.
Wij gelooven, dat de Heilige Schrift als het " Woord" van onzen God een gansch bijzonder gezag heeft, waarmede geen ander gezag ter wereld is te vergelijken. Zij heeft dan ook haar geloofwaardigheid in zichzelf, terwijl de Heilige Geest als haar Auteur daaraan getuigenis geeft in onze harten. Dit volstrekt gezag geldt voor alle tijden, alle menschen en alle gebied des levens, hetzij van kennen, willen of handelen. En al is de Schrift niet gegeven om geljruikt te worden als een wetboek of als een handboek van eenige wetenschap, zoo moeten toch dè diepste beginselen der kennis aan haar worden ontleend en aan haar oordeel onvoorwaardelijk worden onderworpen. Dit gezag komt toe zoowel aan de Schrift in haar geheel als aan al haar deelen, doch alzoo, dat geen deel uit het geheel mag worden losgemaakt; anders toch zou men er toe kunnen geraken zelfs de woorden en daden der duivelen en der goddeloozen en de zondige uitspraken en gedragingen der kinderen Gods als regelen voor geloof en leven aan te nemen. Om dit alles wederstaan wij hen, die óf uitspraken van de kerk, van den staat en van de wetenschap, óf de ervaring der geloovigen, of wat ook in of buiten den mensch, stellen naast of boven het gezag der Schrift, en met name hen, die aan de wetenschap het recht toekennen om op dusgenaamde historische of andere gronden het Woord van God aan haar critiek te onderwerpen.
Artikel 7.
VAN DE DUIDELlJKHEID DER HEILIGE SCHRIFT.
Wij gelooven, dat het profetische woorü en dienovereenkomstig de gansche Heilige Schrift een licht is, dat schijnt in een duistere plaats (2 Petrus I : 19). Ja, zij is zóó duidelijk, dat wij zonder tusschenkomst van menschen door haar alleen kunnen komen tot zaligmakende kennis van God in Christus (2 Tim. 3 : 15). En bevat zij ook sommige dingen, welke zwaar zijn om te verstaan (2 Petrus 3 : 16), zoo hebben wij dagelijks den Heiligen Geest te bidden om doorgaande opening van de oogen van ons verstand, opdat wij het licht des Woords te klaarder mogen aan schouwen en al dieper mógen indringen in de verborgenheden des geloofs.
Artikel 8.
VAN DE UITLEGGING - DER HEILIGE SCHRIFT.
Wij gelooven, dat de Heilige Schrift zichzelf uitlegt, omdat de Heilige Geest, die de Schrift heeft ingegeven en ng altijd in en door haar spreekt, ons daarin Zijn zin en meening doet verstaan, gelijk de heilige Petrus zegt : „dit eerst wetende, dat geen profetie der Schrift is van eigen - uitlegging, want de profetie is voortijds niet voortgebracht door den wil eens menschen, maar de heilige menschen Gods, door den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken" (2 Petrus 1 : 20, 21). Daarom mogen wij wat ons nog duister in haar is niet anders verklaren dan naar wat ons duidelijk is en moet alle menschelijke uitlegging aan die der Schrift zelf onderworpen blijven. En wijl het God beliefd heeft ons de openbaring der Schrift te schenken in verscheidenheid van bedeeling en vorm, behoort het Oude Testament gelezen te worden in het licht van het Nieuwe, en moet het historische naar den aard der historie, het profetische naar den aard der profetie en zoo ook elk deel naar zijn bijzonderen aard worden uitgelegd, opdat alzoo ook hierin door ons erkend en geprezen worde de veelvuldige wijsheid Gods.
't Synodale stelsel oer-conservatief.
't Synodale stelsel is oer-conservatief. Dat zal misschien straks ook blijken, wanneer van de Vrijzinnigen plannen en voorstellen komen om 't Kerk-ontbindendelement te reglementeeren en de Hervormde Kerk nog verder en dan officieel te ontkerken. Om het heilig Evangelie van Jezus Christus nog meer en dan officieel te p r o-f a n e e r e n, door het j a gelijk te stellen met het neen, wat betreft de allerhoogste zaak der Kerk.
Ook dan zal het Synodale stelsel oerconservatief zijn en waarschijnlijk tegenstemmen. Tegen dit en tegen dat, tegen alles wat het hart der kwestie raakt. Laten ze maar praten — denkt het Synodale stelsel. En of de Kerk als Kerk verloren gaat, of het volk verstoken is en blijft van alle geestelijke leiding van de Kerk als Kerk, dat komt er blijkbaar minder op aan. Als het Synodale stelsel maar blijft. Als de besturen maar blijven. Als de heeren hier en daar maar hun administratie bijhouden. Of de Hervormde Kerk dan Kerk of gee n-K e r k is, dat raakt het Synodale besturenstelsel niet.
Is het niet vreeselijk ? En zullen de Christus-belijders in de Ned. Hervormde Kerk het langer dulden en dragen ?
Ja — en n e e n zeggen, dat kan die Synodale Organisatie ; ook bij de grondvragen van het kerkelijk leven. Alles in de mist. Overal durft men een oordeel uitspreken ; bij ons, in de Synode, is het altijd Ja en neen tegelijk. Laat maar waaien. De wereld redt zich zelf wel.
Zoo heeft men in Januari in de Synode gezegd, dat de voorstellers van het reorganisatieplan afgodendienaars waren, belijdenis-afgodendienaars. Maar tegelijk heeft men in de Synode gevraagd, hoe die mannen het durfden wagen, om de oude, klassieke belijdenis te veranderen ? En dus schold men tegelijk voor : belijdenis-aanbidders en belijdenis-schenders. Heiligschennis plegen aan de oude belijdenis en afgodisdhe eer bewijzen aan de oude belijdenis — — Weer dat ja en neen tegelijk.
Ook heeft men gezegd, dat men zich bezondigde aan overschatting van de leerformule, dat was Roomsch. Tegelijk zei men : inplaats dat men nauwkeurig omschrijft, geeft men veel te open formuleering. Weer dat j a en neen tegelijk.
In de derde plaats bracht men in de Synode als beschuldiging tegen de voorstellers van het reorganisatie-plan in, dat zij alles muurvast in elkaar willen zetten, alles leervast, enz. Maar in dezelfde Synode zei men ook heet kalm : allea wordt zoo op losse schroeven, gezet, alles - wordt aan de ont-binding prijsgegeven. J a en n e e n tegelijk zegt de Synode o ! zoo makkelijk. Om alles te laten zitten wat zit. Oer-conservatief is het Synodale stelsel ! 't Blijkt bij alles.
Zoo sprak men er ook van, dat de mannen van de reorganisatie geen geloof bezaten in de werking des Heiligen Geestes. Die geloof'heeft in de werking van Gods Geest, komt met zulke dingen, vol verandering, niet aandragen ! Maar tegelijk zei men, dat de voorstellers veel te veel gelooi hadden voor de toekomst en roekeloos te werk wilden gaan, buitengewoon roekeloos, want ze hadden te voren niet alles vastgesteld en uitgerekend. Ja en neen tegelijk zeggen, dat is voor de Synode dagelijksch werk.
Intusschen laat men de belijdenis als een museumstuk in een ondergrondsche hal staan.
Dat alles moeten de Christus-belijders in de Hervormde Kerk, die eerbied hebben voor de belijdenis van 's Heeren Naam, niet langer dulden.
En beginnende met de historische belijdenis, moet de Hervormde Kerk zich als een Christus-belijdende-Kerk in.het midden, van ons volk gaan openbaren.
Dat men toch allerwegen onder degenen die Christus en het Evangelie des Kruises liefhebben, meer en meer mag gaan voelen, dat de toestand van onze Hervormde Kerk ernstig, heel ernstig is. Een toestand van zonde, door dat ellendige.j a en n e e n tegelijk zeggen. Een treurige toestand, omdat er kerkelijk ongeveer niets gedaan kan worden. Over de groote vragen van het leven kan niet gesproken worden. Het groote-stads-probleem kan niet aan de orde komen. Het werk der Zending gaat buiten de Kerk om, waarbij de Kerk alleen langs stoelen en banken geldzakjes mag distribuëeren, collectant zijnde voor de-Zendingsvereenigingen, meer niet. Ook kan de diaconale arbeid niet recht ter hand genomen worden in den naam van Christus, den grooten en barmhartigen Hoogepriester. Het werk der barmhartigheid, der evangelisatie, enz. hangt in de lucht en blijft onvast en onzeker overal — als de hoofdzaak, het fundamenteele stuk van de gemeenschappelijke belijdenis van den Christus Gods niet in orde is.
Ernstig, heel ernstig is de toestand van de Hervormde Kerk.
En het Synodale stelsel is oer-conservatief en blijft maar kalm j a en n e e n tegelijk zeggen, waardoor er niets gebeurt door de Hervormde Kerk als Kerk van Christus. Het werk der Kerk kan niet geschieden zoo als het behoort, omdat helaas niet alles gedragen wordt in de Hervormde Kerk door het waarachtig geestelijk beginsel, dat alleen kracht heeft en kracht geeft.
En het is of velen er plezier in hebben, dat het zoo is.
Ze overleggen bij zichzelf : w i j mogen het niet hebben, gij zult het dan ook niet hebben ! En zoo kwijnt de Hervormde Kerk als Kerk van Christus wég !
Door de hoofdpoort binnen.
Men kan onder de Ethischen zeggen wat men wil, maar ze zullen met ons door de hoofdpoort naar binnen moeten gaan, willen we saam iets kunnen doen voor de Hervormde Kerk — die onze hulp zoo zeer van noode heeft. Saam zullen we onder de oogen moeten zien of de Kerk Christus' Kerk moet zijn, ja of neen?
Al dat geschrijf en geredeneer leidt af van de hoofdzaak. Kan de Hervormde Kerk als Kerk met het ja en neen-stelsel toe ? Dat men het zegge! En zoo niet, dat men met ons dan de hoofdpoort wilde doorgaan, om onze Hervormde Kerk als Kerk van Christus te helpen, en daarin ons volk te helpen. Want het gaat tenslotte om Kerk en Volk.
Bij al den arbeid, bij al de vragen moet er éénheid komen. Éénheid in geloof en éénheid in gebed. Daarom kan er wel nuanceering zijn. Verscheidenheid is er altijd geweest en zal er altijd wel blijven. Maar kerkelijk mag er, wat de hoofdzaak betreft, geen verschil zijn ; niet dat verschil, dat Christus of niet-Christus eigenlijk-allebei mogelijk is, allebei goed.
We zijn met veel, met heel veel dingen nog niet klaar. Maar dat mag niet verhinderen, dat de hoofdzaak onder ons vaststaat en moet blijven vaststaan.
En dan moet het niet zóó zijn, dat nu b.v. elke dominé, elke prediker, elke catecheet voor zich zelf maar moet uitmaken, wat hij te gelooven, te leeren, te belijden heeft. Wat hij heeft te doen op den kansel, in de leerkamer, aan de ziekbedden, bij de Sacramentsbediening enz.
Men heeft nu uitgevonden onder de Ethischen, dat er in de Kerk moet zijn gewetens-tucht. Dat er moet zijn zelf-tucht. Ieder moet met zichzelf, met z'n geweten maar uitmaken, wat hij heeft te gelooven, te prediken, te leeren enz.
Maar ten eerste moet dan toch zeker de Kerk als Kerk een belijdenis aangaande den Christus hebben ; zij moet als Kerk niet anders weten dan Jezus Christus en dien gekruist.
De Kerk als K e r k mag het heiligste van het heilige niet profanèeren, door hier j a van gelijke waarde te stellen als neen; de belijdenis van den Christus gelijk te stellen met de loochening van den Christus in bijbelschen zin.
Een Kerk, die dat als Kerk doet, verloochent haren Heiland, haar Hoofd en Zaligmaker.
Maar dan mag ook in die Kerk — welke dus een belijdende Kerk moet zijn — niet de gewetenstucht, de zelftucht van den doininé heerschen.
't Zou wat moois worden !
Dan kon een dominé krachtens zijn zeltrecht gaan prediken op den kansel, gaan leeren op de catechisatie, gaan doen bij de Sacramentsbediening wat zijn geweten hem voorschreef — en de gemeente zou totaal rechtloos zijn. De gemeente zou alles maar moeten aanhooren voor zichzelf en vooi haar kinderen, bij de bediening des Woords (? ) en bij de Sacramentsbediening, zooals de dominé dat belieft te behandelen naar de inspraak van zijn geweten ! Totaal rechtloos verder ! Als de dominé zegt : ik preek dat en ik leer dat en ik doe dat naar de inspraak van mijn geweten, en 't zou geheel in strijd zijn met de Christus-belijdenis der Kerk en met den aard en geest van de bediening des Woords en de bediening der Sacramenten, zooals die naar luid van Schrift en belijdenis moet worden ingericht — dan zou de dominé alle recht hebben om er mee voort te gaan en de gemeente zou totaal rechtloos zijn !
Voelt men niet, dat men de Kerk op die manier als Kerk dood maakt ?
Men ontkerkt de Kerk, door haar te berooven van haar aard en wezen en karakter. Men maakt haar rechtloos door haar tuchtloos te stellen.
Daarom moeten we hier door de hoofdpoort binnen gaan.
En de Hervormde Kerk moet als Kerk den Naam van haar Heiland en haar Hoofd belijden. En die belijdenis moet in de Kerk veilig zijn. Daar heeft de Kerk recht op. Dat is haar onvervreemdbaar recht, dat zij niet van menschen, maar dat zij van haar Heiland en Zaligmaker, van haar Koning en Heere Jezus Christus ontvangen heeft.
Door de hoofdpoort moeten we binnen gaan in deze.
Ook bij het reorganisatie-plan, welk plan dit ook moge wezen.
Dan prutsen we ook niet in de Synodale besturenorganisatie om dit rad te vernieuwen en daar een rad te veranderen of er een bij te maken — maar dan concentreeren we ons op de hoofdzaak van de kerkelijke samenleving, om met de belij3enis van den Naam van Christus te leven door den Geest, naar Zijn Woord.
Door de hoofdpoort moeten we hier binnen gaan !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 mei 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's