Schriftverklaring
Brief aan de Romeinen.
Hoofdstuk 7 : 1—4. Weet gij niet, broeders ! want ik spreek tot degenen, die de wet verstaan, dat de wet heerscht over den mensch zoo langen tijd als hij leeft ? Want een vrouw, die onder den man staat, is aan den levenden man verbonden door de wet ; maar indien de man gestorven is, zoo is zij vrijgemaakt van de wet des mans. Daarom dan, indien zij eens anderen mans wordt, terwijl de man leeft, zoo zal zij een overspeelster genaamd worden ; maar indien de man gestorven is, zoo is zij vrij van de wet, alzoo dat zij geen overspeelster is, als zij eens anderen mans wordt. Zoo dan, mijne broeders ! gij zijt ook der wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens anderen, namelijk desgenen, die van de dooden is opgewekt, opdat wij Gode vruchten zouden dragen.
Herinnert gij u nog, lezers, dat de apostel in het vorige hoofdstuk heeft gezegd, dat Gods kinderen niet onder de Wet zijn, maar onder de genade ? Nu zal de apostel aantoonen, dat al Gods gekenden inderdaad van de Wet zijn vrijgemaakt.
Weet gij niet, broeders, dat de wet heerscht over den mensch zoo langen tijd als hij leeft. Het is voor de tweede maal, dat de apostel zijne lezers broeders noemt. In 1 vers 13 had. hij hen ook zoo genoemd. Dat hij het hier in vers 1 weer doet en dat hij straks in vs. 4 zelfs zegt „mijne broeders", wijst op den innigen band, waarmee de apostel zich aan hen verbonden gevoelde.
Het is wel waar, dat alle menschen broeders van elkander kunnen heeten, als we bedenken, dat ze allen kinderen zijn van Adam en Eva, maar als Paulus hier spreekt van broeders, bedoelt hij ongetwijfeld den broederband, die alleen het gevolg is van het kindschap Gods.
Eer hij tot de uitspraak in vers 1 komt, voegt hij nog even een tusschenzin in : want ik spreek tot degenen, die de Wet verstaan. Met die Wet is natuurlijk de Mozaïsche Wet bedoeld. Hij neemt dus aan, dat de lezers van zijn brief in Rome goed op de hoogte waren van de Wet van Mozes.
Sommigen hebben hieruit willen opmaken, dat de lezers dus Christenen uit de Joden waren. Maar ook dan, als ze van heidensche afkomst waren, was het toch best mogelijk, of liever gezegd voor de hand liggend, dat ze in, het midden van de Christelijke gemeente het Oude Testament hadden hooren voorlezen.
De wetenschap, waarop Paulus doelt, is deze, dat de wet heerscht over den mensch, zoo langen tijd als hij leeft. De Athener, die zich aan de wet van de stad Athene onttrekken wilde, kon verhuizen naar Sparta. Maar de Jood wordt door de Wet Gods achtervolgd tot aan de einden der aarde ; tot den doodssnik toe.
De dood maakt een einde aan de heerschappij van de wet. Over degenen, die liggen in de groeve der vertering, heeft de wet geen macht meer.
Want een vrouw, die onder den man staat, is aan den levenden man verbonden door de wet ; maar indien de man gestorven is, zoo is ze vrijgemaakt van de wet des mans. Daarom dan, indien zij eens anderen mans wordt, terwijl de man leeft, zoo zal zij een overspeelster genaamd worden ; maar indien de man gestorven is, zoo is zij vrij van de wet, alzoo dat zij, geen overspeelster is, als zij eens anderen mans wordt.
Deze verzen moeten niet verstaan worden, alsof het een parabel was. Men vergeleek dan onze verhouding tot de Wet met een huwelijk. De Wet werd dan vergeleken bij een man. Christus was dan de andere man. Men gaf bij deze opvatting van deze verzen er zich geen rekenschap van, dat het toch eigenlijk niet te begrijpen is, hoe de wet met den eersten man vergeleken wordt, terwijl in vers 2 eveneens van de wet gesproken wordt als van den band, waarmee de vrouw aan den levenden man verbonden is.
Neen, het is Paulus er alleen om te doen een toewijs te leveren voor de stelling, dat de wet over den mensch heerscht gedurende het geheele leven en dat alleen de dood de gebondenheid aan de wet opheft.
Welk een geheel eenig voorbeeld ! Zoolang man en vrouw leven, zijn ze door de huwelijkswet onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Lees slechts Matth. 19 vers 6. De weduwnaar en de weduwvrouw zijn echter niet meer aan de wet gebonden. Zij zijn vrij, om weer in het huwelijk te treden.
Welaan, zoo dan, mijne broeders, gij zijt ook der wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens anderen, namelijk desgenen, die van de dooden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten zouden dragen.
In het voorbeeld sterft niet de vrouw, maar de man. De vrouw wordt vrij, zonder zelf te sterven. Dit maakt het voorbeeld echter niet slechter. Nu komt immers ook in het voorbeeld juist mooi uit, dat men ook door het sterven van een ander vrij van de Wet kan worden. „De dood van den man was de dood van de vrouw ; stierf zij al niet in natuurlijken zin, zij stierf toch in rechtskrachtigen zin, en werd er even vrij van de Wet door, alsof zij zelve gestorven was".
Wat was de toepassing duidelijk ! Ten opzichte van de Wet Gods waren, de ware Christenen te Rome aan die vrouw gelijk. Christus was immers het hoofd en zij waren Zijne leden. Christus was geworden uit een vrouw om zich onder de wet te stellen. Alle de dagen Zijns levens kon Hij zeggen : Ik draag Uw heil'ge Wet, dien Gij den sterv'ling zet, In 't binnenst ingewand. Aan het kruis heeft Christus het echter uitgeroepen, dat Hij de Wet volbracht had. Hij stierf aan' het vloekhout. Maar vanaf dat oogenblik had de wet geen heerschappij meer over Hem. Hij had den vloek der Wet gedragen van de kribbe tot aan het kruis. Door de mystieke gemeenschap met Christus is de ware Kerk. Gods nu deelgenoot van Zijn lijden en sterven. Zij zijn met Christus gestorven. En nu deelen zij in den rijkdom Zijner genade.
Nu zijn ze immers eens anderen, namelijk desgenen, die van de dooden is opgewekt, opdat zij Gode vruchten zouden dragen. Nu kunnen zij zeggen, dat ze het eigendom van Jezus zijn. Nu deelen zij niet alleen in Zijn lijden, maar ook in Zijn opstanding. Door de heerlijkheid van Christus' opstandingskracht worden ze ook bekwaamd om Gode vruchten te dragen.
Zij zijn immers geschapen in Christus Jezus tot goede werken. Zijn ze der Wet gestorven, voor het nieuwe leven blijft de Wet het richtsnoer op den weg der heiligmaking.
Och, of wij Uw geboón volbrachten, Gena, o hoogste Majesteit ; Gun door 't geloof in Christus krachten, Om die te doen uit dankbaarheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 mei 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's