Kleine Luijden
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN
„Niets bizonders" — loog vrouw Burenga, maar de man der wetenschap met veel menschenkennis, merkte wel iets. Toch was hij zoo verstandig om niet meer te vragen, „'t Beste zal wezen, dat wij hem voorzichtig op het ledikant zien te krijgen".
„Zou hij zoo sterven, dokter ? " — vraagt vrouw Burenga angstig.
„Ik kan er op 't oogenblik nog niets van zeggen. Alles hangt af van de wending, die de ongesteldheid neemt. Hij kan ook wel weer bijkomen en dan is herstel heel wel mogelijk".
„O, dokter, u moet al uw best doen, en hier niet weg gaan !"
„'t Zal niet aan mij liggen, vrouw Burenga, maar op 't oogenblik staat de wetenschap machteloos".
En zoo was het. Even machteloos als de boer zélf was, die in het geheel geen kennis droeg van hetgeen om hem heen gebeurde. Wien het ook niet ergerde, toen even later de knecht en Jetze hem met den dokter voorzichtig wegdroegen, om hem op het ledikant in de voorkamer een betere ligging te geven dan op den steenen vloer in het voorhuis. Want in zulke omstandigheden is alle standenverschil weg. Omdat de koude dood ook niets geen onderscheid maakt tusschen heer en knecht. En er zich absoluut niet om bekommert ot hij 'n edelman of een bedelman wegneemt van hier. Omdat er bij God geen onderscheid is, en het allen menschen gezet is eenmaal te sterven. En daarna het oordeel. Ja, het oordeel !
Of het ook dit laatste was, dat vrouw Burenga zoo ongerust maakte en deed bidden dat haar man zóó niet weggenomen werd uit het leven ? Daar sluimert op d'n bodem van elke menschelijke ziel nog wel iets dat hem aan God verwant doet zijn, maar hem daarom ook doet vreezen. Kleine overblijfselen van hetgeen eens bezeten werd. Vage trekken van de verloren beeltenis.
Wat kropen dien dag de uren om. Van werken was geen sprake. De knecht moest bij huis blijven, opdat hij aanstonds bij de hand zou zijn als er eens iets komen mocht. Jetze moest ook in de schuur maar wat werk zoeken en mocht niet naar het land. Sjerp moest maar even tegen Froukje zeggen, dat hij vanmiddag niet thuis kwam te eten, maar op de boerderij bleef. De meid moest het met den huisarbeid maar op een accoordje werpen, want vooreerst moest het stil zijn in buis, vooral geen geklep met de deuren, en dan had de vrouw liefst gezelschap. In den middag, toen de toestand nog geheel onveranderd was, werd de knecht te paard uitgezonden om de naaste familie te vertellen hoe het hier stond. Wellicht dat er dan voor den nacht nog iemand kwam om mede te waken. Jammer, dat Syke met den bollekorf weg moest. Vrouw Burenga wilde haar wel graag een dubbele daghuur geven als zij dan maar kon blijven, omdat zij zoo hulpvaardig was en blijkbaar zoo'n verstand van zieken had, maar 't ging niet. Omdat de klanten op hun brood wachtten. Zij was al een paar uur verlaat. Als de vrouw wilde hebben dat zij vanavond, na haar taak te hebben volbracht, terugkwam, om als 't noodig mocht zijn, mede te waken ? En aldus werd besloten.
Natuurlijk wist dien dag heel Zorgvliet, wat op „Unia-State" was voorgevallen. Voor Syke kon het niet beter treffen. Zij had zóó tegen déze reis opgezien, omdat zij wel begreep dat het in elk huis zou gaan over die sprekerij van den vorigen avond, en over haar man, en dat zij hier zoo voorzichtig moest zijn, omdat zij bij allerlei slag van menschen kwam, en nu was er een spiksplinter nieuwtje, waardoor dat andere verdrongen werd. Terwijl zij daarbij tevens kon doen doorschemeren, welke diensten zij bij de Burenga's had bewezen, en hoe zij daar op dit oogenblik althans in den pas stond. Want het geval was droevig, en zij hoopte van harte dat de boer weer bij mocht komen, vooral ook om de vrouw, maar het was maar zoo 't was, doch het kwam haar vandaag bizonder te pas. Een mensch blijft nu eenmaal een mensch. Ook de dokter reed af en aan. Hoe zij anders ook het land aan de motors had, omdat deze de wegen zoo onveilig maakten en de paarden zoo schichtig, vandaag is vrouw Burenga met deze machines ver zoend. Omdat zij in tijd van nood zoo spoedig hulp kunnen brengen. Zoo werd er geleefd tusschen hoop en vrees, tot in den avond eenige verandering kwam. De adem werd even rustiger en minder zwaar. Het was ook alsof er eenig besef van slikken kwam. 't Begon meer op een gewonen slaap te gelijken. Als dit nu maar niet de doodslaap werd. 't Was nog precies zooals de hand draaide — zei dokter doch hij kreeg meer hoop. Tegen het begon te donkeren, kwam er familie. Moeder werd met een brik gebracht, en een broer kwam per paard en een zuster van Burenga Het zich per auto brengen, 't Gaf wel niet, maar 't was toch gezelliger, 't Leek, alsof het dreigend gevaar minder nabij was.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 mei 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's