MEDITATIE
De lastbrief van een Dienaar des Woords.
Groot is op ieder levensgebied de macht van het woord. Het woord van een mensch kan hebben een invloed ten kwade. Jacobus zegt niet voor niet dat de tong een klein vuur, maar ook een wereld van ongerechtigheid is.
Maar dat zelfde woord van een mensch kan ook hebben een invloed ten goede. Hoe menigmaal bleek het te zijn een macht die groote gedachten heeft gezaaid en tot heerlijke daden heeft geprikkeld.
We denken aan het woord van vertroosting waardoor niet zelden de brandende pijn eener diepgeslagen wonde werd verzacht.
We denken aan het woord van bemoediging waardoor niet zelden trage handen werden opgericht en slappe knieën werden vastgemaakt.
We denken aan het woord van bezieling waardoor niet zelden geestdrift en heldenmoed in de harten van velen werd gewekt.
Maar als nu reeds zoo groot is de invloed van het woord van een mensch, hoe groot moet dan niet zijn de invloed die daar uitgaat van het Woord van onzen God !
Wanneer een mensch door zijn woord soms bij machte is om tranen te drogen, moed in te storten en bezieling te wekken, wat zou God dan niet kunnen door hei Woord van Zijn almacht, door het Woord van Zijn genade, door dat Woord waarin Hij ons openbaart de gedachten van Zijn eeuwige liefde en Zijn onkreukbare trouw.
Dat Woord van God noemt zich zelf dan ook een hamer die steenrotsen verbrijzelt ; het heet zich zelf een zwaard dat doorgaat tot de verdeeling der ziel en des geestes en der samenvoegselen en des mergs ; het dient zich zelf aan als een balsem die de gebrokenen van hart verbindt en die de verslagenen van geest geneest.
God spreekt en het is er, Hij gebiedt en het staat.
Van dat Woord, van dat machtige, onwederstandelijke, maar ook heilzaame Woord van God is weer een dienaar tot u gekomen. Een jonge man, nog in de kracht van zijn leven, staat in uw midden bevestigd te worden als Verbi Divini Minister, als bedienaar des goddelijken Woords.
Laten we hem als zoodanig aan u mogen voorstellen en laten we dat doen aan de hand van een gedeelte van dat Woord, waarvan hij in uw midden een dienaar zal zijn. Ons tekstwoord vindt gij Jesaja 40 vers 6—8 :
Een stem zegt : Roept ! En hij zegt : Wat zal ik roepen ? Alle vleesch is gras en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds. Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des Heeren daarin blaast. Voorwaar, het volk is gras. Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid«.
Het is over twee dagen 30 jaar geleden, gemeente, dat ik zelf als jonge man van 24 jaar in de gemeente van Jaarsveld aan de Lek in de bediening des Woords bevestigd werd. Ik herinner mij nog levendig dat ik toen 's middags intrede deed met hetzelfde woord, dat ik thans als bevestigingstekst voor uwen nieuwen leeraar gekozen heb.
Eensdeels ga ik vanmorgen precies hetzelfde zeggen als wat ik toen s middags heb gezegd, maar anderzijds wilt ge me wel gelooven dat ik geen enkel woord van wat ik toen gezegd heb, herhalen zal. Wie dit vatten kan, die vatte het. Evenals voor Da Costa is het Evangelie ook voor mij in zijn wezen vrucht der tijden, maar in zijn vorm van onzen tijd. 'k Hoop dat ook uw leeraar over 30 jaar zal kunnen zeggen : wat het wezen betreft is mijn prediking nog dezelfde als toen ik 23 Maart 1930 te Molkwerum mijn intrede deed, maar in den vorm is zij gansch anders geworden.
Onze tekst is ontleend aan de profetieën van Jesaja. Hij leefde in een tijd toen het met het volk van Israël, met de Kerk des Ouden Verbonds, droevig was gesteld.
Het waren de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hiskia. Hoort welke beschrijving de Heere in die dagen van Zijn oude volk gegeven heeft : „Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd, maar zij hebben tegen Mij overtreden. Een os kent zijn bezitter en een ezel de kribb? zijns' heeren, maar Israël heeft geen kennis, mijn volk verstaat niet. Wee het zondige volk, het volk van zware ongerechtigheid, het zaad der boosdoeners, de verdervende kinderen. Zij hebben den Heere verlaten. Zij hebben den Heilige Israels gelasterd. Zij hebben zich vervreemd, wijkende achterwaarts".
Was 't wonder, dat de Heere tegen zulk een volk met Zijne oordeelen kwam ? Was het wonder dat de Heere Zijn wijngaard, die zulke slechte druiven voortbracht, bedreigde met algeheele verwoesting ?
Wij weten dan ook dat er een tijd is gekomen waarop God Zijn bedreiging in vervulling deed gaan. Straks is de koning van Babel de roede geworden, waarmee de Heere in de ballingschap Zijn oude bondsvolk getuchtigd heeft.
Maar nu is de Heere een God, die in den toorn altoos des ontfermens gedenkt. Dat merken we ook uit Jesaja's profetie. Telkens toch lezen we van een overblijfsel dat nog zou wederkeeren en dat door Gods genade behouden zou worden.
En het is voornamelijk in dat deel van Jesaja's profetie, dat met het 40e hoofdstuk begint, waarin de Heere dat overblijfsel Zijn rijke vertroostingen biedt.
O, wie kent niet dien machtigen inzet van het bekende hoofdstuk, waaraan onze tekst is ontleend ? dat „Troost, troost mijn volk" waaraan dit tweede deel van Jesaja's profetieën den naam van Troostboek ontleent ?
Wie kent niet de rijke grazige weide, waarin de Heere hier Zijn kudde weelderig doet grazen als- het daar in poëtische taal weerklinkt : Alle dalen zullen verhoogd en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden, en wat krom is dat zal recht en wat hobbelachtig is dat zal tot een vallei gemaakt worden, en de heerlijkheid des Heeren zal geopenbaard worden.
Wat dunkt u, was het geen rijk evangelie dat deze koninklijke profeet aan de Kerk van den ouden dag mocht verkondigen ?
Maar hoort nu hoe de profeet tot de verkondiging van dat evangelie gekomen was.
In de woorden van onzen tekst heeft hij ons daarvan een beschrijving gegeven. Een stem zegt : roep. En hij zegt : wat zal ik roepen ? Alle vleesch is gras, en al zijne goedertierenheid (gunst) als een bloem des velds. Het gras verdort, de bloem valt af (verwelkt), wanneer de Geest (adem) des Heeren daarin blaast. Voorwaar, het volk is gras. Het gras verdort, de bloem valt af (verwelkt), maar het Woord van onzen God bestaat (houdt stand) in eeuwigheid".
Onzen tekst zouden we kunnen noemen den lastbrief van Jesaja. In den grond der zaak den lastbrief van iederen Dienaar des Woords, dus ook den lastbrief van hem, die weldra uw leeraar zal zijn. Komt, gaan we vanmorgen uwe aandacht bepalen :
Ie. bij het uitreiken van dezen lastbrief ;
2e. bij het aanvaarden van dezen lastbrief ;
3e. bij het ontvouwen van dezen lastbrief.
Een stem zegt : roept. Daar hebt ge op wat wijze de lastbrief aan Jesaja werd uitgereikt.
Een stem. Die stem was de stem des Heeren, het was de stem van den Geest van Christus die Zijne dienaren uitzendt. Het was dezelfde stem die Jesaja ook gehoord had in het 6de hoofdstuk zijner profetieën. Het was de stem van dien Engel, die met een tang een gloeiende kool van het altaar had genomen en daarmee de lippen van den profeet had aangeraakt en die toen gezegd had : Zie, deze heeft uw lippen aangeroerd, alzoo is uw misdaad van u geweken en uwe zonde is verzoend.
Deze stem is hier door den profeet niet nader omschreven. Men heeft het wel eens vreemd gevonden dat de profeet niet zegt wiens stem het was en dat hij er heelemaal geen verklaring van geeft, hoe die stem eigenlijk tot hem gekomen was.
Men had het Jesaja wel eens willen vragen hoe hij eigenlijk aan die stem gekomen was, waar en wanneer en op welke wijze hij die stem had gehoord. Maar op al die vragen is Jesaja het antwoord schuldig gebleven. Hij zegt alleen dat er een stem tot hem was gekomen, en die stem had tot hem gezegd : roep. Ach, eigenlijk was er voor Jesaja maar één stem. Het was de stem des Heeren, het was de stem van Hem, dien hij in het jaar toen de koning Uzzia gestorven was, ., had zien zitten op een hoogen en verheven troon en Wiens zoonen hij den tempel had zien vervullen ; het was de stem van Hem van Wien hij de serafs had hooren zingen : Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen ; de gansche aarde is van Zijne heerlijkheid vol. Dat was voor hem de stem. , Die stem was ook voor hem, evenals voor den dichter van Psalm 29, een stem met kracht, een stem met heerlijkheid. Die stem was ook voor Jesaja een stem, waaraan hij zich niet had kunnen ontworstelen, een stem waaraan hij zijn oor te luisteren had moeten leggen, een stem die was doorgetrokken tot de diepste roerselen van zijn zieleleven.
En die stem had tot hem gezegd : roept. Die stem had tot hem gezegd dat hij spreken, neen, dat hij roepen moest. Roepen. Waarom roepen ? Vraag het u zelf maar af : wanneer roept gij ? Roepen doet ge iemand als gij meent dat hij uw spreken niet hoort. Als gij b.v. ziet dat iemand in gevaar is, als een kind b.v. speelt aan den rand van een afgrond, of als iemand b.v. op het punt staat door een trein of door een auto overreden te worden, dan roept gij, dan roept ge zoo hard ge maar kunt, opdat door middel van uw roepen het gevaar zal ingezien en zoo mogelijk nog zal afgewend worden. Welnu, zoo had daar een stem tot Jesaja gezegd : roep. Het volk zijner dagen immers verkeerde in nood en gevaar en nu moest hij roepen, opdat het die gevaren zou zien en opdat die gevaren, zoo het eenigzins mogelijk ware, nog mochten afgewend worden.
Een stem zegt : roep. Dat was het uitreiken van Jesaja's lastbrief, gemeente. En op diezelfde wijze reikt God den lastbrief aan al Zijne dienaren uit, zij het ook dat zij leven in een andere bedeeling als waarin Jesaja leefde, en zij het ook dat hun werk een eenigszins ander karakter draagt als het bijzonder typisch profetisch karakter dat het werk van Jesaja droeg.
Een stem zegt : roept. Ook uw leeraar is geroepen. Straks zult gij het uit zijn mond beluisteren. Dan zult gij het antwoord van zijn lippen vernemen, dat hij wettiglijk van Gods gemeente en mitsdien van God Zelf geroepen is. Dezelfde stem dus die Jesaja riep, heeft ook hem geroepen. En neen, die stem behoeft ook door hem niet nader omschreven te worden. Gij behoeft hem niet te vragen waar en wanneer en op welke wijze hij die stem heeft gehoord. Immers ten slotte dan is er ook voor hem, gelijk voor iederen waren Dienaar des Woords, maar één stem, en dat is de stem van zijn God, dat is de stem des Heeren die daar woont in den hemel Zijner Majesteit, maar Wiens zoomen ook ver Zijn strijdende Kerk hier op aarde vullen.
De stem van dien heiligen, maar in Christus ook barmhartigen en genadigen God, heeft van den schoot zijner moeder af het oor van uwen nieuwen leeraar doorboord. Die stem is doorgedrongen ook tot het oor zijner ziel. Vandaar dat hij zich aan die stem niet heeft kunnen ontworstelen. En 't feit dat hij aan die stem zijn oor te luisteren heeft gelegd is de reden dat hij tot u kwam om te roepen.
Een stem zegt : roep. Ja, al zal 't niet altoos met verheffing van stemgeluid zijn, het karakter van het werk van uwen nieuwen leeraar zal ook in een roepen bestaan. En waarom ? Omdat de gevaren zoo groot zijn waarin evenals Gods volk van den ouden dag, ook de gemeente des Heeren van onze dagen, verkeert. Gevaren van buiten, gevaren van binnen, gevaren voor de ouderen, gevaren voor de jongeren ; gevaren voor de rijken, gevaren voor de armen ; gevaren voor de rechtvaardigen, gevaren voor de goddeloozen ; gevaren voor het kerkelijk organisme, gevaren voor het kerkelijk instituut.
O, hoe spelen we in menig opzicht aan den rand van een afgrond. Wat zijn de gevaren groot dat de Kerk des Heeren onder den voet geloopen zal worden door Satan en wereld. En om die gevaren in den middellijken weg af te wenden, zal uw leeraar de bazuin aan den mond moeten zetten en zal zijn werk in een roepen moeten bestaan.
Welnu, hier hebt ge den lastbrief, dien God hem door onzen dienst uitreikt vanmorgen : Een stem zegt : roep.
En hoe heeft de profeet Jesaja dezen lastbrief aanvaard ? 'Dat was onze tweede gedachte. Hoort welk antwoord hij zelf op deze vraag heeft gegeven. En hij zegt : wat zal ik roepen ? Daar blijkt uit, dat Jesaja met den lastbrief des Heeren eerst beschaamd en verlegen stond.
Die verlegenheid verwondere ons niet. Immers wie is tot deze dingen bekwaam ? Een wachter op Zions muren, een bazuinblazer in den dienst des grooten Konings te zijn, is geen geringe zaak. Wie een opzienersambt begeert, begeert een treffelijk werk. Het is dan ook van algemeene bekendheid dat allen die tot dezen dienst des Heeren werden geroepen, in de eerste plaats bepaald werden bij eigen onbekwaamheid en bij eigen onwaardigheid.
Denk maar aan Mozes, toen God hem riep om. naar Egypte te gaan. Wat een pogingen heeft hij niet aangewend dat in zijn plaats een ander zou gaan
Denk maar aan Gideon, toen hij door God werd geroepen om Israël te gaan verlossen uit der Midianieten hand. Wat voelde hij, wiens duizend het armste was van Manasse, zich niet onbekwaam om de oorlogen des Heeren te voeren.
Denk maar aan Jeremia, die toen de stem des Heeren tot hem kwam, immers ook zeide : Ach, Heere, Heere, zie ik kan niet spreken, want ik ben jong.
En dat zelfde vinden we nu hier ook bij Jesaja. En hij zegt : wat zal ik roepen ? Jesaja, ook al was hij' een man met nog zulke rijke gaven toegerust en versierd, als hij door zijn God word geroepen, dan beseft hij hoe onbekwaam en hoe onwaardig hij is.
Wat zal ik roepen ? En ja, daar was reden voor deze vraag. In de eerste plaats was er een reden in hem zelf. Immers ook Jesaja was in zichzelf een nietig, zondig menschenkind, en nu zou hij moeten roepen in den naam van dien hoogen en heiligen God, voor Wien de engelen in den hemel hun aangezichten met hun vleugelen moesten bedekken. Was het wonder, dat hij andermaal in aanbidding wenschte neer te knielen en dat het andermaal op zijn lippen zweefde : Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben ? Maar dat was het eenige niet. Jesaja toch was niet alleen zelf onrein, maar ook het volk tot hetwelk hij werd uitgezonden, was mede een volk dat onrein van lippen was. Het was den profeet maar al te goed bekend hoe ook dat volk zijn weg had verdorven, hoe zij hun Schepper en Formeerder den rug hadden toegekeerd, hoe zij andere goden hadden nagewandeld en hoe zij zich zelfs verkocht hadden om te doen wat kwaad was in de oogen des Heeren.
En ook dat was nog het eenige niet. Daar kwam nog bij, dat de vijanden, in wier hand hij het volk zijner dagen zag overgeleverd, zoo machtig waren. De muren van Babel waren zoo geweldig ; de krijgers van Babel waren zoo geoefend ; de sterkte van Babel scheen zoo onoverwinnelijk.
Ziet, al deze dingen werkten er toe mee om de vraag : wat zal ik roepen, steeds meer naar voren te dringen.
En wat dunkt u, gemeente, mag Jesaja in de wijze waarop hij zijn lastbrief heeft aanvaard, niet ten voorbeeld gesteld worden aan allen aan wien ook in onze dagen de lastbrief wordt uitgereikt ? O zeker, wie van de predikers onzer dagen zal dezen Godsman der Oude Bedeeling evenaren in de kracht van zijn geloof, in den moed zijner overtuiging, in de verhevenheid der gedachten en in den onvergelijkelijk schoonen vorm, waarin hij die gedachten heeft vertolkt ? Wie zal niet bewonderen de adelaarsvlucht, waarin deze rijk begaafde prediker de andere profeten van de bedeeling der schaduwen verre achter zich laat?
Maar waarin hij ook van Jesaja verschilt en hoever wij ook van hem afstaan, hierin komt iedere ware Dienaar des Woords met dezen geroepene overeen, dat hij, als de stem zegt roept, ook in verslagenheid des harten uitroept: Maar, iHeere, wat zal ik roepen ? Wat zal ik, die zoo zwak ben van moed en zoo klein ben van kracht, die bovendien melaatsch ben van 't hoofd tot de voeten, roepen in den dienst van zulk een boogen en majestueuzen God, Wiens heerlijkheid den hemel en de aarde vervult en die te rein is van oogen om het kwade te zien ?
En bovendien, wat zal ik roepen tot een volk dat zijn weg zoo diep heeft verdorven en dat zooveel gedaan heeft dat niet was naar de reinheid van Gods heiligdom ? Want ja, het volk Israels van die dagen had zwaar gezondigd ; het gansche hoofd was krank en het gansche hart was mat. Maar zou de Kerk des Heeren van die dagen in haar diep vervallen staat, geen profetische schilderij geweest zijn van de gemeente des Heeren ook van onzen tegenwoordigen tijd ?
Of zou het ook in onze dagen van de Kerke Gods niet gezegd kunnen worden : „Uw aardrijk is een verwoesting, uw steden zijn met vuur verbrand, uw land verteren de vreemden in uw tegenwoordigheid en een verwoesting is er als een omkeering door de vreemden" ?
Ja, zou ook thans de dochter Zions niet zijn overgebleven als een hutje in den wijngaard, als een nachthutje in den komkommerhof, als een belegerde stad ?
En daar komt ook nu nog bij, dat de macht van den vijand ook thans zoo geweldig is, dat ook thans de Vorst der duisternis rondgaat als een brieschende leeuw, dat ook thans het rijk van Babel hoe langer hoe driester optreedt om, als het kon, de Kerk des Heeren van de aarde te verdoen. Ja, meer dan ooit worden in onze dagen op ieder terrein des levens de ongeloofstheorieën verkondigd ; meer dan ooit maken de koningen der aarde zich op en beraadslagen de vorsten tevoren tegen den Heere en tegen Zijnen Gezalfde — we denken aan de geloofsvervolgingen in Rusland — zeggende : laat ons hunne banden verscheuren en hunne touwen van ons werpen.
En als we op dat alles nu zien, op eigen onwaardigheid, op bet diepe verval in Gods Kerk en op de groote macht waarmee de vijanden Gods zijn toegerust, zou het dan wel zoo'n wonder wezen als ook uw nieuwe leeraar zijn lastbrief aanvaardt op dezelfde wijze als Jesaja hem heeft aanvaard ; als hij dus ook zegt : wat zal ik roepen ?
Gemeente, ik hoop dat dat woord : wat zal ik roepen, maar diep in zijn ziel geschreven mag staan. En ik vlei mij met de gedachte dat hij den lastbrief, dien ik hem in den naam des Heeren mag overhandigen, aanvaarden zal met bet gebed van den dichter van Psalm 119 :
Leer mij, o Heer, den weg door U bepaald, Dan zal ik dien ten einde toe bewaren.
V. Jongebreur
(Slot volgt).
) Predicatie, uitgesproken bij de bevestiging van ds. D. Bouman te Molkwerum op Zondag 23 Maart 1930.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 mei 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's