GEESTELIJKE OPBOUW
Kerk en Staat.
Inleiding.
Het vraagstuk omtrent de verhouding van Kerk en Staat mag ongetwijfeld genoegzaam actueel heeten om in deze vergadering en in dezen tijd een onderwerp van beschouwing uit te maken.
Dat ook in andere kringen het belang van en de belangstelling voor het vraagstuk worden gevoeld, bewezen de heeren prof. H. H. Kuyper en prof. J. J. van der Schuit, van wie de eerstgenoemde dit onderwerp koos voor een rede op den tweeden Dies van de Réunistenorganisatie N.D.D.D. op 23 October j.l., terwijl de laatstgenoemde daaraan zijn rede wijdde bij de overdracht van het rectoraat aan de Theologische School der Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland, op den 17den September '29. Beide referenten wezen op de verschijnselen in binnen-en buitenland, die het zeer actueele belang van het vraagstuk aantoonen ; men denke b.v. aan de Sowjet-republiek, welker geweldhebbers de Kerk vervolgen, en aan Italië, waar de fascistische dictator een vredelievende houding jegens de Kerk aanneemt, om maar te zwijgen van de binnenlandsche oneenigheden en twisten, welke voor een groot deel in de kerkelijke toestanden aanleiding en oorzaak nemen.
Wij hebben ons echter niet voorgenomen de vele voortreffelijke dingen, in deze referaten bijeengebracht, te herhalen of saam te lezen, aangezien het ons nuttiger wil voorkomen de aandacht op een andere zijde van het vraagstuk te vestigen en het huidige actueele op den voorgrond te brengen.
Altijd actueel.
Actueel is het vraagstuk omtrent de verhouding van Kerk en Staat eigenlijk altijd en zal het ook in deze eeuw wel steeds blijven. De Kerk verschijnt immers in een volk en waar een volk is, daar is een Staat. De Kerk verschijnt in den Staat en bestaat in den Staat. Daarmee is een zekere verhouding gegeven, het vraagstuk van de verhouding van Kerk en Staat is er en lost zich op eenige wijze op.
Zulk een oplossing is gewoonlijk afhankelijk van de omstandigheden en laat steeds te wenschen over. Zelden toch zal de Kerk in haar openbaring zoodanige geestelijke macht over den volksgeest kunnen uitoefenen, dat zij al haar rechten kan handhaven en beschermd ziet door de overheden.
Daarom zullen er altijd vragen overblijven, want ook indien de Kerk tot een hooge mate van macht en heerschappij is gekomen, zullen haar bestrijders niet rusten om haar te knotten. Veilig kan dan ook worden betoogd, dat het vraagstuk omtrent de verhouding van Kerk en Staat in alle tijden actueel is.
Hoe kan het ook anders ? Immers het woord van Genesis 3 vers 15 : „Ik zal vijandschap zetten tusschen u en tusschen deze vrouw, en tusschen uw zaad en tusschen haar zaad, datzelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen", dat woord : „Ik zal vijandschap zetten", is gesproken en is vervuld en zal vervuld worden. Die strijd gaat door ons geslacht. De Kerk kan zich van de hypocrieten niet zuiveren en de Staat kan den booze en goddelooze niet uitwerpen. Ook in de verhouding van Kerk en Staat laat zich de groote strijd der wereld gelden en maakt altijd weer het vraagstuk actueel, zoowel in de Kerk als in den Staat en tusschen Kerk en Staat.
De oplossing.
Meenen wij daarom niet, dat wij de oplossing zullen vinden. Een oplossing zal er steeds zijn, doch de oplossing ligt in de voleindiging van den strijd der Kerk en der wereld, als de eerste in de heerlijkheid van haar Koning zal zijn ingegaan, en de laatste zich voor Hem in het stof zal buigen. Want Hij moet als Koning heerschen. (1 Cor. 15).
Alle oplossing, welke de geschiedenis dezer wereld zien zal, kan geen andere zijn dan een regeling der verhouding door de omstandigheden geboden, of mogelijk gemaakt. „Ita in rebus humanis nihil perfectum", kunnen wij met Voetius zeggen.
Hoe die verhouding in verschillende perioden der geschiedenis werd bepaald, laten wij thans rusten. Liever willen wij trachten aan te toonen, wat de huidige stand van het vraagstuk ons leert en van ons eischt.
Kerk en Staat.
Wat denken wij bij deze woorden, als wij die zoo naast elkander noemen ? Zijn het niet twee algemeenheden ? Twee begrippen, of anders twee mengelingen van allerlei voorstellingen, die wij in die begrippen willen onderbrengen ?
Het kan zijn nut hebben om in het afgetrokkene over de verhouding van Kerk en Staat, beider karakter, bestemming en wederkeerige betrekkingen te theoretiseeren. Wie dat doet, heeft het groote voordeel, dat hij uitgaat van een normaalkerk en een modelstaat, opgetrokken uit het fundament der zuivere principiën en onder zuivere relatiën voorgesteld.
Ook zelfs zoo echter zal mein nog op vele moeilijkheden stuiten. Doch wij willen ons niet in het afgetrokkene met het vraagstuk bezig houden, maar zullen ons midden in de werkelijkheid plaatsen.
Welke Kerk en welken Staat?
Als wij over de verhouding van Kerk en Staat spreken, welke Kerk en welken Staat bedoelen wij dan ?
Bedoelen wij de Roomsoh-Katholieke, de Luthersche, de Anglicaansche, de Ned. Hervormde, de Chr. Gereformeerde Kerk of de Gereformeerde Kerken ? En tusschen welke dezer Kerken en welken Staat bedoelen wij de verhouding te zien of te bepalen ? En dan tot welken Staat ? Tot den puriteinschen, den libertijnschen, den marxistischen, den bolsjewistischen, den fascistischen Staat ?
Wanneer wij zoodanige onderscheidingen invoeren en verschillende vormen van kerkelijk en staatkundig leven in het geding brengen, treden onmiddellijk enkele verhoudingen op den voorgrond. Wij zien immers, dat de bolsjewistische Staat de Kerk onder verschillende vormen tracht te verdruk ken, zoo mogelijk uit te roeien. De libertijnsche Staat laat de Kerken tot op zekere hoogte vrij ; de fascistische Staat maakt een overeenkomst met het Vaticaan, terwijl de puriteinsche Staat inzonderheid de puriteinsche Kerk beschermt en andere vormen tolerant tegemoet treedt.
Hoe staat het thans hier te lande ?
Beide aangehaalde referaten verdedigen als ideaal : „De vrije Kerk in den vrijen Staat". Wij zouden haast geneigd zijn om te vragen : „Waartoe handelen wij nog over het vraagstuk van Kerk en Staat ? " Immers in ons vaderland schijnt het ideaal verwezenlijkt. Hebben wij niet de vrije Kerk in den vrijen Staat ? Alle kerken en kerkjes Roomsch, oudnRoomsch, Luthersch, Waalsch, Schotsch, Anglicaansch, allerlei soorten Gereformeerd en niet Gereformeerd, de Ned. Hervormde Kerk, ondanks ihet synodale juk, incluis, zijn vrije Kerken in den vrijen Staat. Wat wil men nog meer ?
De vrijheid der Kerk.
Het is duidelijk, dat de beide schrijvers de vrije Kerk in den vrijen Staat toch niet zoo hebben bedoeld. Formeel mogen wij een stelsel voor vrije Kerken volgen, de Kerken verheugen zich echter in een vrijheid, welke ons van. jaar tot jaar dieper in het kerkelijk moeras doet wegzinken en bedreigt met verstikking, wijl het een vrijheid is, die met de ware libertas ecclesiae (vrijheid der Kerk) niet veel meer gemeen heeft dan den naam.
Hooren wij, hoe Voetius over de 1ibertas ecclesiae oordeelt. Hij ziet die vrijheid in de historie tot verschillende graden ontwikkeld en beschermd door de daaraan gepaard gaande ontwikkeling der verhouding van Kerk en Staat. Hij onderscheidt daarbij zeven graden.
1°. Vrijheid van consciëntie, zonder vrijheid van uitoefening van den godsdienst, (ilbertas conscientiae zonder libertas excercitii).
Klaarblijkelijk neemt hij daarbij 't standpunt in van de Kerk, die in haar eerste openbaring, of zooals in den reformatorischen tijd in hernieuwd zuivere belijdenis in het volksleven verschijnt en door de Overheid wordt verboden. In dezen staat van ontwikkeling is er derhalve geen vrijherd dan die der consciëntie.
2°. Vrijheid van uitoefening buiten de muren der stad.
Op dezen trap van vrijheid heeft de geestelijke kracht der Christelijke religie den weerstand in zooverre overwonnen, dat men nog wel geen vrijheid heeft om in de burgermaatschappij binnen de muren van de stad samen te komen in godsdienstige vergadering, doch de bijeenkomst buiten het gebied wordt niet meer vervolgd. Er is alzoo eenige ruimte gekomen.
3°. Vrijheid van uitoefening in particuliere gebouwen.
Allengs heeft de Christelijke religie zoodanige macht over de tegenstrijdige geesten verkregen, dat ook de overheden geen weerstand meer bieden aan den drang der Christenen om in het huis van een hunner of eenig particulier gebouw te vergaderen tot gemeenschappelijke oefening in het geloof. Zij worden geacht als een sekte.
4°. Vrijheid van uitoefening in openbare gebouwen.
Verder is de heerschappij des geloofs in de saamleving gevorderd. De Kerk verkrijgt een plaats in het openbare leven. Kerken zijn openbare gebouwen. De Dienst des Woords is openbaar geworden en wordt als zoodanig officieel erkend.
5°. De Overheid maakt de Christelijke religie, in casu, de religie der Kerk tot de hare.
Op dezen trap van vrijheid heeft de religie zoodanigen invloed op de natie uitgeoefend en kwam tot zoodanige heerschappij in het volksleven, dat ook de magistraat zich naar haar richt en haar belijdenis aanhangt.
6°. De Overheid keurt de rechtmatige en volle vrijheid der Kerk in dogmaticis goed en maakt de zaak der Kerk tot de hare.
In dit stadium ziet de Overheid in het welzijn der Kerk ook het welzijn der natie en tracht die te beschermen door ook den uitwendigen welstand der Kerk te verzorgen en haar volle vrijheid in haar regeering en tuchtoefening te waarborgen.
7°. De Overheid beschermt door de hoogste politieke macht de Kerk in haar rechten en bevestigt die door haar wetten en instellingen.
Op deze hoogte der vrijheid is de Kerk tot de heerschende, de nationale Kerk verklaard en haar vrijheid en reoht ook door de staatsinstellingen verzekerd. De ganscht Staat vertoont het gelaat van de kerkelijkt religie. Hier is de Staat als een muur om de Kerk. Het staatkundig leven ademt den geest der religie.
Geestelijke vrijheid en heerschappij.
Duidelijk teekent zich het geestelijk proces, dat Voetius voor den geest heeft gestaan, in zijn graden omtrent de verzekering der vrijheid der Kerk af. De ware vrijheid neemt toe, naarmate de macht des geloofs heerschappij over den volksgeest verkrijgt. Inderdaad is geestelijke vrijheid geestelijke heerschappij. Dat is juist gezien en dit geldt niet alleen van het geloofsleven der Kerk. Integendeel, iedere geest, die in de wereld opkomt, streeft naar zulk een heerschappij, waarin hij zijn vrijheid geniet.
De historie bewijst, dat iedere geestelijke strooming haar profeten, priesters en koorknapen uitzendt om een sfeer te scheppen, waarin zij zich kan uitleven en heerschappij erlangt over de geesten, die haar wederstaan. Daartoe kan zij aanvankelijk den strijd inzetten om een formeele vrijheid tot uiting en propaganda te bevechten, doch in het eind, zoo zij daartoe genoegzame macht heeft verkregen, zal zij ook die vrijheid aan andere geestelijke stroomingen betwisten en bedacht zijn op de alleenheerschappij.
Een sterk sprekend voorbeeld aanschouwen wij daarvan in de ontwikkeling van het Leninisme, terwijl ook de krachtsontwikkeling van het fascisme in Italië duidelijk zulk een gang van het proces illustreert.
Zelfs het liberalisme, dat optreedt met de pretentie der vrijheid van denken en gelooven voor allen, blijkt niet te ontkomen aan deze geestelijke wet. Tot de macht gekomen, heeft ook het liberalisme op zijn manier niet nagelaten geestelijk heerschappij te voeren over de gansche natie, ja, de volksopvoeding, school, pers en staatsinstellingen gericht op de liberaliseering des volks.
Op zichzelf echter is dit van het liberalisme als geestesrichting en wereldbeschouwing in het geheel niet vreemd. Juist, omdat het liberalisme van zekere principiën uitgaat, die den grondslag van een wereldbeschouwing, althans van een levensbeschouwing bedoelen te zijn, moet het bepaaldelijk in strijd komen met alle geesten, die deze principiën niet huldigen en van een andere levensbeschouwing uitgaan.
Het ligt toch voor de hand, dat een zekere levensbeschouwing, die als zoodanig het leven in zijn geheel tracht te omvatten, ook zoodanige heerschappij over het leven wil nemen, dat die levensbeschouwing in de levensverhoudingen wordt toegepast en verwezenlijkt.
Dit is echter aan iedere levensbeschouwing eigen en daarom kan men het liberalisme als zoodanig niet euvel duiden, dat het zich gedraagt, zooals andere geesten zich gedragen en naar de heerschappij dingt, doch indien het mocht meenen, dat het een toestand in het leven kan roepen van een duurzamen vrede tusschen de geesten, die van verschillende en met elkander strijdige principiën uitgaan, is dit een zelfmisleiding.
Het is de natuur des geestes om te heerschen. De vrijheid des geestes ligt in zijn heerschappij.
Het behoeft dus niemand te verwonderen, dat het streven naar vrijheid en heerschappij, hetwelk wij in den strijd der geesten dezer wereld waarnemen, ook eigen is aan de religie en inzonderheid aan de religie des Kruises.
Waar zij zich openbaart, werpt zij zich in de worsteling der wereld met heilige kracht en ijver, gelouterd door den gloed van den Heiligen Geest in het geloof in Hem, die de wereld overwon en komt, opdat Hij overwint.
Waar de Kerk werd geplant, kon het niet anders, of de roeping des geloofs om de wereld te overwinnen, moest er toe drijven om met haar geestelijke kracht de natie aan te grijpen, het gansche volksleven te doorzuren en geestelijk te beheersohen. Dat is de weg naar de geestelijke macht en de vrijheid der Kerk.
Zoomin de sociaal-democraat de gewenschte vrijheid geniet, zoo hij niet leeft en heerscht in de maatschappij, welker verwezenlijking hij nastreeft, in 't midden gelaten, of dit mogelijk ware, zoomin Mussolmi's geest vrijheid kent in een staatkundige formatie, die zich naar het fascisme niet voegt, zoomin kan ook de Kerk waarlijk vrij zijn in een land, dat de religie van Christus niet in het openbaar belijdt en eerbiedigt.
Kerkelijke désordre.
Ondanks de vrijheid der Kerken ontbreekt het aan zulk een vrijheid der Kerk als Voetius op het oog heeft, n.l. een vrijheid door de heerschappij van de Christelijke religie overeenkomstig de beginselen harer belijdenis in het volksleven als geheel.
De piuritormiteit der vrije Kerken en kerkelijke organisaties is op zich zelf een bewijs van het gestelde.
Onder de kerkelijke formaties zijn er die als kleinere gelootsgemeenschappen, reeds Krachtens haar eigenaardig karakter en ingevolge van haar historische positie weiuig invloed op den volksgeest kunnen uitoeienen en zulks ook niet bedoelen. Men denke aan Luthersche, Doopsgezinde, Schotsche, Episcopaalsche, Israëlietische kleinere gemeenschappen, die vaak een min of meer sterk uitheemsch karakter dragen, en voorts aan sectarische gezelschappen en kerkelijke vetee.nigingen, die uit den aard der zaak geen generalen invloed uitoefenen.
Vooral ten aanzien van deze laatste groep, die als bij den dag toeneemt, mag worden opgemerkt, dat zij 't meest geniet van de vrijheid, die men in sectarische kringen gewoon is als een liberalistische te verwerpen.
Naast die veelheid van kleinere formaties staan enkele meer omvattende kerkelijke organisaties, die ondanks den verworden toestand nog gewichtigen invloed op hel nationale leven uitoefenen, zoowel door haar geestelijke middelen als door de politieke actie van haar leden.
De Ned. Hervormde Kerk, welke als de volkskerk der traditie nog een groot aantal leden telt, hoewel het belangstellende deel tot èen klein gedeelte daarvan is gedaald, blijkt nog steeds een belangrijke plaats in ons volk in te nemen.
De Gereformeerde Kerken, door de gebeurtenissen van 1886 afzonderlijk georganiseerd, vormen een geloofsgemeenschap, die in de historie der laatste eeuw getoond heeft, dat zij een plaats in ons volksleven wist te veroveren.
De Chr. Gereformeerde Kerk, hoewel veel bescheidener van omvang, mag hier niet worden voorbijgegaan.
Zien wij wat de Hervormde Kerk betreft, op dat gedeelte harer leden, dat in belijdenis trouw wenscht te blijven aan de overgeleverde beginselen en de Gereformeerde gezindheid is toegedaan, en houden wij er rekening mede, dat hun getal niet achter staat bij het totaal van de gescheiden Kerken, misschien zelfs, als het om de belijdenis gaat, dat getal overtreft, dan kunnen wij dus van de Gereformeerde gezindheid spreken, welke in de drie genoemde formaties aanwezig, zeker de belangrijkste protestantsche gezindheid vertegenwoordigt.
Het is daarom meer betreurenswaardig, dat zij verdeeld ligt.
Naast deze profestantsche kerkformaties mag niet worden vergeten, dat de Roomsch Katholieke Kerk sedert de provinciën Brabrant en Limburg ophielden generaliteitslanden te zijn en in de rij der andere provincies in de nationale eenheid werden geplaatst, ook een geheel andere beteekenis verkreeg in verband met het nationale leven dan voorheen en een derde gedeelte van het Nederlandsche volk omvat.
Terwille van de kerkelijke désordre van gezindheid sprekende, komen dus ten aanzien van de heerschappij der Christelijke religie in ons volksleven bij den huldigen toestand twee groote groepen in aanmerking, n.l. de Gereformeerde en de Roomsch-Katholieke gezindheid.
Voor hen, die op het standpunt der reformatie staan voor de beschouwing der Kerk, moet derhalve de Gereformeerde gezindheid als de Kerk gelden, hoewel zij in een naar de beginselen des geloofs geordende gemeenschap niet aanwezig is, maar in verschillende organisaties uiteen is gevallen.
Gelet op dezen toestand der Kerk, kan moeilijk worden gezegd, dat zij zich verheugt in de gewenschte libertas ecclesiae, ondanks de vrijheid, waarin iedere kerkelijke organisatie zich beweegt.
Hoe het zoo kwam, laten wij rusten. Wij constateeren het feit, dat de Gereformeerde gezindheid zich in een toestand van kerkelijke désordre bevindt, ihaar rechten niet kan laten gelden en tot op zekere hoogte met machteloosheid is geslagen tengevolge van al die factoren, welke tot deze wanorde hebben geleid en de consequenties, die ook daaruit weer voortvloeien.
Immers zooals het thans is, staan de verschillende kerkelijke groepen en organisaties voor de consequentie om als groep of organisatie den geestelijken strijd te voeren, welke naar de roeping des geloofs aan de Kerk is opgelegd.
De kerkelijke kringen werpen zich met meer of minder kracht in den geestelijken strijd onzer dagen en doen dit min of meer geprononceerd naar de uiteenloopende inzichten en richtingen, trachten daarbij het eigen karakter van die kringen te bewafen, veelal met een op de spits gedreven principe, waardoor men die kringen poogt te onderscheiden.
Het gevolg hiervan is, dat de gemeenschappelijke kracht van de dragende principiën gebroken v/ordt zelfs onder hen, die tot één gezindheid moeten gerekend worden, en dat een kerkistische geest aan de geestelijke heerschappij van de gemeenschappelijke beginselen eer afbreuk doet dan bevorderlijk is.
Dit alles kan niet nalaten bij de ernstigste belijders, van welken kring ook, het gevoelen van onmacht te wekken en werkt verslappend, terwijl het besef, dat de Christelijke religie in het openbare leven haar macht niet genoegzaam kart doen gelden, anderen aanspoort om niet zonder een rigoureus radicalisme te eischen, wat de onweerstandelijke werking van haar geestelijke kracht onder de huidige omstandigheden niet vermag te bereiken.
De kerkelijke désordre, met name de kerkelijke toestand, waaronder het Gereformeerde volk leeft, moet eonter voor de voornaamste oorzaak worden gehouden van de geestelijke onmacht en dient vóór alles onder de oogen gezien. De heerschappij des geloofs betoone zich allereerst in het kerkelijke, opdat wij van de verhouding van Kerk en Staat sprekende, niet over een onzichtbare grootheid, masfr over een zichtbare Kerk kunnen spreken, die krachtens haar schriftuurlijke openbaring recht heeft op de plaats, welke haar naar Gods ordinantie toekomt.
Zulk een aanspraak kan een Kerk in brokstukken niet laten gelden.
(Wordt vervolgd)
. ') Referaat, gehouden door dr. J. Severijn, in de jaarvergadering van den Geref. Bond op 9 April 1930 te Utrecht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 mei 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's