KERKELIJKE RONDSCHOUW
Nieuwe Wetsvoorstellen van de Synode (1)
Elk jaar komen er gewoonlijk een paar wetsvoorstellen van de Synode, waarover de Classicale Vergaderingen advies moeten uitbrengen. Ook dit jaar is dat zoo. Het groote stuk der Reorganisatie is niet gekomen. De Synode heeft dat maar in de papiermand geworpen. Daarover behoeft de Kerk niet gehoord te worden ! Een elftal kleinere voorstellen tot wetswijziging en aanvulling van een en ander, liggen nu voor ons. Op den laatsten Woensdag in Juni — dit jaar 25 Juni — moeten deze dus besproken worden op de Classicale Vergaderingen, waarom wij nu een korte toelichting met advies willen geven.
Men kan dan in Kerkeraadsvergadering, met een inleiding en toelichting van den predikant (of één der predikanten) eens rustig over deze dingen spreken.
Het eerste Voorstel staat in verband met Art. 2 en 3 Algem. Regl. Wij hebben wel eens gemeend, dat in verband met rechterlijke uitspraken, het niet raadzaam was, om wijzigingen aan te brengen in Art. 1 of 2 of 3 van ons Algem. Regl., zijnde zoo de grondleggende artikelen. Maar de wijziging die hier wordt voorgesteld is eigenlijk geen wijziging, maar een verduidelijking. Bij de discussie in de Synode is dat gezegd. Het raakt de verhouding tusschen het lidmaatschap der plaatselijke gemeente en der Algemeene Kerk. Men is lid van de plaatselijke Kerk, maar daardoor behoort men ook tot de Nederlandsche Hervormde Kerk (in het geheel genomen). Het lidmaatschap is uit den aard der zaak verbonden aan.de kerkelijke gemeente waar men woont. Dat deze verduidelijking wordt neergeschreven in onze Reglementen, lijkt ons niet kwaad. Wij zouden willen adviseeren om voor het eerste Voorstel te stemmen. (Wijziging van de art. 2 en 3 van het Algem. Reglement.
Het tweede Voorstel (Wijziging van de art. 6, 42 en 47 van het Algem. Regl., wil eindelijk nu regelen de kwestie van den secundus-scriba. De onderscheiding tusschen den secundus van den scriba als lid van het, Bestuur, en den secundus scriba als scriba genomen, is al lang aan de orde en zal nu eindelijk goed geregeld worden. Wij zijn voor dit voorstel. Misschien verdient het aanbeveling in art. 42 Algem. Regl. de derde alinea dan ook de wijziging aan te brengen van inplaats van „De Scriba en zijn secundus worden enz." te lezen : „De Scriba en de Secundusscriba worden enz." Want het gaat hier dan niet over den secundus van het lid van het Bestuur, maar over den secundus van den scriba. En om de onderscheiding van het lid van het Bestuur en den scriba van het Bestuur gaat het juist. De dubbelzinnigheid in deze moet weg.
Voorstel drie bevalt ons niet. Het gaat over de samenstelling van de Commissie van voordracht voor de benoeming van kerkelijke hoogleeraren. De leden van die Commissie van voordracht (de Synode benoemt uit een voordracht van drie) worden tot op heden door de Provinciale Kerkbesturen uit de leden van die Provinciale Kerkbesturen benoemd (de Waalsche Commissie helaas ingesloten, maar dat is niet anders). Nu wil men een wijziging voorstellen en bepalen, dat de Provinciale Kerkbesturen, ook buiten eigen leden om, iemand voor de Commissie van voordracht kunnen aanwijzen. Dat lijkt ons niet aanbevelenswaardig. In den kring van het Provinciaal Kerkbestuur zijn zooveel leden met hun secundi, dat er door dat Provinciaal Kerkbestuur best. één lid is aan te wijzen voor de Commissie van voordracht. Zoolang onze kerkelijke organisatie is zooals ze is, lijkt ons deze manier van verkiezing en samenstelling der Commissie van voordracht nog 't best. Wij zijn tegen deze wetswijziging. Want wanneer als reden, dat men dit Voorstel heeft ingediend, genoemd wordt : „deze wetswijziging bedoelt aan de Provinciale Kerkbesturen ruimer keuze te geven bij benoeming", als ook, dat niet-leden van Provinciale Kerkbesturen daarvoor zoo bijzondere geschiktheid kunnen bezitten — dan voelen wij de beteekenis van deze redeneering heelemaal niet. In de Provinciale Kerkbesturen zitten best menschen, die een voordracht kunnen maken voor een kerkelijk hoogleeraar. Wij zijn daarom tegen de wijziging van art. 51 sub 4 van het Algemeen Reglement.
Dan komt Voorstel vijf, dat zeer belangrijk is en waar we tenslotte ook tegen moeten adviseeren. 't Betreft de instelling van een officieelen kerkelijken Diaconalen Raad. Of zooals het Reglement het noemt een Diaconale Commissie, Dat er organisatie en samenwerking is gekomen ten opzichte van den diaconalen arbeid, vinden we best. Er is zooveel werk, dat alleen maar gebeuren kan in samenwerking. Dan kan het een breede plaats innemen in ons gemeenschapsleven. Denkt maar eens aan het werk der barmhartigheid door Stichtingen voor zieken, gebrekkigen, verwaarloosden, achterlijken, enz. Dat er in onze Hervormde Kerk actie komt ten opzichte van dezen allerbelangrijksten en uitgebreiden arbeid, vinden we heerlijk. En onze plaatselijke gemeenten hebben hier een hooge roeping. We zijn elkanders leden. Dat het gemeenschappelijk overleggen in samenwerking zich openbaart, is best. Christus' Kerk heeft hier een hooge en heilige roeping. Maar nu moest men weer niet gaan probeeren, om er een Synodale Commissie bij te maken. Zoolang onze kerkelijke organisatie zoo allerongelukkigst is als zij op het oogenblik is - — terwijl men pertinent weigert om er verandering in te brengen, helaas ! ook de Ethischen — zullen wij ons daartegen verzetten. De samenwerking moet blijven buiten Synodale Commissies om. De Diaconie moet niet in die richting gebracht worden. Dan gaat 't mooie er af.
Het Voorstel wil een nieuw art. 64* invoegen in het Algem. Regl., aldus luidende : „Ter behartiging van den diaconalen arbeid, van samenspreking en samenwerking der diaconieën overeenkomstig de bepalingen van het Reglement voor de Diaconieën, benoemt de Synqde eene Diaconale Commissie".
Dien kant van de besturen bij de samenwerking van de Diaconieën moeten we niet uit.
In het Reglement voor de Diaconieën wil men dan twee artikelen invoegen en wel art. 31 en 32, die aldus luiden : Art. 31. Er bestaat een Diaconialc Commissie van 9 leden, waarvan ten minste 5 diakenen of ouddiakenen (wie zijn de 4 overigen 2 dominé's, ouderlingen ? ) door de Synode te kiezen. De Diaconale Commissie kan een aanbeveling (geen voordracht) van twee geven. De taak van de Diaconale Commissie (door de Synode te benoemen) is : in overleg en in contact met diaconale corporaties diaconale samenwerking voor verschillende doeleinden te bevorderen ; het initiatief te nemen tot wat in verschillende Classes wenschelijk mag zijn ; adviezen te geven ; op te treden als centraal lichaam, dat zoo noodig in verschillende gevallen leiding kan geven en waardoor alle instellingen van weldadigheid in de Kerk kunnen worden bereikt ; te doen wat de Synode haar verder opdraagt. In de kosten worden voorzien door vrijwillige bijdragen van de Diaconieën. Zijn deze bijdragen daarvoor niet voldoende, dan wordt het ontbrekende voldaan uit de quota der Diaconieën voor de Algemeene Kas.
Aan art. 11** van het Reglement op de kosten voor het Bestuur wil men dan toevoegen een nieuwe alinea, luidende : „Deze bijdragen kunnen op voorstel van de Diaconale Commissie door de Algem. Synode met ten hoogste 50 % worden verhoogd, telkens voor den tijd van één jaar, indien de toestand der geldmiddelen der Diaconale Commissie dit noodig maakt".
Men zal het wel kunnen begrijpen, dat wij, van ons standpunt, principieel en practisch tegen dit voorstel zijn. Wij willen ons hoofd liever niet in dezen strop steken. En we vinden het jammer, dat men, wat vrijwillig goed gaat, nu Synodaal wil maken en vastmuren in het kader van onze Besturen. De korte toelichting bij het Voorstel luidt : „De bedoeling van deze voorstellen is het bestaan en de taak van de Commissie voor de diaconale armenzorg, die reeds eenige jaren werkt, in de reglementen vast te leggen." Ons kort verweer is : men moet deze zaak nu juist niet in de reglementen vast leggen.
Wij zijn dan ook èn principieel èn practisch tegen dit Voorstel.
Wil men ook hier 't mooie weer bederven, dan moet men deze richting van Synodale Commissies enz. uitgaan !
Er is absoluut geen oorzaak voor, om de vrijheid hier in een besturenorganisatie te gaan vermoorden.
Over de Voorstellen V, VI, VII, VIII, IX en X de volgende week.
(Wordt voortgezet).
De Kerk. (7)
De beginselen van Erastus hielden verband met beschouwingen, die hierop neerkomen : onder Israël was er slechts één rechtspraak (jurisdictie), welke beide de burgerlijke èn de kerkelijke regeering omvatte. De Christelijke Kerk moest, naar het voorbeeld der Joodsche Kerk, óók geen eigen tucht oefenen, maar onder het bestuur van de burgerlijke Overheid staan.
Met name in Groot-Brittanje kwam de richting der Erastianen óp en werd op de Synode van Westminster door twee godgeleerden verdedigd en wel door : Thomas Coleman en Lightfoot. In Nederland voelden de Remonstranten veel voor deze redeneeringen. In de Kerk wilden zij eigenlijk geen gezag, althans van de Kerk zelve niet. Wel gezag, maar van de Overheid, gegeven in den vorm van kerkelijke raadscolleges, superintendenten enz. Doch geen optreden van de Kerk door hare dienaren, door hare ambtsdragers. In hare kerkelijke vergaderingen mocht de Kerk zelve niet in 's Heeren Naam, naar uitwijzen van Gods Woord, handelend optreden. Dat werd te gevaarlijk geacht ! De Kerk mocht eigenlijk niet vrij zijn om zelve kerkelijk te handelen, maar moest liever onder curateele van de Overheid staan. De kerkelijke ban werd voor onbijbelsch en tyranniek geoordeeld. Hoogstens mag er vermaan zijn van de kerkelijke ambtsdragers — die eigenlijk geen ambtsdragers, maar meer ambtenaren, zijn — doch tuchtoefening is niet toelaatbaar. Waarbij de Overheid in haar verhouding tot de Kerk altijd een voorname plaats moet hebben en houden ! De vrijheid is aan de Kerk niet toevertrouwd.
Dit Erastiaansch—Remonstrantsch stelsel bracht mee, dat (de Overheid), de Regenten, zeggenschap hadden over de Kerk, zoodat de predikanten in Nederland — ook onder de Dordtsche Kerkorde — dikwijls op het stadhuis moesten komen, niet alleen om hun tractement te ontvangen (of niet te ontvangen), maar ook om zich te verantwoorden over een preek, of over tuchtoefening b.v. voor de Avondmaalsviering. Dat heeft in ons land veel kwaad gedaan, 't Is de zwarte draad, die door de geschiedenis van onze Vaderlandsche Gereformeerde Kerk loopt en zoowel in den bloeitijd, als in den na-Revolutietijd ontzaglijk veel kwaad gedaan heeft. Men probeerde alles, om de Kerk toch maar geen Kerk te laten ; om te verhinderen, dat de Kerkorde presbyteriaal werkte ; om te voorkomen, dat de belijdenis functioneerde en gehandhaafd werd. 't Was altijd weer een aanslag tegen de Kerk en de Kerkorde, tegen het ambt en de belijdenis. Waarlijk niet alleen na 1816, maar al de eeuwen door sinds de Reformatie ! En onze Gereformeerde Vaderen hebben in de practijk véél te veel toegegeven ; ze voelden niet zelden ook veel voor de hulp en voor het recht van de Overheid ten opzichte van de Kerk ; zelfs in de Kerk. Denkt maar aan de Wezelsche Artikelen van 1568, waar in Hoofdst. II, art. 3 niets meer of minder te lezen staat, dan dat het „zeker te wenschen zou zijn geweest, dat een vrome Overheid harerzijds bij de beroeping en de verkiezing van Dienaren des Woords hare hulpe wilde verleenen bij het rijp beraad en de voorzichtige keuze der Ouderlingen. Want op deze wijze zou elke beslissing van het volk" (bedoeld is d e gemeente) „veilig kunnen berusten in hun beider (n.l. van de Ouderlingen en de Overheid) samengevoegd gezag".
Ook volgens onze Gereformeerde Vaderen zou het maar 't makkelijkst zijn, indien de (vrome) Overheid haar arm wilde verleenen, om met (of zonder) de Ouderlingen en zonder dat de gemeeiite iets te zeggen had, alles klaar te maken en op te knappen.
Die verkeerde beginselen hebben funest gewerkt ten opzichte van onze Vaderlandsche Gereformeerde Kerk, die schandelijk onder het juk van de (vrome) Overheid door moest gaan, telkens.
't Is hier de plaats, om over de verhouding van de Overheid tot de Kerk een en ander te zeggen.
En dan weten we, dat aangaande de verhouding van den Staat tot de Kerk — of wil men van de Kerk tot den Staat ; of beter nog : van de Kerk tot de Overheid — altijd in 't midden van ons Nederlandsche volk eigenaardige gedachten hebben geleefd. We hebben maar even Artikel 36 van onze Ned. Geloofsbelijdenis te noemen, en dan voelen we 't al. Onze Gereformeerde Vaderen dachten zoo gaarne aan de theocratische bedeeling onder oud-Israël en nu wilden ze zoo gaarne, dat de Overheid óók voor de Kerk zou zorgen. De Overheid moest een Gereformeerde Overheid zijn. En met den Bijbel, Gods Woord, in de hand moest de Overheid er voor zorgen dat er was de gezuiverde of gereformeerde Kerk, om die Kerk te erkennen als de ware Kerk. Als Overheid moest zij weten dat de Roomsche Kerk de valsche Kerk was, die dus niet mocht worden geduld met haar afgoderijen. De Joden en de Protestantsche Kerkgenootschappen, die naast de Gereformeerde Kerk bestonden, moesten worden geduld, meer niet.
In de Zuidelijke-en Noordelijke Nederlanden moest het dus in de richting gaan van één publieke, officieel erkende, heerschende Kerk. Geen dienende Kerk, maar een heerschende Kerk. Geen Kerk in de minderheid, maar in de meerderheid. Een Kerk met gezag en invloed.
Vroeger was het geweest de eenig-ware Roomsche Kerk, nu moest het zijn de eenigware Gereformeerde Kerk. Die Gereformeerde Kerk was de gezuiverde Roomsche Kerk, en nu wilde men dat de Overheid den waren godsdienst meer tot z'n recht zou doen komen. Men stond overal een heilige kerkedienst voor welke in de plaats was gekomen van den onheiligen, onzuiveren, afgodischen, vervalschten kerkedienst van Rome. En ook de Overheid was verplicht dat overal te bevorderen ; opdat de heilige kerkedienst zich alom zou uitbreiden (vorderingen maken). Een publieke, officieel erkende, heerschende Gereformeerde Kerk moest er zijn in dezen lande.
Bij allen leefde de hoop op ééne religie in den lande, op ééne Kerk onder het volk ; maar dan nu niet de valsche Roomsche — maar de ware Gereformeerde Kerk, gezuiverd overeenkomstig Gods Woord. En voor een moeilijkheid in de verhouding van de Kerk tot de Overheid behoefde men — in dien gedachtengang — niet bevreesd te zijn ; want wat was er natuurlijker, dan dat men een christelijke Overheid overal kreeg ? Overal een Overheid als dienaresse Gods, om dan natuurlijk overal op te komen voor de ware religie en overal natuurlijk, den valschen godsdienst te weren of uit te roeien, 't Was alles zoo eenvoudig, dat een kind het begrijpen kon. Om Gods wil kon en mocht het niet anders en ook niet om de wille van het volk— zoo dacht men. Eén Kerk overal ; en dan natuurlijk nu de ware. Gereformeerde Kerk. En daarom moest alle valsche godsdienst en alle afgoderij worden geweerd of uitgeroeid en aan den heiligen, gezuiverden, waren Kerkedienst moest overal door de Overheid de hand gehouden worden ; dien moesten de Overheden overal, plaatselijk en gewestelijk, steunen en bevorderen. Het rijk van den Antichrist moest worden neergeworpen en uitgeroeid ; het rijk van den Christus Gods alom bevorderd. Met het zwaard !.... 't Was alles zóó natuurlijk, zóó vanzelfsprekend, dat de leer inzake „de verhouding van de Overheid tot de ware religie en de ware Kerk in een oogenblik overal was vastgesteld. Onder Israël was het zoo geweest; Constantijn de Groote en Karel de Groote hadden 't ook zoo gezien ; de Roomsche Kerk had 't ook zoo gezegd, de Reformatoren Luther, Zwingli, Calvijn — hoe zeer ook onderling verschillend — dachten er óók zoo over. Overal één Kerk voor heel het volk, en de Overheid moest daartoe een handje helpen en er zorg voor dragen, dat het met de ware Kerk goed ging. Daarvoor was zij toch immers „Gods dienaresse" ! Daarvoor droeg zij immers.... het zwaard !!
Het werd eenvoudig gezegd : zooals de Overheid voor de tweede tafel der Wet zorg moet dragen en b.v. het huwelijksrecht moet regelen, den diefstal weren, den doodslag straffen, den eed mag opleggen, ook voor onze eer en goeden naam tot op zekere hoogte te waken heeft — zoo moet de Overheid ook naar de eerste tafel der Wet zorgen voor alles wat de eere Gods raakt en moet afgoderij en valschen godsdienst weren en uitroeien en de hand houden aan de ware Kerk.
Van de neutrale Staatsidee geen spoor. Maar is dat nu 't zelfde, als dat de Overheid wat de eerste tafel der Wet betreft, het zwaard moet gebruiken en den valschen godsdienst moet weren en de verdedigers van den valschen godsdienst moet straffen en desnoods uitroeien ?
Zou de Overheid werkelijk met het zwaard, met haar Overheidsmacht en geweld, de ware Kerk moeten bevorderen en handhaven en allen die haar tegenstaan met het zwaard en met geweld moeten uitroeien ?
De gegevens van de eerste Christengemeenten, in het Nieuwe Testament ons verschaft, zeggen ons wel, dat het toen anders was. En in het Nieuwe Testament wordt ons ook nergens geleerd, dat de Overheid de roeping heeft, de Kerk met 't zwaard te maken tot de éénige en tot de heerschende Kerk.
Onder oud-Israël en in de dagen van de overheersching van het Christendom (Constantijn de Groote, Karel de Groote, enz.), kwam het zwaard van de Overheid ten goede aan de ware Kerk en werd het gehanteerd om de vijanden te dooden. Kerk en volk één.
Maar is zóó de gang van Christus' Kerk door de wereld volgens de gegevens van het Nieuwe Testament ?
Men weet beter!
En daarom kan men voor zoo'n beschouwing ook nooit maar één enkele bewijsplaats uit het Nieuwe Testament vinden !
Om de eenvoudige reden, dat het Nieuwe Testament ons deze dingen niet leert, niet voorhoudt, niet geeft.
En — met het Nieuwe Testament moet juist onze gemeenschap zijn, ook wat onze Staatsidee in haar verhouding tot de christelijke religie en de ware Kerk betreft.
Naar luid van het Nieuwe Testament moet ons dan ook voor oogen staan : Ie. dat de Overheid van God is ; 2e. dat het hare taak is de goeden te beschermen en de kwaden te straffen ; 3e. dat zij om Gods wille moet gehoorzaamd ; 4e. dat haar schatting moet betaald worden, én 5e. dat er voor : haar zal gebeden worden. (Prof. Visscher. Grijpt als 't rijpt, bladz. 33).
(Wordt voortgezet)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 mei 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's