De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

6 minuten leestijd

Een baken in zee.
De Tweede Kamer heeft de vorige week het wetsontwerp tot wijziging der Gemeentewet met overgroote meerderheid van stemmen aangenomen.
Thans is het woord aan de Eerste Kamer.
Volgt dit hooge college het voetspoor van het andere deel van de Volksvertegenwoordiging, dan is de vrouw, zoo spoedig de wet in het Staatsblad komt, benoembaar tot burgemeester, secretaris en ambtenaar van den burgerlijken stand.
Tot de leden der Tweede Kamer, die hun stem aan het wetsontwerp onthielden, behoorden de Antirevolutionairen, de Staatkundig Gereformeerden en 2 van de 8 aanwezige Christelijk Historischen.
Het blijft, omdat het hier ging om het behoud van een christelijk levensbeginsel, te betreuren, dat, toen de benoembaarheid der vrouw tot burgemeester in het parlement aan de orde was, niet minder dan 9 van de 22 Roomsch Katholieke Kamerleden hunne stem aan het Vrijzinnig-Socialistisch voorstel tot gelijkstelling van de vrouw met den man gaven. Hadden deze 9 Roomsch Katholieken anders gestemd, dan zou 't voorstel, dat met 46 tegen 35 stemmen werd aangenomen, verworpen zijn geworden.
Uit de stemmen van de meerderheid van de R.K. Kamerfractie tegen de vrouwelijke burgemeester, blijkt wel duidelijk, dat bij dit onderwerp geen Roomsch Katholiek beginsel in het geding was.
Daarom moet het bejammerd worden, dat te voren geen, overleg, tusschen de drie rechtsche partijen heeft plaats gehad, of mocht dit wel geschied zijn, de besprekingen niet tot het gewenschte resultaat hebben geleid.
De anti-papistische Kamerleden, die iedere samenwerking met de Roomsoh Katholieken uit den booze achten, mogen er zich over verheugen, dat het contact tusschen de Antirevolutionairen en Christelijk Historischen met de Roomsch Katholieke Partij verbroken is, en dat het plegen van overleg tusschen de drie rechtsche Kamerfracties tot het verleden behoort ; zij zijn echter de eersten, die de gevolgen daarvan hebben te dragen en die zich er dus niet over mogen beklagen, dat in de benoembaarheid der vrouw tot burgemeester weer een nieuwe schrede op den verkeerden weg werd gezet.
Dat deze benoembaarheid in de wet kwam, is een vrucht van den extra-parlementairen toestand, waarin wij, op dit oogenblik verkeeren.
De saamwerking tusschen de drie groepen der rechterzijde had de bedoeling om in wetgeving en bestuursmaatregel op de christelijke grondslagen van ons volksleven voort te bouwen en te waken tegen al dat­ gene, wat deze grondslagen kon ondermijnen.
Vooral de laatste doelstelling heeft in den loop der jaren veel kwaads tegengehouden, zoo ten opzichte van de handhaving van 't gezag, het hooghouden van het recht, het verdedigen van het huwelijk, het beschermen van het gezin.
Door een eensgezind optreden werd een krachtig bolwerk opgeworpen tegen de machten, die bezig zijn om het christelijk levensbeginsel te ondermijnen.
En al hebben de Protestantsch Christelijke partijen nu niet alles gekregen, waarnaar hunne verlangens uitgingen, toch mogen zij God danken, dat ons volk niet verder van het christelijk beginsel afgleed.
Het gevaar, dat wij nu in de toekomst loopen, doordat de partijen meer en meer hun eigen weg gaan, is, dat een doortastend optreden tegen den geest van den tijd moeilijker wordt.
Het anti-papisme doet aan dit alles veel kwaad. Het gebeurde bij de behandeling van de Gemeentewet is daarvan weer een bewijs.
Of zouden deze mannen verwachten, dat aansluiting bij, de linkerpartijen meer waarborgen biedt voor het doorwerken van de beginselen, die ons-christenvolk lief zijn ?
Het is wel wat onnoozel om te gelooven, dat gezag en recht, huwelijk en gezin, bij de Vrijzinnigen en Sociaal-Democraten veilig zijn.
Zeker, wij zouden wel wenschen, dat de meerderheid in het parlement uit mannen bestond van Gereformeerde levensbeschouwing. Doch het ligt niet in Gods bestel, dat dit nog ooit zal geschieden.
Wanneer de teekenen der tijden niet bedriegen, dan gaat het aan op het einde. En van die tijden heet het in de Schrift : „Doch de Zoon des menschen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde ? "
Met de belijders van den Christus gaat het niet in opgaande lijn. Integendeel : de revolutie wint veld.
Welke weg zal dan moeten worden ingeslagen om de christelijke grondslagen van ons volksleven tegen verdere ondermijning te bewaren ?
Men wil geen saamwerking van de drie rechtsche groepen in de Kamer.
Maar wat wil men dan wél ?
Zien de tegenstanders van saamwerking niet, dat 't in Staat en Maatschappij steeds verder langs het hellend vlak afgaat ?
Wij hebben in Gods kracht te redden, wat nog te redden is.
Laat de nieuwe stap, die gedaan werd op het pad om. tot de gelijkstelling van de vrouw met den, man te geraken, en die het christelijk levensbeginsel aantastte, een baken in zee zijn.

Spoedige maatregelen noodzakelijk.
Te Deventer is een comité van actie tegen het dansgevaar opgericht.
Dit comité geeft nu en dan een blaadje uit, waarin het danskwaad wordt besproken en op de verschrikkelijke gevolgen daarvan wordt gewezen.
Naar het comité schrijft, moet te Deventer veel gedanst worden en wordt vooral gedurende den Zondag aan den danslust de vrije teugel gelaten.
In 't Maartnummer van het blad ,,Waarheen onze schreden gaan", deelt de afdeeling Deventer van de Roomsch Katholieke reclasseering mede, dat de uitbreidende danswoede er toe leidt, dat tal van jeugdige personen zich uitgaven veroorloven, die ver boven hunne financieele draagkracht gaan, met het gevolg, dat de uitgaven tot het bezoek van dansgelegenheden en de daarmede gepaard gaande verteringen en ijdele opschik zich helaas, maar al te dikwijls wreken door het in het gedrang komen van de eerlijkheid.
Van lieverlede schijnt men — zoo schrijft de R. K. reclasseering — geen verschil meer te kennen tusschen het mijn en dijn, gesteld vertrouwen wordt op schandelijke wijze beschaamd, men eigent zich op wederrechtelijke wijze geld of goed toe, om de groote uitgaven te kunnen dekken, waarvan het gevolg is, dat men in aanraking komt met de politie en de justitie.
Dan wordt de hulp ingeroepen der reclasseering en blijkt het telkens, dat de openbare dansgelegenheden oorzaak waren van den financieelen en moreelen ondergang van deze jonge menschen.
Terecht wordt daarom aangedrongen, dat aan het dansen paal en perk zal worden gesteld.
Wij hopen, dat de stem, die nu ook weer uit Deventer wordt gehoord, tot spoedige maatregelen van overheidswege zal leiden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juni 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juni 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's