KERK,SCHOOL,VEREENIGING
NEDERLANDSCHE HERVORMDE KERK.
Beroepen te Lettelbert H. F. Stegenga te Assen — te Tjerkgaast H. W. Feenstra te Lollum — te Vinkeveen en te Wilnis B. van Ginkel cand. te Zeist — te Streefkerk C. G. H. Blok, cand. te Delft — te Nijega B. C. Visser, cand. te Amersfoort — te Nieuw-Buinen H. B. Spijkerboer te Gaast.
Aangenomen naar Made W, Sikken, cand. te Groningen — naar Willige Langerak J. W. Kleijne, cand. te Bodegraven.
Bedankt voor Genemuiden C. B. Holland te Delfshaven — voor Apeldoorn dr. G. Ph. van Itterzon te Alblasserdam — voor Opheusden H. A. de Geus te Huizen — voor IJmuiden H. P. Fortgens te Voorschoten — voor St. Annaland D. Bax te Puttershoek — voor Marken M. Verweij, cand. te Benschop — voor Yerseke J. H. Wessel te Burum — voor Garrelsweer W. Sikken, cand. te Groningen — voor Rotterdam— Vreewijk J. H. H. van Beem te Breda — voor Zierikzee dr. J. W. Samberg te Delden — voor Eemnes-Buiten K. J. van den Berg te Amersfoort — voor Hoornaar, Wilnis, Winsum en Woudrichem J. D. Kleijne, cand. te Bodegraven.
GEREFORMEERDE KERKEN.
Beroepen te Ferwerd F. van der Werff te Boornbergum — te Driesum F. van der Marel te Krabbendam.
— Ds. mr. J. F. Dijkstra, Ned. Herv. pred. te Hedel, heeft wederom het predikambt neergelegd.
Vóór hij het predikambt aanvaardde, studeerde ds. Dijkstra in de rechten en stond na zijn promotie aan het hoofd eener cultuur onderneming in Ned. Indië, waar hij ook veel journalistiek werk deed en o.m. een benoeming ontving als hoofdredacteur-directeur van het „Soerabajasch Handelsblad". Op 40-jarigen leeftijd ging hij aan de Utrechtsche Universiteit theologie studeeren. In 1916 verzocht hij het Provinciaal Kerkbestuur van Zeeland om te mogen proponeeren. Hij ging echter kort daarop over tot de Gereformeerde Kerken, waarin hij ook gedoopt is. 7 Maart 1917 werd hij beroepbaar verklaard in de Gereformeerde Kerken. Een week later verklaarde hij echter niet beroepbaar te zijn. Kort daarop onttrok hij zich aan de Gereformeerde Kerken.
In Februari 1918 vestigde hij zich als advocaat te 's-Gravenhage om in 1919 het proponentsexamen af te leggen voor het Provinciaal Kerkbestuur van Zuid-Holland, dat hem tot de Evangeliebediening toeliet. 30 September 1923 aanvaardde ds. Dijkstra het predikambt te Hendrik Ido Ambacht, waar hij dit 1 October 1925 weer neerlegde en de bevoegdheid van emeritus ontving. In 1927 stelde ds. Dijkstra, die zich metterwoon weer te 's-Gravenhage gevestigd had, zich wederom beroepbaar en 4 September van dat jaar deed hij te Hedel zijn intrede.
Godsdienstonderwijs. Het Classicaal Bestuur van Utrecht der Ned. Hervormde Kerk heeft na goed afgelegd examen de akte van bevoegdheid tot het geven van godsdienstonderwijs in de Ned. Hervormde Kerk toegekend aan mej. W. Broekman, mej. j. L. Kohlbrugge en mej. M. E. Serton, allen te Utrecht.
— Te Hilversum is in de vac.-J. Valk tot godsdienstonderwijzer bij de Ned. Hervormde Gemeente benoemd de heer H. W. Hofmeester, te Amsterdam, thans werkzaam bij de Evangelisaties te Krommenie en Wormerveer.
— Te Zwijndrecht heeft de Kerkvoogdij der Ned. Hervormde Gemeente het plan opgevat om ter herdenking van de trouw en toewijding van hen, die in de dagen der Doleantie voor veertig jaren in de Gemeente trouw bleven aan de Hervormde Kerk, een stille en waardige huldiging te doen plaats grijpen. Gesteund door milde handen is het mogelijk gemaakt dezen zomer eenige gebrandschilderde ramen te plaatsen ter gedachtenis aan dit voorgeslacht. Voor het ééne raam is het motief ontleend aan den intreetekst van wijlen ds. W. J. Lindonk, een andere naar aanleiding van een destijds gehouden predikatie over „Verzamel mij de overgeschoten brokken".
De eerste predikatie, nadat ds. Knol de kerk verliet, werd gehouden door dr. J. Th. de Visser, destijds predikant te Rotterdam.
Dr. j. Th. de Visser, Oud-Minister van Onderwijs, heeft zich bereid verklaard, de gebrandschilderde ramen te komen onthullen en over te dragen aan de Kerkvoogdij.
Vervolging in Rusland. De Russische Evangelische persdienst zendt ons enkele citaten uit de Russische bladen van den laatsten tijd, zoo b.v. uit de „Iswestija", dat „500 kleine boeren en dorpelingen te Donskoje bij Stawropoljschen besloten, om de kerkklokken en alle kostbaarheden der kerk den staat uit te leveren, als betaling voor een tractor." De „Komsomolskaja Prawda" meldt : „De georganiseerde kinderen der stad verlangden de onteigening der kerken. Zij hielden een demonstratie, waaraan meer dan 3000 kinderen deelnamen. Ingevolge het besluit van den raad der stad, een kinderkino in het leven te roepen, verlangden zij de onmiddellijke sluiting en doorvoering van dit besluit In de kerk komt dan een kino en een leeszaal voor kinderen." Hetzelfde blad vermeldt uit Podolsjk „Podolsjk moet een goddelooze stad worden ! De veldtocht tegen de laatste kerk wordt met groote geestdrift gevoerd."
De Besboshnik geeft een groot aantal berichten over het verbranden van beelden uit de kerken: zoo bv. werden in Gorlowka 4000 beelden verbrand. Hoe men aan die massa's komt zegt hetzelfde blad aldus : „Het kwam meermalen voor, dat de troepen der goddeloozen de huizen der boeren van een dorp één voor één afzochten en de beelden wegnamen." Ook uit de Besboshnik is het volgende : „Meermalen geschiedde het verwijderen van kerkklokken op de feestdagen en ook gedurende de godsdienstoefeningen. In de stad Morschansk waren zij die op den kerkdijken feestdag de klokken kwamen onteigenen, dronken." Dr. O. Schabert schrijft uit Riga : „In Tobolsjk zijn van de 17 kerken er thans 16 gesloten. De klokken zijn verwijderd en de kerken zijn grootendeels in gevangenissen veranderd ; voor gevangenissen toch, komt men steeds plaats te kort." En zoo gaat het met groote eentonigheid bericht na bericht voort en teekent een onderdrukking en verwoesting, welke aan de schrikkelijkste tijden der martelaren herinneren.
Verslag van den Tweeden Zendingsmiddag in het Gooi. Evenals verleden jaar, had ook nu weer de Hulpvereeniging van den Gereform. Zendingsbond te Hilversum, met hulp van de omliggende Hulpvereenigingen, een Zendingsmiddag georganiseerd. Het was dan ook daarom, dat er op Hemelvaartsdag een groote schare bijeengekomen was in het Spanderswoud te Hilversum. Er waren, niet alleen menschen uit het Gooi, maar ook uit andere deelen des lands, zelfs uit Delft en Maasland, tegenwoordig. Onder de bezoekers zagen wij ook ds. Klomp, den vice-voorzitter van den G.Z.B. Nadat er gezongen was Psalm 138 vers 1, opende ds. W. J. van Lokhorst de bijeenkomst en las Philipp. 2 vers 1—11, waarop hij voorging in, gebed. Hierna hield spreker een korte openingsrede, waarbij tevens de sprekers ingeleid werden. „Het is voor mij een groote blijdschap, om het openingswoord te mogen, spreken. Wat heeft de Heere het wèl gemaakt, dat Hij ons zooveel goeds heeft geschonken. De Hemelvaartsdag is bij uitstek voor een Zendingsmiddag geschikt. Heeft de Heere Jezus op den Hemelvaartsdag Zijn jongeren niet gezegd, dat zij Zijne getuigen zouden zijn van de zee tot aan de zee ? Op den Hemelvaartsdag zien we den Christus na, die daar zit aan de rechterhand des Vaders, als de groote Profeet, Priester en Koning. Alle dingen leidt Christus naar het einddoel. Wanneer we dat groote werk des Heeren kennen, is dan ons hart niet brandende in ons ?
We hebben zoo even in Philipp. 2 gelezen, dat in den naam van Jezus zich alle knie zal buigen, dergenen, die in den hemel en die op de aarde, en die onder de aarde zijn. Ze zuilen Hem allen zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben. Wij zien nu nog lang niet, dat alle dingen Hem onderworpen zijn, maar later zullen we 't zien. Hij zal komen, om te oordeelen de levenden en de dooden. Is er een verlangen bij ons naar Zijn komst. Bidden wij : „Kom, Heere Jezus, ja kom haastiglijk" ?
Er is verband tusschen de Hemelvaart en de Zending. Als we leven uit dien Priesterkoning, dan zullen wij ook doen, wat onze hand vindt om te doen. Dan bidden we : „Heere, kom met Uwen Geest en Uwe genade!"
Mijn hoorders ! Hebt ge het nu al geleerd om de knie voor Hem te buigen ? Het zal wat wezen, wanneer Hij straks tot ons zeggen zal : „Gaat weg van mij, gij werkers der ongerechtigheid, Ik heb u nooit gekend".
Het einddoel is niet alleen de heerlijkheid van Christus, maar de verheerlijking van den Drieeenigen God. Het einde zal dit zijn : God alles in allen. God make het zoo, dat wij Zijn stem vanmiddag mogen beluisteren. Dat onze bede moge zijn : „Uw Koninkrijk kome en verbreek het werk van Satan".
Spreker beval hartelijk de collecten aan, die dezen middag vele zouden zijn.
Na het zingen van Psalm 67 vers 1 werd het woord gegeven aan ds. J. Vermaas, van Ter Aa, die tot onderwerp had : „Zijne Eer". Vooraf liet spreker zingen Psalm 22 vers 14.
„Wat zal de gemeente des levenden Gods brengen aan de volkeren dezer wereld ? Niet alleen hetgeen dat wij door onze verstandelijke kennis bezitten, maar juist datgene dat de gemeente Gods werkelijk bezit in haar persoonlijke leven. Hebben we werkelijk iets in ons persoonlijk leven, dat we uit kunnen dragen in het midden dezer wereld ? Alles wat omgaat buiten het Woord des Heeren zal geen enkel menschenhart kunnen bevredigen. Daarom zal niet de mensch het te zeggen hebben, wat den volke verkondigd zal worden. Niet w i j hebben het te zeggen, noch in ons eigen, leven, noch in het leven der heidenen. Wij hebben te luisteren, en dat willen wij juist niet. Daarom zette God Zelf door de kracht Zijns Geestes ons dezen middag maar stil, opdat wij Zijn stem mogen hooren.
Wij hebben het woord van den opgevaren Koning : „Predik het Evangelie". Dat is hetzelfde in wezen, wat ook de Oud-Testamentische zanger gezongen heeft in Psalm 96 vers 3a:
Vertelt onder de heidenen Zijne eer.
Die eere des Heeren omvat, in 't kort gezegd, het Wezen Gods, zooals Hij dat heeft opengelegd in Zijne openbaring. Al die openbaringsdaden des Heeren moeten geroemd, geprezen en uitgedragen worden in het midden der heidenen. Dan zal de mond nooit uitgesproken komen. Dan moet ook den heidenen verteld worden, .dat de hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. Wat de mensch dan ook vermag, is het niet van Hem, die alles draagt door het woord Zijner kracht ? Dat lied moet de gemeente "des Heeren onder de heidenen doen aanheffen. Ze moet niet alleen bezingen de majesteit, die tentoongespreid wordt in de Schepping maar ook het recht en het gericht van den troon Gods behoort tot Zijn eer, maar ook de waarheid en de genade. Is het niet het nooit te vatten wonder, dat die Almachtige zich heeft willen openbaren aan zondige menschenkinderen ? Die openbaring Gods, die eer des Heeren is het oordeel voor de wereld, maar tevens de verlossing. Zijn arm is niet alleen een arm van gerechtigheid, maar ook van heil. In Christus, het vleeschgeworden Woord, hebben we de eer des Heeren. Dat is het, wat de gemeente van Christus heeft, wat ze ook weet Vertel het nu onder de heidenen terwille van de eer des Heeren. Die God is een God van de gansche aarde. Zou het kruis van Christus verborgen mogen blijven voor de menschen ? Immers neen. Hef de fakkel van de openbaring Gods op, ook onder de donkere heidenwereld. Die eere Gods moet ook komen tot den heiden als mensch, want hoe zullen ze gelooven in Jezus Christus, indien Hij hun niet gepredikt wordt ? We kunnen echter niet allen Zendeling zijn, maar toch moest er in ons aller hart de drang des Geestes zijn om die eere Gods te doen uitdragen onder de heidenwereld. Zult gij op dien grooten dag uw schoven dragen met gejuich in de schuren Gods ? Zult gij gekroond worden met een kroon ? Indien dat niet zoo zal zijn, dan zal het wezen, omdat ge Zijn eer niet uitgedragen hebt. Die tijd zal aanbreken, waarvan de Psalmist gezongen heeft: „En waar men ooit de wildste volken vond, zal God ontvangen aanbidding, eer en dank'bre lofgezangen".
Nadat er gezongen was Psalm 22 vers 16, werd de eerste pauze gehouden, waarin druk gebruik gemaakt werd van de consumptie, die op het terrein verkrijgbaar was.
Na de pauze trad ds. R. Bartlema, van Zeist, op en liet zingen Psalm 119 vers 69. Zijn onderwerp luidde : „Getuigen".
„Toen Jezus heenging van deze aarde, zeide Hij : „Gij zult mijne getuigen zijn". We kunnen dan ook het boek der Handelingen zien als het boek des getuigenis en der getuigen. De Heere Jezus heeft.dat woord gezegd als antwoord op een vraag : „Wanneer zult Gij het Koninkrijk weder oprichten ? " Het was een heilig begeeren. Christus werkt in de harten der Zijnen en zoo zeggen zij : .Heere, wanneer komt dat Koninkrijk toch". Het brandt in de harten van de jongeren.
Hoe ziet de Cliristus ons hier? Wij zijn, hier samen voor onze Zending, maar 't moet toch Gods Zending zijn.
Getuigen zijn. Christus schildert hier den gang van het werk, en het is een smartelijke gang. Een akker moet bewerkt, toebereid, gezaaid worden. De landman echter ziet men smart naar akker en zaad. Ze zullen met tranen zaaien. Getuige of martelaar zijn is een smartelijk werk. Een getuige is iemand, die iets met eigen oogen gezien heeft en dat verkondigt. Zendingswerk moet zijn : getuigen. Zending is lijden, lieven en loven, als daar achter ons staat Jezus Christus. Gij zult mijne getuigen zijn. Wie zijn dat? De elven ? Zeker, het is tot hen gezamenlijk gezegd, maar zij zijn de vertegenwoordigers van Gods Kerk hier op aarde. Gods Kerk moet Christus' getuige zijn. De apostel zegt: „hetgeen wij gehoord, gezien en getast hebben, dat verkondigen wij u". Ik zie niet op instellingen, maar op de Kerk. Ze moet getuigen, en dan ondervindt ze : „Ze hebben Mij vervolgd, ze zullen ook u vervolgen". De Kerk, in het bijzonder de Gereformeerde Kerk heen gevoeld : we moeten de Zending niet aan een ander overlaten. De Gereformeerde Zendingsbond is opgericht, toen het Gereformeerde leven weer begon op te komen in de Kerk. Gods Kerk moet overal getuige zijn, in gezin, bedrijf en kerkelijk leven. Als de Kerk leeft uit het kruik van Immamuël, dan moet ze ook Zending drijven. God heeft rijkelijk gezegend. Is er niet een gevaar, dat over ons komt een zelfvoldaanheid ? Het is altijd weer noodig, dat de Kerk wordt opgewekt. De Kerk dreigt in, tweeën te gaan, doch wat wij in de Kerk moeten hebben, moeten we ook hebben op het gebied der Zending, namelijk éénheid. Het moet gaan om de eer van Immanuël. Is er geen inzinking in onze actie .Ik denk aan de laatste ledenvergadering. Waar was het volk ? Of denkt men soms, dat het bestuur het toch wel goed doet en dat dan de leden niet behoeven te komen ? Denk eens aan Paulus. Toen hij te Rome kwam werd hij gesterkt door de ontmoeting met zijn broederen. Christus heeft gezegd: gij zult.
Laat het door Gods Geest nu ook in uw hart den weerklank vinden : „gij zult getuigen", dan krijgt ge den strijd met uzelf en met de wereld.
Zalig als Hij begint, dan voleindigt Hij ook. Laat die Geest, dat Woord ons aangrijpen. Wij mogen 'niet stil staan. Hoe het moet, weten we niet. God weet het.
Onlangs is Zendeling Heusdens uitgezonden door de gemeente Putten, maar welke gemeente neemt hem straks aan, als hij terugkomt uit het Zendingsveld na volbrachte taak ? Welke gemeente zal hij dan mogen dienen als herder en. leeraar? Jammer, dat de Kerk daarin nog niet voorziet!
Dat wij toch een gemeente mogen zijn als Philadelphia. Hij make ons getuigen van Zijn eer.
Gezongen werd Psalm 118 vers 14.
Als volgende spreker trad op ds. J. Ooslinga, van Utrecht.
Eerst werd .gezongen Psalm 47 vers 1.
Het onderwerp luidde :
„De Hemelen geopend". „In het Oude en Nieuwe Testament lezen wij telkens van een geopenden hemel. Ik zal echtei niet spreken over hetgeen de ziener op Patmos zag, ook niet wat op Hemelvaartsdag gezien werd, noch Petrus op het dak te Caesarea. Wij zijn veel eerder geneigd op iets anders te letten dan op den Heere. Als wij den Heere gezien hebben in Zijn ware gedaante, dan leeft de ziel. Onze keuze is gevallen op het zien van den geopenden hemel na de hemelvaart van Christus, namelijk Hand. 7 vers 56 : „en hij zeide : „Zie, ik zie de hemelen geopend en den Zoon des menschen staande ter rechterhand Gods." Het was Stephanus, de eerste bloedgetuige die deze woorden sprak. Hij mag hier getuigen wat hij gezien em gehoord ; had. Zoo juist had Stephanus tot den Joodschen raad gesproker, en hij had hun gezegd, dat zij den Christus niet hadden aangenomen, maar Hem hadden gekruisigd. Toen ze dat hoorden knersten zij de tam den. Juist toen, toen de hel losbarstte, werd de hemel voor hem geopend. De heerlijkste openbaringen worden juist ervaren in een tijd van strijd.
Saulus van Tarsen stond ook hier vooraan. Een pijl bewoog zich van Gods Geest en trok juist dezen Saulus. Juist de bede van Stephanus : „Heere, reken hun deze zonde niet toe ? " werd direct in een Saulus beantwoord, zonder dat hij het begreep. Bij dat getuigen valt Stephanus geheel weg, hij denkt aan geen resultaat, maar de Heere geeft te bidden. Als God werkt dan valt de eene aar naast de andere. God komt, wanneer de wereld en satan hoogtij vieren. Er was naar den mensch gesproken geen benauwder oogen.blik dam de dood van Christus en toch was het resultaat eenig in zijn soort. In de donkerheid der tijden wordt het licht geboren.
Stephanus ontvangt een blik van bijzondere openbaring, toen de hemel geopend werd. Hij zag God Zelf in Zijn, liefelijkste openbaring en naast Hem den Christus. Hij beschrijft dan ook : „en de Zoon des menschen staande ter rechterhand Gods." Dit is de eenige plaats in de, Schrift, waar door een menschenkind gesproken wordt over den Christus als Zoon des memschen. Onze Catechismus zegt dan ook zoo schoon : „wij hebben ons vleesch in den hemel."
Stephanus zegt hier dat hij Jezus zag staan ter rechterhand Gods, terwijl Jezus zelf gezegd had dat zij Hem zouden zien, zittende ter rechterhand Gods. Zou Stephanus zich hier soms vergissen ? Neen, mijne hoorders, Gods Geest kan zich niet vergissen. Wanneer Christus zegt, dat Hij z i t, dan zegt Hij dat ten opzichte van Zijn vijanden, want dan zit Hij als rechter.
Een rechter zit, maar een. advocaat staat. Daarom zien Gods kinderen Christus, staande ter rechterhand Gods, als een pleitbezorger tusschen God en Zijn vrienden. Er is geen nood, laat Satan en heel de wereld komen. Er is geen gevaar te duchten.. Hij, de advocaat "kan het nooit verliezen, omdat het alles rust op de eeuwige verkiezing Gods. Hoe verschrikkelijk, wanneer we geen advocaat hebben. Blijve uw oog in deze den Allerhoogste alleen zoeken. Wat Jacob in Bethel overkwam, overkome ook u, ook wat de ziener op Patmos eens zag, moge ook u gebeuren en wat Petrus eenmaal zag, zie ook uw oog en wat Stephanus aanschouwde, aanschouwe ook gij ! En als ons oog eens breke, dat er dan niets anders overblijve dan : „Ik zag niets dan Jezus alleen."
Nadat spreker liet zingen Psalm 73 vers 13 kondigde hij de tweede pauze aan.
Na de pauze trad op .ds. J. H. F. Remme, van Amsterdam, met het onderwerp :
„Van Dennengroei."
Eerst werd gezongen .Psalm 75 vers 1. „Toen ik de uitnoodiging kreeg om hier in het Gooi te komen spreken, dacht ik dadelijk aan de dennen. Ik had mij dan ook voorgenomen om te spreken over den groei der dennen. We lezen in de Schrift : „voor een doorn zal een denneboom opgaan."
Zendingswerk is een zwaar werk, een onbegonnen werk. Er is geen moeilijker werk dan menschenzielen te bearbeiden. Er is geen stugger en moeilijker materiaal dan menschenzielen vooral om ze te brengen aan de voeten van Immanuël. Nu heeft Gods Woord van die mooie beeldspraak, waarmede die omzetting van een menschenziel geschilderd wordt. We denken b.v. aan het beeld van den pottenbakker. Ook het beeld ons geteekend in Jes. 55 : „voor een doorn een denmeboom opgaan" is zoo treffend. Wij vragen ons moedeloos af: „Is dat nu geen onbegonnen werk, om menschenzielen te brengen tot God ? " dan zegt God : neem, want voor een doorn zal een denneboom opgaan.
Wat is Jesaja 55 tooh een wonderschoon Schriftgedeelte: Wat een vriendelijk lokken. Het gaat zoo wonderlijk langs Gods wegen. In plaats van een doorn, die u den weg belemmert en uw voet steekt, die niet meer waard is dan verbrand te worden, zie het beeld des menschen, daarvoor zal nu een denneboom opgaan. De denneboom, het beeld van de nederigheid, is tevreden met weinig en sobere grond. Slank rijst hij op als een vinger ten hemel. Ook deze dennen zijn begonnen als nietige stekjes, maar staag groeien zij voort, en straks verspreiden zij voor den wandelaar een verkwikkende schaduw. Ziedaar het beeld. Zoo ook hier weer het wonderwerk van Gods genade. Dennengroei ieder stekje groeit en wordt een boom.
Die wat moois van den mensch wil lezen., moet niet in den Bijbel gaan zoeken, want in den doorn vindt gij uw vernietigend beeld. Menschen zijn doornen, dreigen met hun stekels, hinderen en doen veel kwaad.
Toen de Heere Jezus op aarde was, heeft Hij een smaadvolle doornenkroon van de menschen ontvangen als loon op Zijn liefdevol werk.
Ook onze Zendingsarbeid heeft vaak kennis gemaakt met den doornigen geest van den mensch. We zouden zeggen : „onbegonnen werk !" Toch niet, want God kan er een denneboom voor doen opgaan.
Het gaat er niet om, dat onze Geref. Zendingsbond naam zal maken onder de Zendingscorporaties, neen, het zal moeten zijn : „Soli Deo Gloria". Alles zal neergelegd moeten worden aan de voeten van Hem, die uit dat koude hart nog doet voortkomen, wat zal zijn tot eer en tot lof en tot glorie Gods.
Er is een tijd geweest, dat in deze wouden gerookt hebben de altaren van de drekgoden der Germanen. Niet dat het bij ons beter is, maar met alleen te klagen zien we Gods wonderen niet. Zijn Naam zal nooit verbleeken en Zijn teeken zal niet uitgeroeid kunnen worden. Dat dit beeld ook inkeeren mocht in onze harten. De Wachter Israels sluimert niet".
Daarna werd gezongen Psalm 111 vers 2, waarop ds. A. Luteijn, van Huizen, de slotrede hield, nadat vooraf gezongen was Ps. 118 : 1.
„Nu is het slotwoord en ook het einde daar", zult gij zeggen. Neen, als wij uit elkander gaan, moet het pas beginnen. Wij zijn hier samengekomen om elkaar te wijzen op den nood der Zending en de schuld der Kerk ten opzichte van de heidenwereld. De aarde moet vol worden van Zijne heerlijkheid. Wij bidden misschien dagelijks : „Uw Koninkrijk kome". Dat wil toch ook zeggen : „Bewaar en vermeerder Uw Kerk". Wanneer Jezus op den troon zit in ons hart, dan zullen wij ook Zendingsvrienden worden. .Hij zal zijn met de uitdragers van Zijn Evangelie. Wij willen wijzen op een profetie van Bileam : „Daar zal water vloeien uit Zijne emmeren". Bileam, een man, die gelijk God en wereld wilde dienen, heeft toch zulke heerlijke profetiën gesproken over Israël. Het beeld, dat hij hier gebruikt, zullen wij, Westerlingeir, misschien niet zoo vatten. Wij kennen niet, zooals de Oosterling, het gebrek aan water. Dien rijkdom van water ziet Bileam als den schat, dien God aan Zijn Kerk geven zal. Waar Israël zijn stappen zetten zal, daar zal zegen afdruipen op de heidenwereld. Rijker nog dan onder Israël, zullen de emmeren der Christenen gevuld zijn.
Deze wereld geeft den vrede voor de ziel niet. Deze wordt alleen gevonden in den Heere Jezus. Een verbroken en verslagen geest vindt alleen de liefde bij het kruis van Christus. Dood en graf zullen ze dan niet meer behoeven te vreezen. Welk een rijkdom van zegeningen. De Heere is een fontein des Heils. Deze fontein heeft de Kerk nu niet alleen voor zichzelf, maar zij moet die uitstorten op de heidenwereld. Die heidenen zijn toch ook nakroost van dienzelfden vader Adam. Er zijn reeds mannen uitgegaan met hun emmers naar de heidenwereld, tot lof des Heereii. Er gaat leven ontkiemen in de heidenwereld. God werkt kennelijk in de heidenen De velden zijn wit om te oogsten. Ze komen met de bede : „Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal ? "Onze gedurige bede zij, dat Hij mannen uitzende in die heidenwereld, als emmerdragers. Moge ook deze Zendingsmiddag er toe bijdragen, opdat wij er toe gedrongen worden om opnieuw de hand aan den ploeg te slaan. God gebruike ook het woord van dezen middag, opdat er nieuwe Zendingsdrang moge komen ook onder de Toradja's.
Spreker dankt allen, die er toe medegewerkt hadden dat deze middag wèl slagen mocht. Nadat er gezongen was Psalm 72 vers 1, sloot spreker dezen Zendingsmiddag en ging voor in dankgebed.
J. Hovius jr.
's-Graveland.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juni 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juni 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's