De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Geestelijke vrijheid.

16 minuten leestijd

Waar de Geest des Heeren is, daar is vrijheid. 2 Corinthe 3 vers 17b.

Het is nog zoo kort geleden, dat de gemeente bepaald werd bij 't aloude en overbekende woord : „Als de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen". Het was een schare van omtrent 120 personen, die biddende samen waren, op wie het woord van den dichter van toepassing was : „Ai ziet, hoe goed, hoe lieflijk is 't, dat zonen van 't zelfde hui als broeders samen wonen. Waar 't liefdevuur niet wordt verdoofd".
Zij waren wachtende op de uitstorting des Heiligen Geestes. Doch tevergeefs was hun wachten niet geweest. Want hier was het openbaar geworden : „Indien Hij vertoeft, verbeid Hem, Hij zal gewisselijk komen".
De Heere heeft Zijn belofte vervuld op Zijn tijd en wijze. Van achteren zagen zij het, waarom de Heere dit tijdstip voor deze groote gebeurtenis gekozen heeft. Het was, opdat een groote schare getuige zou zijn van de groote wonderwerken des Heeren zelf.
Laten wij ook nu nog eens mogen spreken over de onwederstandelijke werking van Gods Heiligen Geest.
In dit derde hoofdstuk van den tweeden Zendbrief aan de Corinthiërs teekent de apostel het onderscheid tusschen de Oud-en Nieuw-Testamentische bedeeling. Want hij noemt de Oud-Testamentische bedeeling een bedeeling des doods, en dan zegt hij, indien de bediening des doods in letteren bestaat en in steenen uitgedrukt is, hoe zal niet veel meer de bediening des Geestes in heerlijkheid zijn. Want onder het Oude Verbond zijn hunne zinnen verhard ; en tot den huldigen dag toe, wanneer Mozes gelezen wordt, ligt een deksel op hun hart.
Doch als het tot den Heere bekeerd is, zoo wordt 't deksel weggenomen. De Heere nu is de Geest ; en waar de Geest des Heeren is, daar is vrijheid. M.a.w. nu het oude voorbijgegaan is, nu is alles nieuw geworden.
daar is vrijheid. Mij dunkt, ik hoor dezen of genen zeggen : waar wordt die vrijheid gevonden ? Want naar vrijheid snakt ieder levend wezen. Naar vrijheid verlangt het dier, dat opgesloten zit ; de vogel in zijn kooi ; de visch die in 't net gevangen wordt, eenmaal in den staat der rechtheid, naar Gods beeld en gelijkenis geschapen, was de mensch vrij. Slechts met één band was hij gebonden, doch dit was niet een knellende zondeband die hem pijn deed, doch dit was een liefdeband, die band die gelegd was tusschen een goedertieren Vader en het kind. Een band, die hem bond aan zijn Schepper en Formeerder.
God had den mensch goed geschapen ; dus het was een gebondenheid die aan zijn Wezen paste. Het was de vraag van zijn hart : „Heere, wat wilt gij, dat ik doen zal ? " En nu is de mensch deze vrijheid kwijtgeraakt. Want de Satan kwam tot hem en beloofde een veel hoogere en heerlijker vrijheid. Hij zou als God wezen, kennende het goed en het kwaad. Hij geloofde den verleider, zijn oog werd geopend en hij raakte zijn vrijheid kwijt. Moedwillig verbrak hij dien band, waarmede hij gebonden was aan zijn Schepper.
En die beloofde vrijheid ? Och, zie hem daar ronddolen als een banneling, een verstooteling buiten den hof van Eden, voortgejaagd met een ongeruste consciëntie.
Is dit vrijheid, dat hij gedwongen is aan de onder den vloek der zonde liggende aarde zijn brood te ontwoekeren ? , Is dit vrijheid, dat hij straks sterven moet en niet kan en niet wil sterven ?
Wat diep gevallen is de mensch. Naar Gods beeld geschapen, naar het beeld des Drieëenigen ; ziet, nu is hij geworden een bedddrager van Satan, een kind van den Vorst der duisternis.
Hij meende vrij te komen, en vaster dan ooit is hij gebonden. Met een liefdeband was hij aan zijn Schepper gebonden, en met ijzeren ketenen, die hij nooit verbreken kan, ligt hij nu vast aan den tyran, die het op het eeuwig verderf van het schepsel gemunt heeft, alleen om dat schoone scheppingswerk te vernietigen.
Ontzettend is de zondeval geweest Het staat in Genesis 3 met zulke eenvoudige woorden geteekend, en wij lezen er zoo licht overheen, doch wanneer de zegelen van dat boek eens ontsloten worden en wij door Gods vrije genade zondaar voor den Heere mogen worden, als wij door dien vrijmakenden Geest aan onszelf ontdekt worden, dan leeren wij pas gevoelen de .grootheid van onze zonde en ongerechtigheid. Dan, als wij met erfschuld en dadelijke schuld te doen krijgen, dan wordt die zonde van Adam onze zonde en leeren wij uitroepen :
't Is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf, Neen, 'k ben in ongerechtigheid geboren.
Mijn zonde maakt mij 't voorwerp van Uw toorn Reeds van het uur van mijn ontvangnis af.
Want dan worden die ketenen wel knellender, doch als het is : „Mijn geroep uit angst en vreezen, Klimt tot God, het Opperwezen", dan zal het worden : „Deze ellendige riep, en de Heere hoorde".
Doch van nature ziet de mensch de oorzaak niet, waarom hij zijn vrijheid kwijtgeraakt is. De gevolgen van de gevangenschap worden wel gevoeld, doch anders leeft hij voort, gerust, zich niet bekommerend om God noch Zijn dienst.
Doch niettegenstaande dit alles, doet de wereld, haar best wel om vrijheid deelachtig te worden. En zag de mensch het nog maar in, dat hij in banden van den vijand nederlag. Doch de mensch verlangt geen vrijheid, die hem komt vrij te maken.
Hij neemt immers geen toevlucht tot de vrijstad Christus, hij werpt zich niet neer als een ongelukkige voor den troon der genade. Hij komt in opstand, hij steekt de vuist op en in pure vijandschap roept hij het uit : Wij willen niet, dat deze Koning over ons is. Hij meende, door den band met God te verbreken vrij te zijn, en nu wordt hij voortgedreven, met ijzeren ketenen gebonden, die hij niet verbreken kan, naar den eeuwigen afgrond.
Ontzettend, die gevangenschap van Satan. En al is de Heere lankmoedig, groot van goedertierentieid, eenmaal komt de dag en de ure van afrekening, en vreeselijk zal het wezen als het in vervulling gebracht wordt : Zij storten van de plaats van eer, In eeuwige verwoesting neer.
Hebt gij het knellen van de banden der zonde wel eens gevoeld ? Geve de Heere, dat het u leiden mag tot verootmoediging voor 's Heeren aangezicht met de bede en verzuchting : Heere, wil Gij die banden der gevangenschap verbreken, eer het voor eeuwig te laat is, opdat gij 't verstaan moogt : Bij den Heere is vergeving, opdat Hij gevreesd wordt.
Doch wij zouden spreken over de vrijheid. En niet de gebondenheid van Satan is vrij'heid, doch er wordt een andere vrijheid gevonden, gelijk hier Paulus zegt : Waar de Geest des Heeren is, daar is vrijheid. Waar de Geest des Heeren is. Het is die Geest, die op dien eersten Pinksterdag uitgestort werd. Die Geest, die het heele huis vervulde waar zij zaten, werkt onwederstandelijk. Wij houden tegen, zoolang wij kunnen, totdat het oogenblik aanbreekt dat wij moeten uitroepen : .Heere, Gij zijt mij te sterk geweest ; Gij hebt overmocht.
En langs welken weg de Heere in 't hart intrek neemt, het doet er niet toe, als die Geest des Heeren komt werken, reinigt Hij en vernieuwt Hij. Hij neemt alles in beslag. Als de ziel uitroept : Ik lag gekneld in banden van den dood, Daar d' angst der hel mij allen troost deed missen ; Ik was benauwd, omringd door droefenissen. Maar als die Geest doorwerkt, dan ziet gij pas den verloren toestand ; dan doet de Geest heete tranen schreien over de zonde. Over dien Geest heeft niemand iets te beschikken. Want als de zondaar zichzelf leert verfoeien en zich afvraagt of er voor zulk een nog ooit een ingang in het Koninkrijk Gods mogelijk is, want hij kan het niet gelooven, omdat hij tegen zulk een heilig Wezen gezondigd heeft, dan openbaart die Geest zich als de Geest des vertroosting.
Want als die Geest onwederstandelijk werkt, blijft het niet bij een kennis van ellende. Want als dan de weg der verlossing ontsloten wordt en de ziel verwaardigd wordt neer te zinken op de Borggerechtigheid van Jezus Christus, dan leeren zij pas verstaan, hoe Hij alleen het geweld van Satan verbroken heeft. Hij heeft door Zijn bitter lijden en sterven voldaan aan 't recht van God. Hij heeft volkomen de verlossing teweeggebracht en voor Zijn Kerk verworven. Als Borg en Middelaar heeft Hij alles volbracht. Hij heeft de straf gedragen. En wanneer het gold voor de wetsovertreders : Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet om dat te doen, dan staat daar de ontdekte zondaar bevend tegenover Gods heilige wet, schuldig aan alle geboden Gods, niet één van dezelve heeft hij onderhouden van zijne jonkheid afaan ; doch wanneer het werk van dien Borg door dien Geest toegepast wordt, dan ziet hij hoe alles opgeleverd is geworden wat nooit opgeleverd kon worden door eenig schepsel ; hoe Hij met één offerande volmaakt heeft degenen die geheiligd worden.
Waar die Geest werkt, werkt Hij levendmakend. Denk maar aan het gezicht van de dorre doodsbeenderen. Als de profeet uitroept : Kom, gij geest van de vier winden, blaas in deze dooden, opdat zij levend worden, dan keert het been tot zijn been, de geest komt in hen, totdat het wordt een groot en machtig heir, om de groote werken Gods te vertellen.
Als de Geest werkt, worden de hooge boomen ontworteld en de nooddruftige, mitsgaders de ellendige en die, die geen helper heeft, worden vertroost.
Die Geest wordt genoemd : de Geest des gebeds. Hij doet den armen zondaar tot den genadetroon de toevlucht nemen. Hij is de Geest der vertroosting. Hij slaat, doch Hij heelt. Die Geest is noodzakelijk. Hoor maar hoe de Bruid het uitroept : „Ontwaak, gij Noordenwind, kom, gij Zuidenwind, doorwaai mijn hof, opdat zijn specerijen uitvloeien."
Welk een volheid, nietwaar, en die altoos werkende Geest doet uit die volheid toekomen genade voor genade.
Waar de Geest des Heeren is, daar is vrijheid. En nu zult gij het mij wel toestemmen, dat dit een andere vrijheid is dan de wereld geeft. Straks hadden wij het er over, dat de mensch meende vrij te zijn ; maar hij werd gebonden door Satan met zulke sterke, Onverbreekbare ketenen, dat als er geen hooger hand aan te pas kwam, zou er nooit uitkomst wezen.
Doch door die goddelijke genadewerking is dit geschied. Hij maakt vrij van de heerschappij van Satan. Hij maakt vrij van den vloek der wet.
Doch dit wil niet zeggen, versta mij wel, dat de vrijgemaakte zondaar altijd in die vrijheid zou staan. O neen, er wordt niet één reiziger naar het hemelsch Sion gevonden of hij heeft . kennis aan die klacht : Als ik het .goede wil doen, ligt het kwade mij bij. Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods.
Hoe vaak gebeurt het niet, hoewel hij later die dwaasheid met bittere tranen betreuren moet, dat hij nog wel eens omziet naar de zondebanden van vroeger en zich nog weer komt te verheugen in den zwijmeldrank der zonde. De wereld blijft zijn invloed uitoefenen zoo lang zij ; hier in dit leven zijn, en de klacht moet nog menigmaal opstijgen : Ik wist niet, dat mijn teere ziel zooveel van 't aardsche overhield.
Doch Gode zij dank, Gods Kerk heeft te doen met een Sterkere, die aan den Satan zijn vaten komt te ontrooven en die nooit laat varen de werken van Zijn handen.
En al is het dat telkenmale de klacht wel eens moet opstijgen, toch zal de bede weer opklimmen : „Heere, vereenig mijn hart tot de vreeze van Uwen Naam".
En de wet, die doodend was voor den ontdekten zondaar, omdat hij bij den tastenden berg niet bestaan kon, wordt nu een regel der dankbaarheid, en daarop ziende kan hij nu uitroepen : Hoe lief heb ik Uw wet, het is mijn doel den ganschen dag haar ijverig te betrachten.
Want als zij daar staan bij den tastenden berg en de verzuchting opstijgt : Wie zal klimmen op den heiUgen berg des Heeren ? , dan is dit de troost voor al Gods vrijgemaakt volk, dat zij dit niet te doen hebben, doch een ander heeft dezen beklommen, n.I. Hij, die gezegd heeft : Zie, Ik kom om Uw wil te doen. En als de ziel daar staat, verwaardigd om achteraan te mogen treden, getrokken door de koorden der liefde en de banden der goedertierenheid, dan is er weer vrijheid, dan is de zwakke krachtig en zegt : Ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft.
Wat is die vrijheid heerlijk. Wat deed de mensch voorheen geen moeite om gelukkig te wezen in de wereld, om vrij te komen van allerlei banden, hoewel het hem nooit zal gelukken.
En nu wordt hier hem een andere vrijheid geschonken, die den ellendige tot een roemer komt te maken en den ongelukkige zalig komt te vertroosten. Doch nu blijft er altijd nog één zaak over, waarvoor hij nog staat, n.I. de dood. Hoe vaak kan de gedachte aan den dood Gods kinderen nog wel eens benauwen, zoodat zij uitroepen : Hoe zal het met mij nog eenmaal gaan, als ik daar nederig voor de poorten des doods.
O, daaraan denkende, kan een vreeze het hart nog wel eens beklemmen, dan komen de aanvechtingen : Nu moest ik mij eens vergist hebben en gelijk zijn aan dien man, die zonder bruiloftskleed de bruiloftszaal was binnengedrongen.
Zeker, hij kan en mag het niet ontkennen. De oogenblikken waren zoo zoet, zoo vol, dat hij mocht uitroepen : Ontbonden te wezen en met Christus te zijn, is verreweg het beste. Doch de Satan houdt niet af en komt met zijn aanvechtingen. Doch die Geest, die levendmakend werkt, werkt door, en die komt vrij te maken van den dood zelf. Want dit wordt wel eens gevoeld als wij staan bij de groeve van dezen of genen, die in Christus Jezus ontslapen is. Dan is het laatste woord niet aan den dood, doch aan Hem, die zegt : Ik leef en gij zult leven.
Wat zal die vrijheid groot zijn ! Dan heeft men niet meer te klagen : Ik ellendig mensch ; niet meer : Ik ben tot hinken, tot zinken ieder oogenblik gereed, welke klaagtonen hier zoo vaak vernomen werden.
Daar zal geen valsche leuze van vrijheid gehoord worden, doch daar zal wezen ; vrijheid, gelijkheid en broederschap.
Waar de Geest des Heeren is, daar is vrijheid. Wat is die vrijheid groot, die genoten wordt in den dienst des Heeren.
Ziet gij wel, hoe die Geest alles meebrengt wat de ziel van noode heeft ? Hier voor den tijd : vrijmaking van de zonde en ongerechtigheid ; en voor de eeuwigheid : vrijmaking van dit lichaam der zonde en des doods, dat de mensch omdraagt.
Die Geest schenkt niet te veel en niet te weinig. Hij zal nooit beschaamd worden, die op den Heere en diens volheid mag wegzinken. Is dat geen nederbuigende goedheid des Heeren ? De eeuwigheid zal niet te lang zijn om den Heere daarvoor groot te maken, doch het loflied zal tot in eeuwigheid toe weerklinken : „Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen".
Geliefden, wij hebben pas Pinksteren gevierd, het feest van de uitstorting des Heiligen Geestes. De dichter bad : Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest, dat die mij op mijn paan ten leidsman strekke.
Hebt gij reeds leeren uitzien naar den regen des Geestes, dat. gij vragen mocht : Wil mij, Heere, een druppeltje schenken uit dien vollen overvloed.
Moogt gij door Gods genade u verblijden in die vrijheid, die door den Geest des Heeren alleen gewerkt wordt ?
Eenmaal komt het oogenblik voor ieder menschenkind dat de. deuren van de gevangenis van dit aardsche leven ontsloten worden, n.I. dan, als de stervensure aanbreekt Want Job zegt : Maar een man sterft, als hij verzwakt is, en de mensch geeft den geest. „Waar is hij dan ? "
Als voor u de deuren van deze gevangenis opengaan, zal het voor u vrijheid zijn ? Onderzoek uzelf nauw, ja zeer nauw.
Of zal het voor u een doorgang tot een veel ergere gevangenschap zijn, n.I. tot den eeuwigen dood?
Ontzettend toch te verkeeren in de plaats waar de dood gezocht en niet gevonden zal worden, waar een eeuwig straftijden zal plaats hebben.
Vreeselijk, de eeuwige gevangenis in te gaan, waar nooit geen vrijheid meer te wachten is. Als die dag komt, brandende als een oven, dan zal uw heerlijkheid er aan gaan. En dan, zal het pas ondervonden worden wat duisternis is, als nooit meer een lichtstraal der hope zal doordringen. Dat de Heere dezen schrik op het hart bond van allen die hun eigen weg nog vervolgen, en dat gij gebracht werdt tot de erkenning dat gij deze gevangenschap volkomen verdiend hebt en geleid werdt tot dien uitroep :
Voer mij uit mijn gevangenis. Tot roem Uws naams die heerlijk is, Dat mij 't rechtvaardig volk omring Dat vroolijk van-Uw weldaan zing.
En nog zoo menige ziel heeft Pinksteren gevierd, doch met de klacht, dat hij zoo doodig, zoo koud is, en het feest der eerstelingen is voorbijgegaan, ledig voor de ziel.
Behoort gij tot dezulken ? Klaag uw nood den Heere en vraag eens in oprechtheid of uw ziel eens bevochtigd werd door de druppelen, die het late nagras bevochtigen. Open uw mond maar, klaag uw nood aan den Heere, ? vertel het Hem dat die banden zoo knellen,
Och, ga met vrijmoedigheid tot den troon der genade, om barmhartigheid te verkrijgen en genade te vinden. En al gaat die weg tot de vrijheid; wel langs oneffen en moeilijke paden, door kromme en hobbelachtige wegen, als gij den .Heere achteraan moogt treden, geleid door de wolk-en vuurkolom, zal de ; Hèere.u straks binnenleiden in de gewenschte vrijheid.
Welke vrijheid zal dit toch wezen ! Wij hebben kort geleden Hemelvaart gevierd. Toen werd gesproken : Ik ga heen om u plaats te bereiden. Plaats voor dezulken, die tegen alle Gods geboden gezondigd hebben en dus een hellevaart verdiend hadden.
Toen is Pinksterfeest, gevierd. Werdt gij niet teruggeleid naar het oogenblik dat de Heere den regen des Geestes op u deed nederdalen, toen dat nooit te vergeten, oogenblik aanbrak dat de gevangenisdeuren open gingen en gij mocht treden in de gewenschte vrijheid ?
Zeker, hier blijft het strijd. Door vele verdrukkingen zult gij moeten ingaan. Doch geen nood, want al gaat daags de zon wel eens schuil achter de wolken, toch breekt het zonlicht straks weer door. Want Hij zegt : Die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, doch zal het licht des levens hebben.
Eenmaal zal het uur der verlossing aanbreken. Welk een oogenblik zal dat wezen, als de eeuwige morgen aanbreekt. Dan zal Efraïm Juda niet meer benijden en Juda Efraïm niet meer benauwen. Dan zal het ervaren worden dat het lijden van dezen tegenwoordigen tijd niet te vergelijken is met de heerlijkheid die daar wachtend is. Daar geen donkerheid meer, doch daar zal het ten volle ervaren worden : Waar de Geest des Heeren is, daar is vrijheid.

Amen.

Voorthuizen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juni 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juni 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's