Geestelijke opbouw
Kerk en Staat.
Kerk en Staat. (Slot).
Al deze dingen in aanmerking genomen, kan gebleken zijn, dat de strijd over Artikel 36 in onze dagen, schoon niet ontbloot van theoretisch belang, geenszins voortkomt uit een zoodanig stadium van geestelijke heerschappij, als Artikel 36 onderstelt, en daarom weinig actueel nut kon hebben.
Evenzeer Is het echter zonder eenig nut, ja zelfs schadelijk en in strijd met het streven en de roeping des geloofs, om terwijl men practisch voor de erkenning van de beginselen des geloofs ook in het openbare leven arbeidt, en dus aan de verwezenlijking van Artikel 36 zijn krachten geeft, een theoretisch standpunt in te nemen, dat den schijn wekt, alsof men dat Artikel verwerpelijk acht.
Dit toch is niet alleen op zichzelf onzuiver, doch wekt ook een rigorisme der reactie, dat geen rechtvaardiging kan vinden, zoo men de dingen juist stelt en let op, wat wij zouden kunnen noemen het geloofsidealisme van Artikel 36, en de geestelijke macht, welke het geloof in een bepaalde periode vermag uit te oefenen op den volksgeest, waarmede wederom saam'hangt de macht, welke den Overheden is gegeven om te doen, wat goed en naar den eisch des geloofs is, gelet op Gods ordinantie voor de Overheid.
Wie de „Politica" van Voetius bestudeert, zal ontdekken, dat ook in de dagen der Vaderen de plaatselijke en gewestelijke gesteldheden den feitelijken rechtstoestand voor de verhouding van Kerk en Overheid hebben bepaald, zoodat men den hoogsten graad slechts kon benaderen in zooverre de geestelijke en de uitwendige macht dit mogelijk heeft gemaakt.
Niet wat men met dwang en geweld kan doordrijven, maar wat binnen de perken van de macht en bevoegdheden ligt, worde verwerkelijkt. Deze practijk der Vaderen moest er toe leiden, dat zij ook anderen vrijheid lieten naar eisch der locale gesteldheid.
Men kan zelfs oordeelen, dat de Vaderen soms al te zeer aan de omstandigheden hebben toegegeven. Zoo weet Voetius b.v. nog uit het zelfstandig recht der Overlheden argumenten aan te brengen om de door de Overheid erlangde rechten in de consistorie en omtrent het houden van Synoden goed te keuren, schoon hij zeer wel weet, dat de Apostolische Kerk zich in deze dingen geheel en al zelfstandig heeft gedragen.
Het actueele punt.
Het eigenlijke actueele punt ligt derhalve niet in de strijdvragen naar aanleiding van Artikel 36 en de verschillende opvattingen op een ondergeschikt punt, doch is daarin gelegen, dat de verhouding tusschen Kerk en Overheid essentieel genomen tot actie drijft, wijl men een meerdere erkenning der Christelijke religie, met name overeenkomstig de traditioneele, nationale belijdenis nastreeft.
Dit komt er op neer, dat men een tekort gevoelt aan geestelijke heerschappij en vrijheid naar de roeping des geloofs. Uit dien hoofde komen allerlei vragen op omtrent de bevoegdheid der Overheid om de geesten te bedwingen en bieden de feiten argumenten aan om op dit punt een zekere liberaliteit te verdedigen, hetgeen op zichzelf dus verklaarbaar is.
Die feiten bewijzen ook, dat de geneigdheid om door den sterken arm te bereiken. Wat men gaarne ziet, bij sommigen in kracht toeneemt, terwijl meer bezadigde geesten dit niet boven de mate van het bereikbare kunnen steunen en het hoofd bieden aan een radicalisme, dat meer schade dan voordeel kan doen.Een en ander verdeelt de Christelijke partijen en kan den tegenstander geruststellen, dat het gevaar voor dwang van deze zijde meer dan ooit is uitgesloten. De uitwendige macht zal toch dan eerst vermogen het openbaar gelaat der religie te doen spreken, als daaraan de geestelijke macht en heerschappij in 't volksleven beantwoordt. Het zwaartepunt ligt niet in de wet, maar in het geestelijk overwicht over de consciëntie der landzaten.
Op deze gronden beweren wij, dat het actueele punt in het huidige stadium van den strijd ons niet in de eerste plaats brengt bij het gebrek aan uitwendige heerschappij van de religie, maar op een gebrek aan inwendige heerschappij en tucht des geloofs in het kerkelijk leven, waar de haard en het brandpunt moet worden gezocht van het geestelijk leven en de heerschappij over de geesten dezer eeuw.
Wij hebben er toch op gewezen, dat niemand, die over Artikel 36 spreekt of schrijft, en zich bemoeit met het vraagstuk over de verhouding van Kerk en Staat, de Kerk als instituut vermag aan te wijzen, welke verhouding tot de Overheid en omgekeerd hij in concreto op het oog kan hebben.
Hier stuiten wij op een pluriformiteit niet alleen van belijdenis, maar ook van organisatie, welke bedenkelijk is. Naast de overlevende vormen van de Middeleeuwsche en reformatorische kerken, waarin reeds een pluriformiteit is gegeven, die haar historische, dogmatische ethnologische oorzaken heeft, zien wij een pluriforme kerkelijke openbaring van een volk, dat zich op den grondslag der traditioneele belijdenis stelt.
Wij wezen die verdeelde Kerk aan als de nationale. Doch hoe zal zij een nationale kracht zijn en heerschappij winnen op den nationalen geest, zoo zij de tucht blijkt te missen, die haar innerlijke kracht en heerschappij zou bewijzen ?
Het eerste en voornaamste stuk bij alle redeneering over de verhouding van Kerk en Staat, zal die redeneering niet gansch overbodig en vruchteloos zijn, is, dat men inziet, dat het instituut ontbreekt voor welks rechten men opkomt. Het gaat hier toch om rechtsbeschouwingen en dus om een institutaire realiteit.
Al wat men omtrent de verhouding van Kerk en Staat, hoe voortreffelijk ook, zegt, kan ten slotte eerst worden verwezenlijkt aan het instituut, dat men voor de Kerk mag houden en in den Staat, waarin men leeft.
Wil men aan alle kerken en kerkjes de rechte verhouding, die past tusschen Kerk en Staat, toebedeelen, dan moet de Staat een kameleon gelijk worden, omdat de Kerk zich als zoodanig vertoont.
Want het is toch klaar, dat de verhouding van Kerk en Staat, zooals deze op dogmatisch-juridische beginselen wordt bepaald, niet alleen dogmatisch de Kerk definieert, maar ook den Staat, althans de rechten en bevoegdheden van de Overheid, waardoor ook het karakter van den Staat weer is bepaald.
Laat men de pluriformiteit der Kerken voor zijn principieele rechtsbeschouwing van de verhouding van Kerk en Staat als normaal gelden, dan ligt het voor de hand, dat men ook de dogmatische beschouwingen der Kerken omtrent de Overheid moet laten gelden, zoodat men de verhouding van de Kerken tot den Staat, wil men van dezen geen kameleon maken, welke zich tot de verschillende instituten verschillend verhoudt, slechts in het beginsel, dat aan alle beschouwingen gemeen is, kan bepalen.
Er is dan weinig meer te verwachten dan wat de bestaande toestand biedt. Deze toestand is echter slechts een compromis-toestand, door de omstandigheden geboden en niet door de beginselen bevolen. Het is een toestand, die noch principieel Roomsch, noch principieel Gereformeerd kan heeten, omdat geen dezer Kerken een staatkundig leven vinden, dat naar haar dogmatisch inzicht overeenkomt met de juiste verhouding van Kerk en Staat.
Zal de Kerk vrij zijn, dan beduidt dit, dat ook de Staat vrij is, d.w.z. dat de Overheid die orde handhaaft, welke naar het geloof der Kerk aan haar is geordineerd. Voor het reformatorisch geloofsleven beteekent dit, dat de Overheid haar zelfstandige taak kent en volbrengt naar Gods ordinantiën.
De beschouwing van de verhouding van Kerk en Staat gaat, zooals wij boven reeds opmerkten, uit van de beginselen, die de openbaring der Kerk behooren te beheerschen en stelt een staatkundig leven naar de principiën, door Gods Woord gegeven.
De practijk eischt derhalve een instituut der Kerk, dat zich naar die beginselen realiseert en een staatkundig leven, waarin de ordonnantiën, zooals het geloof die kent, worden geëerbiedigd. Voor de practijk gaat het dus alles om zoodanige geestelijke heerschappij over het nationale leven, dat allereerst de openbaring der Kerk, en vervolgens haar invloed op het volksleven de aandacht verdient. De religie van Christus heeft toch in de Kerk haar profetische getuige en orgaan in het midden der natie.
Bij den ontredderden toestand op kerkelijk terrein moet dan ook de openbaring der nationale Kerk de eerste zorg van het Gereformeerde volk uitmaken.
Langs welken weg ?
Wij hebben er reeds opgewezen, dat de gehoorzaamheid des geloofs geen anderen weg open stelt dan te zoeken de vereeniging van het Gereformeerde volk in een gemeenschap des geloofs, welke zich in één verband openbaart. Wij gaven ook te kennen, dat wij dezen eisch des geloofs niet onderschatten en ons. bewust zijn, dat hij van allen een offer vraagt.
Hier moet de strijd gestaakt over wie de ware Kerk zal mogen heeten. De ware Kerk zal zich daardoor kenmerken, dat zij doet den wil des Vaders en die is in dit stuk niet verborgen. Te advizeeren, dat men overga van het eene instituut naar het andere, is slechts een dwaasheid te achten.
Men streve veeleer naar een gemeenschappelijke vergadering, die gansch het Gereformeerde volk representeert, om gezamenlijk te beraadslagen en te handelen. Ook hier zullen de omstandigheden een woord meespreken en de litteekens der historie niet ganschelijk vergroeien.
Of ons geslacht daarvan nog wat zal zien ? Laat zij, die de Waarheid liefhebben, aanvangen, opdat zij overwinne over zonde en ongeloof. Kan de verbrokkelde Kerk zulk een kracht des geloofs en gehoorzaamheid brengen, dan kan het niet anders, of ook het nationale leven zal daarvan den zegen ervaren.
Voor alles zouden wij wenschen, dat de nationale Kerk, welke nog leeft, haar gestalte mocht herwinnen uit de geestelijke kracht, welke in haar woont.
Een andere weg ?
Of er nog een andere weg is ? Men kan nog een anderen weg denken. Ook de Overheid heeft haar zelfstandige rechten jegens de Kerk. Het is denkbaar, dat de Overheid zich geroepen gevoelde om de verhouding van Kerk en Staat van harentwege zuiverder te stellen. De Overheid kon zich op Gereformeerd standpunt stellen en een orde der gereformeerde Kerken bevelen, tegen welke zelfs de Gereformeerde beginselen omtrent de orde der Kerk zich niet zouden kunnen verzetten.
Onderstel, dat de Overheid de overtuiging in de consciëntie koesterde, dat zij de zaak van de nationale Kerk zoo tot de hare moest maken, en dat zij b.v. naar aanleiding van de vraag omtrent de rechtspersoonlijkheid, om maar iets te noemen, tot een zoodanige oplossing noopte als ook door het beginsel des geloofs geboden is ?
Wij stellen deze vraag om er op te wijzen, dat ook van dien kant het vraagstuk omtrent de verhouding van Kerk en Staat kan worden gezien. Of men zulk een oplossing met vreugde zou begroeten en aanvaarden is wat anders, doch de consequentie der beginselen eischt ook deze in het oog te vatten.
Het wil ons toch voorkomen, dat de Kerken, die in haar leden door politieke actie allerlei eischen stellen aan het beleid der Overheid en haar willen verplichten door te wijzen op haar goddelijke roeping, niet veel konden inbrengen tegen den eisch der Overheid, dat zij op eigen erf die gehoorzaamheid brengen, welke zij ook van haar verlangen.
Slot.
Wij willen hiermede volstaan en hopen er in geslaagd te mogen zijn aan te toonen, dat er een taak rust op ons gereformeerde volk, van welke het zich blijkens de huidige omstandigheden slechts weinig bewust is.
Indien men die taak aangrijpt, zal niet alleen de Kerk daarbij in eere, macht en aanzien winnen, maar ook de gansche natie daarbij welvaren en de dag aanbreken, waarop de vraag omtrent de verhouding van Kerk en Staat op een sahooner wijze actueel zal zijn en de vrije Kerk in den vrijen Staat een gansch andere verhouding zal beduiden dan wat wij thans kennen.
Zal de leuze : „de vrije Kerk in den vrijen Staat", de juiste verhouding tusschen Kerk en Staat weergeven, dan moet het zoo zijn dat de Kerk worde gezien in de openbaring, welke met haar vrijheid en heerschappij overeenkomt. Dan moet zij in het midden der natie staan als de getuige van Christus door de heersehappij van Zijn Woord krachtig en eerbiedwaardig. Vrij kan zij slechts zijn, indien zij zien openbaart naar haar aard en wezen en dus naar haar orde.
Dit geldt ook van den Staat. Deze is vrij, indien wetten en instellingen overeenkomen met de ordinantiën door God gegeven. De vrije Staat is die Staat, waarin de Overheid zich in haar zelfstandige taak gedraagt naar die ordinantiën en waarin de levensverhoudingen aldus tot haar recht komen.
Daarom kan de vrije Staat eerst werkelijkheid worden in de doorwerking van den Christelijken geest, die zijn openbaring erlangt naar de beginselen der Heilige Schrift.
De graad der verwezenlijking van de vrije Kerk in den vrijen Staat zal recht evenredig zijn met de heerschappij van de religie der Schriften in Kerk en volk, en daarom met den graad van gehoorzaamheid des geloofs, welke in zijn belijders wordt gevonden.
Naarmate het geloofsleven zich zuiverder openbaart, zal zulk een toestand geboren worden. Daarom is het vraagstuk van de verhouding van Kerk en Staat allereerst een vraagstuk omtrent de practijk des geloofs, wijl daarin het eigenlijk criterium is gelegen.
Mocht ons Gereformeerde volk worden aangespoord tot zulk een streven, dat in gehoorzaamheid begonnen tot een zuivere openbaring der Kerk leiden zal om te ervaren, dat haar Koning leeft, die haar beschermt en onderhoudt en die ook voor haar eenheid heeft gebeden.
Zulk een streven zou ook de verwezenlijking van de vrije Kerk in den vrijen Staat kunnen tegemoet zien tot heil van Kerk en natie en bovenal tot eere Gods.
*) Referaat, gehouden door dr. J. Severijn, in de jaarvergadering van den Gereformeerden Bond op 9 April 1930 te Utrecht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juni 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juni 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's