De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Schriftverklaring

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Schriftverklaring

Brief aan de Romeinen.

4 minuten leestijd

Hoofdstuk 7 vers 8—12. Maar de zonde oorzaak genomen hcbbende door het gebod, heeft in mij alle begeerlijkheid gewrocht. Want zonder de wet is de zonde dood. En zonder de wet, zoo leefde ik eertijds, maar als het gebod gekomen is, zoo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven. En het gebod dat ten leven was, hetzelve is mij ten dood bevonden. Want de zonde oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft mij verleid, en door hetzelve gedood. Alzoo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig, en rechtvaardig, en góéd.

De apostel Paulus spreekt in deze verzen over den invloed van de heilige Wet Gods op onzen zondigen aard. Hij komt dan tot deze conclusie, dat juist door het stellen , van het gebod de zonde in den mensch wakker wordt. O, wat smaakt de verboden vrucht toch heerlijk ! Denk eens aan hetgeen in het paradijs is geschied. Daar rijpten de heerlijkste vruchten, zonder tal. Slechts de vrucht van één boom was verboden. En ziet, de mensch, die misschien vele andere vruchten heeft voorbijgezien, richt zijn blik vol begeerte juist naar de vrucht van den boom der kennis des goeds en des kwaads.
Het woord Verbond zegt al, dat er onderscheidene partijen bij betrokken zijn ; en dat het Nederlandsch Hervormd genoemd is, bewijst, dat het Verbond gesloten is door onderscheidene partijen, om daarmee de Nederlandsch Hervormde Kerk te dienen.
Het gebod is dus onmiddellijke aanleiding of oorzaak, dat de begeerlijkheid wordt opgewekt.
Let ook nog eens, om een ander voorbeeld te noemen, op uwe kinderen. Zelfs het kleinste kind tracht telkens weer te doen juist datgene, wat vader of moeder verboden heeft.
Inderdaad mag Paulus besluiten, dat de zonde zonder de Wet dood is.
Als Paulus hier zegt, dat de zonde zonder de Wet dood is, wil dit natuurlijk niet zeggen, dat de zonde er dan ook niet is. Verre vandaar. De mensch is immers zondig van den moederschoot af. Neen, hij bedoelt veel meer, dat er zonder de Wet bij den mensch geen sprake is van zich met bewustheid tegen de zedelijke ordinantiën te verzetten.
Maar ziet, als de heilige Wet Gods zich tegenover den mensch stelt, dan komen de bewegingen der zonde juist tot stand. Dan begint de begeerlijkheid zich te weren. Dan plaatst zich de mensch in bittere vijandschap tegenover de eischen dier Wet. De zonde blijft niet langer dood, maar de begeerlijkheid om te overtreden begint te leven.
Paulus bewijst dit alles met een verwijzing naar zijn eigen leven. Hij zegt immers : En zonder de Wet leefde ik eertijds, maar als het gebod gekomen is, zoo is de
zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven. En het gebod, dat ten leven was, hetzelve is mij ten dood bevonden, want de zonde, oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft mij verleid en door hetzelve gedood.
Die woorden „zonder de Wet leefde ik eertijds" willen natuurlijk niet zeggen, dat de apostel Paulus van het bestaan van de Wet Gods niet zou hebben afgeweten. De Farizeen beroemden zich immers op hunne Wetskennis. En werd Paulus niet opgevoed naar de strengste wetten van de Farizeen. We stellen ons veeleer den apostel Paulus voor als een, die met den rijken jongeling kon zeggen : Al deze geboden heb ik onderhouden van mijne jonkheid af.
Maar ziet, daar komt de Heere op den weg naar Damascus om in te grijpen in 't leven van Paulus. God de Heere laat hem zien, dat de Wet van den Sinaï geestelijk is. Hij, de vrome Farizeer, ontwaart met schrik, dat ook de begeerlijkheid zonde is. En nu begon de Wet met den vloek te dreigen, want de Wet zegt, dat wij niet begeeren zullen.
Hoe dieper God Paulus ontdekt, des te verder is het er bij hem vandaan, dat hij zich nog langer vroom acht voor God. Neen, de zonde is weder levend geworden. O, die begeerlijkheid der oogen, die grootschheid des vleesches, die de ziel telkens over den slagboom van Gods Wet wil heenzetten.
Dat ook het begeeren reeds schuldig stelt, daarvan wil de mensch immers niet weten. Als ik maar niet met het woord of met de daad heb misdreven, zoo verontschuldigt zich de mensch.
En dan komt telkens de verleider, de Satan, die het ons influistert, dat we de zondige begeerten bevredigen en inwilligen zullen. Weg met die Wet, die ons als een vijand tegentreedt. Maar het einde is, dat de mensch sterft. Paulus roept het klagend uit : doch ik ben gestorven. De mensch is nu dood in zonden en in misdaden. De zonde heeft hem door het gebod gedood.
Welk een ellendige toestand. Het gebod was immers oorspronkelijk gegeven ten leven. Zegt zij zelve niet : Doet dat, en gij zult leven. En nu is haar uitwerking toch, dat ze hem ten dood bevonden is.
We gevoelen ons weer geplaatst voor de vraag in vers 7 : Wat zullen wij dan zeggen ? Is de Wet zonde ?
Maar na de bewijsvoering mag nu in vers 12 het antwoord luiden : Alzoo is dan de Wet heilig en : het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.
Neen, van de Wet in haar geheel is niets kwaads te zeggen. Maar ook van de afzonderlijke geboden niet. De verhoudingen, die Gods inzettingen eischen, zijn rechtvaardig en goed.
Over de tegenwerping, die Paulus hieruit weer opwerpt, een volgend maal, naar we hopen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juni 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Schriftverklaring

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juni 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's