KERKELIJKE RONDSCHOUW
De Kerk
Wat is het, dat de Kerk te vragen heeft in haar belijdenis aan 't adres van de Overheid ? Dat de Overheid als Gods dienaresse het land, den Staat, zal regeeren. Dat zij in het midden van de maatschappij recht en gerechtigheid zal doen en handhaven, waar bij zij zich zal moeten laten leiden door Gods Woord. En dat de Kerk, onder toelating van Vorst en Regeering, en onder bescherming van Overheid en Wetgeving, het recht en de vrijheid zal hebben zich als Kerk des Heeren te openbaren ; dat zij niet gedwongen zal worden in haar kerkedienst en in haar leven, iets te moeten doen, wat in strijd is met haar consciëntie en met Gods Woord ; dat zij onder de heerschappij van haar Koning, Jezus Christus, God vrij zal mogen dienen en haar roeping vervullen, in het Woord Gods haar geteekend en opgedragen. De heilige kerkedienst zal vrij zijn ;een eigen belijdenis zal de Kerk mogen hebben, een eigen vorm van kerkelijk samenleven, een eigen bediening des Woords en der Sacramenten — kortom, het eenige dat de Kerk van Christus vraagt is : laat mij vrij !
Prof. Visscher wijst in zijn brochure „Grijpt als 't rijpt" op een boekje uit 1660, verschenen in Engeland, zijnde een verzoek schrift door Engelsche Non-conformisten gericht tot hunne regeering. Het boekje is getiteld : A protestation of the Kings supremacy, made in the name of the afflicted Ministers etc.
Op de meest krasse wijze wordt door deze verdrukten in abstracto vast gehouden het absoluut recht der Overheid inzake religie. Daarnaast stelden zij even beslist, dat die macht zich in kerkelijke zaken niet verder uitstrekte dan bestaanbaar was met Christus' Koningschap over Zijne Kerk. Zij achtten het een groot voorrecht, wanneer de Kerk mocht leven onder de bescherming der Overheid, voor een oorzake van rouw als die Overheid zich tegen haar stelde. Maar wat is nu het eenige, dat zij zelven van Zijne Majesteit en van den Staat vragen ? Dit alleen : dat „onder beider toelating, onder beider bescherming en goedkeuring het voor hen wettig mag zijn God te dienen en te eeren overeenkomstig Zijn geopenbaarden wil, in overeenstemming met al de Hervormde protestantsche Kerken, die zich van Rome hebben afgescheiden, dat zij niet gedwongen mogen worden om tegen hunne consciëntie den eenvoudigen, oprechten dienst Gods, zooals die is voorgeschreven in 't Woord, te bezoedelen met menschelijke tradities en ritus en het hun geoorloofd zal zijn in den eeredienst formeel en materieel zulke dingen te doen, die uit Gods Woord volgen ; dat zij eene Confessie mogen hebben, die de voornaamste gronden der religie in zich vervat, een vorm van dienst en Kerkorde naar het Woord", enz.
Wat is dus het eenige, dat zij vragen ? Het is niets meer en niets minder dan : laat ons vrij.
„Dit is" — zegt prof. Visscher, „Grijpt als 't rijpt", bladz. 40 — „een merkwaardig getuigenis aan de practijk ontleend in dagen, toen de antieke Staatsbeschouwing nog op haar hoogtepunt stond.
Zij vragen niets van al hetgeen Artikel 36 voorschrijft, maar geheel overeenkomstig met hetgeen in het Nieuwe Testament omtrent het historisch milieu der eerste Christelijke gemeenten blijkt, vragen zij slechts Vrijheid".
De kiemen van het Calvinisme komen hier boven den grond.
Het Calvinisme moest zich boven de Staatsbeschouwing van Art. 36 uitwerken.
't Kan niet verborgen blijven wat een levend en gezond beginsel is. En zoo moest in den loop der historie een andere verhouding van Staat en Kerk komen, waarbij de vrijheid der Kerk in onafhankelijkheid van den Staat, op den voorgrond zich moest dringen.
„Het streven naar hetgeen herinnert aan de vroegere toestanden van Artikel 36, kan alleen de vrucht van kortzichtigheid zijn", zegt prof. Visscher, bladz. 41. „De historie heeft het vonnis gestreken over het staatkundig milieu, waaruit Artikel 36 opkwam. Het is vruchteloos, daarop te willen appelleeren".
Voor een Staats-en Volkskerk is er geen plaats meer. En wij betreuren dat niet. Het wezen der Kerk sluit dat buiten. De vroegere toestand was niet met het wezen der Kerk in overeenstemming, dus ook niet met het Woord. Daaruit is dan ook te verklaren de onberekenbaar groote schade, die de Kerk daardoor beloopen heeft. Het is een feit, dat onder het régime van Artikel 36 de vrijheid der Kerk is geknot. Hare eereplaats was het tooneel harer vernedering".
„In de jaren 1572 en '73 trad zij fier op, in het besef van de haar toekomende „Souvereiniteit in eigen kring". En slechts luttele jaren waren voldoende om haar te knechten. Onder de jurisdictie van Artikel 36 is de Kerk verhinderd te doen hetgeen haar roeping was en is", (bladz. 41).
Prof. Visscher noemt dan : „Hare eigene Confessie heeft zij niet kunnen herzien sinds 1618 en '19. Hare geregelde samenkomsten heeft zij niet kunnen houden, ja, zij is maar al te dikwijls verhinderd zelfs in de rechtmatige uitoefening der censuur. Dat was te danken aan het systeem."
„En nu kan men wel meenen, dat er dit niet uit behoefde en ook in de toekomst niet uit behoeft te volgen. Maar het feit, dat die verschijnselen er waren, er eeuwen lang hebben kunnen zijn, wijst op de principieele ongezondheid van het régime".
„En daarom, wij wenschen het niet terug, afgezien van het feit, dat wij iets dergelijks ons zelfs niet denken kunnen", (bladz. 42). Prof. Visscher verwacht niets in deze richting van Artikel 36.
Want ten eerste zou dan ons nu sterk gedifferentieerde volk weer tot een betrekkelijke homogeniteit moeten worden gebracht, waartoe een machtige Godsdaad noodig zou zijn. Maar daar gaat het nog niet 't meest om. We moeten leven uit de beginselen, die de meest principieele openbaring hebben in het Gereformeerd Protestantisme, en die vragen eenerzijds niet om het absolutisme of de oppermacht van den Staat, anderzijds niet om een bandeloos individualisme, maar het heil ligt in de synthese van Staatsmacht en individueele vrijheid. Onder die synthese alleen zal het religieuse leven der natie zich ontwikkelen naar den aard van dat leven. Naar die synthese dus zal ons streven moeten uitgaan en het Calvinisme alleen kan haar verwezenlijken, want het belijdt Gods souvereiniteit en juist daarom het recht op vrijheid. Te staan naar de één e, het nationale leven bezielende Gereformeerde Kerk moet ons ideaal zijn en blijven, (bladz. 44).
(Wordt voortgezet).
* De Doleantie en wij.
Wij mogen niet onnoodig scherp zijn. Dat is onvriendelijk ; dat is onchristelijk. Al dat scherp uitvallen tegenover de menschen, die in 1886 met de „Doleantie" mee zijn gegaan, is geenszins aan te bevelen.
Maar nu behoeven wij, die Hervormd zijn, ons zelf toch ook niet heelemaal weg te gooien, om „de Doleerenden van 1886" een pluim op den hoed te zetten.
Men kan soms van die wonderlijke beschouwingen lezen, alsof wij ons hebben te schamen, dat we gebleven zijn en alsof onder „de Doleerenden van 1886" toch eigenlijk de ware Gereformeerden zijn te zoeken. Zóó staat voor ons, die gebleven zijn en welbewust met onze Gereformeerde belijdenis ook in den voortgang in de Hervormde Kerk willen blijven, de geschiedenis van 1886 niet.
Er zijn er, die het ongeveer zoo beschrijven : de menschen die wenschten te leven overeenkomstig Gods Woord, zijn er in 1886 uitgezet. Dan zijn gebleven de menschen, die Gods Woord hebben verzaakt. En de verzakers van het Woord hebben toen de getrouwen verdreven.
Maar zóó beschrijft men geen geschiedenis !
Dan zouden allen, die nu nog Hervormd zijn, zich hebben te schamen en de Gereformeerden onder de Hervormden moesten zoo spoedig mogelijk hun koffertje pakken en naar de Gereformeerde Kerken overloopen, om zoo spoedig mogelijk en zoo goed mogelijk te herstellen, wat door de Hervormden, die in 1886 niet meegingen, bedorven is.
Maar zóó staan de zaken niet! En daarom willen wij volstrekt niet scherp uitvallen tegen de mannen van 1886, die zijn heengegaan.
Maar we willen ook niet de kroon van 't hoofd rukken van degenen, die uit liefde tot de Waarheid en uit liefde tot de Hervormde Kerk en uit liefde tot ons volk gebleven zijn.
Wij hebben ze gekend, die volstrekt geen vijanden van de Waarheid waren. En wij willen gaarne gedenken de honderden en de duizenden, die, uit overtuiging, gebleven zijn.
Waren er maar méér gebleven in 1886 ! Voor de ontwikkeling van de geschiedenis van Kerk en School en Maatschappij zou het — naar ons oordeel — beter zijn geweest.
In elk geval behoeven we ons zelf niet heelemaal weg te gooien, als we denken aan degenen die in de dagen van de Doleantie niet zijn meegegaan.
En als men in het midden van de Gereformeerde Kerken gedenkt degenen die zijn heengegaan uit de Hervormde Kerk, kan er voor ons wel eens oorzaak zijn om te gedenken het feit, dat God in 1886 velen, zéér velen heeft doen blijven in het midden van de Hervormde Kerk, uit liefde tot de Waarheid, tot de Kerk en tot ons volk.
Dat gedenken kan wel eens plicht zijn. Of naar ons oordeel moet al 't mooie er af zijn, van dat blijven.
Doch dan mogen we zelf ook niet blijven. Dan moeten we zelf ook opstappen en heengaan !
En zoo zal toch wel niemand onzer er over denken.
Dat ons blijven niet ijdel zij in den Heere !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juni 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juni 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's