STAAT EN MAATSCHAPPIJ
Paraat blijven.
Onlangs heeft een openbaar debat tusschen twee Sociaal Democratische voormannen plaats gehad over de pacificatie (gelijkstelling) bij het onderwijs.
Het pro (voor) werd verdedigd door den Socialistischen predikant ds. Horreüs de Haas te Zwolle, het contra (tegen) werd behandeld door den heer Posthumus, een der kopstukken van den rooden Bond van Nederlandsche Onderwijzers, tevens voorstander van de verplichte neutrale Staatsschool.
Hoewel beide Sociaal Democraten als verdedigers der Openbare School optraden en beiden zich overtuigd verklaarden, dat de uitwerking der bestaande Lager Onderwijswet veel te wenschen overlaat, zat het verschil tusschen de twee sprekers in het woord „verplichte".
De Zwolsche predikant kon zich begrijpen, dat de orthodoxe protestanten, evenals de Katholieken, geen neutrale opvoeding van het kind wenschen ; de heer Posthumus daarentegen nam het standpunt in, dat het kind neutraal onderwijs moet ontvangen, opdat het in een bepaalde richting bij het onderwijs niet wordt beïnvloed. Het kind mag niet tegen bepaalde richtingen worden opgezet en een andere richting leeren als de eenig ware, n.l. die der neutraliteit.
Wij zouden, na hetgeen wij nog kort geleden over deze zaak schreven, niet reeds nu op dit onderwerp : de drang der linksche Socialisten om de verplichte neutrale Staatsschool in de wet te krijgen, terugkomen, ware het niet, dat ook uit de kringen van het „Nederlandsch Onderwijzersgenootschap", de organisatie, die politiek het dichtst staat bij de Vrijzinnigen, stemmen opgaan, die van de „pacificatie" maar weinig moeten hebben en die van oordeel zijn, dat bijzonder onderwijs alleen dan maar toegestaan kan worden, wanneer men het zelf betaalt.
Ten bewijize daarvan laten wij een merkwaardig citaat volgen uit "Het Schoolblad", orgaan van het Nederlandsch Onderwijzersgenootschap, van 19 Juni.
Het merkwaardige stuk, dat een naschrift is op het openbaar debat, waarop wij hierboven de aandacht vestigden, luidt :
Opgemerkt mag worden, dat ds. Horreüs de Haas absoluut onjuist is, waar hij beweert, dat 2/3 deel van ons volk de „gekleurde" school wenscht. Wie heeft kunnen gadeslaan, hoe men de menschen moet bewerken, voor ze hun kinderen naar de „gekleurde" school sturen, en met welke middelen dat geschiedt, weet wel beter. Inderdaad is er maar een heel, heel geringe minderheid onder ons volk, die beslist confessioneel onderwijs vraagt Men zou aan tienduizenden een grooten dienst bewijzen, als wij terugkeerden naar de algemeene volksschool. De schoolstrijd, met wat daar aan vastzit, heeft in duizenden gezinnen leed en onrust gebracht. Overigens zullen de meeste openbare onderwijzers, evenals ds. Horreüs de Haas, ongetwijfeld de verplichte neutrale school afwijzen. Wie bijzonder onderwijs wenscht, moet dat kunnen krijgen, mits hij het zelf betale. Dat is o.i. het eenig juiste standpunt, waaraan men o.a. ook in Amerika vasthoudt. Dat dan de armen niet en de rijken wel hun bijzonder onderwijs kunnen krijgen, is misschien een bezwaar, maar minder groot dan de bezwaren, verbonden aan het opleggen eener verplichting. Natuurlijk zal eens aan de dwaasheid van thans een einde komen, gelijk er aan alle dwaasheden een einde komt. Het systeem der pacificatie — indien men van een systeem kan spreken — zal overlijden aan eigen fouten. De geschiedenis der menschheid heeft misschien iets van een harmonika : in — uit ; of mogelijk kan men haar vergelijken met een draaiorgel, van welke men in ongeregelde volgorde steeds dezelfde deunen hoort... En alle wereldgebeuren is van geringe beteekenis, gezien in het licht der historie, maar voor het levende geslacht is het van groot belang.
Wij zullen aan dit merkwaardige naschrift uit »Het Schoolblad« niets toevoegen. De eenvoudigste onder onze lezers voelt wel den geest, welke uit het stuk spreekt, en wat de Bijzondere School zou te wachten staan, wanneer de bestrijders van de rechtsgelijkheid op het terrein van het onderwijs in de wetgeving iets kregen te zeggen.
Het zijn toch niet alleen de roode onderwijzers, maar ook velen van hen, die zich in „het genootschap" organiseerden, die van het goed recht van de Bijzondere School niet willen weten.
Daarop wilden wij nog eens duidelijk de aandacht vestigen, opdat onze mannen paraat blijven.
Het suikerwetje.
De toestand bij den landbouw en in het bijzonder bij het zuivere akkerbouwbedrijf, geeft nog altijd een zeer onbevredigend beeld.
Er kwamen ons dezer dagen cijfers onder de oogen die den ongunstigen toestand duidelijk doen uitkomen.
Zoo bedroegen de indexcijfers in April j.l. voor rogge 83, voor gerst 82, voor haver 77, voor erwten 71, voor aardappelmeel 78, voor suiker 62 — de gemiddelde prijs in 1910—1914, de laatste jaren vóór den wereldoorlog op 100 gesteld. Uit deze cijfers blijkt, dat de prijzen op dit oogenblik dus belangrijk lager zijn dan vóór den oorlog. De verhouding van toen en nu wordt echter nog ongunstiger wanneer in aanmerking wordt genomen dat het algemeen indexcijfer voor het levensonderhoud nog altijd op 160 staat.
Eenerzijds ziet men dus de prijzen van de akkerbouwproducten naar beneden gaan en anderzijds de kosten van levensonderhoud nog op belangrijk hooger niveau staan, vergeleken bij die van de vóóroorlogsche jaren.
De directie van den landbouw gewaagt dan ook in haar verslag over het Ie kwartaal 1930, dat de economische omstandigheden, waarin het akkerbouwbedrijf verkeert, zeer slecht waren. Zij vermeldt, dat dit kwartaal was gekenmerkt door éen voortzetting van den sterken prijsval der akkerbouwproducten, die in het najaar van 1929 was aangevangen ; daarbij werd het belangrijkste product van onzen akkerbouw, de consumptieaardappelen, het meest getroffen.
Gelukkig verkeert de veehouderij in een veel minder ongunstige positie, hoewel van een belangrijk product als de boter de prijzen aanmerkelijk gedaald zijn.
Of de bevredigende toestand, waarin de verhouding op dit oogenblik verkeert, zal blijven aanhouden, wordt intusschen door de drie groote centrale landbouworganisaties, de Christelijke Boeren-en Tuindersbond, de Katholieke Nederlandsche Boerenen Tuindersbond, en het Koninklijk Nederlandsch Landbouwcomité, betwijfeld. In een adres aan de Regeering schrijven deze organisaties, dat zij er van overtuigd zijn, dat de moeilijkheden niet tot den akkerbouw zullen beperkt blijven, maar dat zij in de naaste toekomst ook de andere onderdeelen van den land-en tuinbouw zullen aantasten. Zelfs gaan de drie centrale landbouworganisaties in hun gemeenschappelijk schrijven verder. Zij spreken toch als hun oordeel uit : »dat, indien de toestand zich blijft ontwikkelen, als dit den laatsten tijd het geval is geweest, de land-en tuinbouw in zijn geheelen omvang met den ondergang wordt bedreigd«.
De toekomst van land-en tuinbouw wordt, wanneer de deskundigen hier gelijk krijgen, dus hoogst ernstig, vooral wanneer de landbouwspecialiteiten het juist inzien, dat men hier niet te doen heeft met een tijdelijke crisis, maar met een langdurige.
Nu is de moeilijke vraag, die zich voordoet, deze : Op welke wijze kan de Regeering land-en tuinbouw te hulp komen en welke maatregelen dienen getroffen te worden om de bedrijven te steunen ?
De Minister van Binnenlandsche Zaken en Landbouw was diligent, toen hij in de vorige maand eene commissie benoemde, welke tot opdracht kreeg de Regeering van advies te dienen omtrent de vraag of, en zoo ja, welke maatregelen met het oog op den oogenblikkelijken toestand van landen tuinbouw waren te treffen.
Ook de commissie liet er geen gras over groeien, want reeds op 28 Mei richtte zij een brief tot voornoemden Minister, waarin zij van oordeel was, dat een einde behoort te worden gemaakt aan de achterstelling, welke de Nederlandsche suiker tot dusver hier te lande ondervindt in vergelijking met bijna alle andere aan accijns onderworpen goederen.
Het gevolg van deze briefwisseling tusschen de commissie en den Minister was, dat bij Koninklijke Boodschap van 16 Juni een wetsontwerp bij de Staten-Generaal werd ingediend, waarbij een invoerrecht op suiker zal worden geheven van ƒ2.40 per 100 KJG.
De zaak liep alzoo, wat het suikervraagstuk betreft, vrij snel.
Echter verneemt men van verschillende kanten, dat de maatregel, welke thans de Regeering voorstelt, de suikerverbouwers niet zal helpen en dat het resultaat niet zoo gunstig zal zijn als de Regeering wel denkt. De vrees bestaat, dat bij het geven van bescherming aan de suiker, de suikerproductie zich hier te lande zal uitzetten. En gebeurt dit, dan zal de Regeering niet aan den aandrang kunnen ontkomen om het recht van ƒ 2.40 telkens te verhoogen, waar van de bietenverbouwers geen voordeel zullen hebben, terwijl de suikerprijs belangrijk zal stijgen.
Hoe dit alles intusschen zij, het groote voordeel, dat het wetsontwerp biedt, ook al zou het niet tot stand komen, is, dat de crisis, waarin land-en tuinbouw verkeeren, nog eens de volle aandacht van Regeering en Kamer krijgt.
En daarmee is al heel wat gewonnen. De juiste maatregelen zullen dan tenslotte niet kunnen uitblijven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juni 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juni 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's