Kleine Luiden
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN
Toen heeft Mulder in overleg met haar de reis naar de „Viersprong" ondernomen om tante Sien te vragen of zij ook hier de behulpzame hand zou kunnen bieden, en zoo is 't gekomen dat deze ook hier, gelijk bij zoovelen de reddende engel werd, om met hare bizondere gaven van hoofd en hart te helpen en ook als een moeder te troosten, maar bovenal een leidsvrouw te worden op den weg naar het Vaderhuis.
Want met hare scherpe oogen en gerijpte ervaring zag tante Sien, evengoed als de dokter, "dat dit jonge leven gelijk was aan die boomen in het woud, die een merkteeken dragen en wachten op de bijl van den hakker. Mulders Bet, met haar mooie blosjes op het lelie-blanke gelaat, was óók een geteekende, wier levensjaren geteld waren. Dat zag tante Sien wel, en dat kon haar zoo machtig aangrijpen, maar was ook oorzaak dat zij hier haar bizondere zorg besteden ging. Gelukkig was Henkie in den laatsten tijd zoo best, dat hij haar niet meer als voorheen noodig had. Van den meester kreeg hij privaatlessen om dan later als het kon de eene of andere hoogere inrichting van onderwijs te bezoeken en Rijpkema had haar onlangs gezegd, dat als het zóóver komen mocht, hij zou trachten de geldelijke bezwaren uit den weg geruimd te krijgen. Vandaar, dat Henkie thuis altijd overvloedig werk had, en anders den ledigen tijd of den avond weer bij Sander of Jasper of Rijpkema, of ook wel eens een enkele maal op „Unia-State" doorbracht, waar hij Dirk bij de sommen hielp of bij die vervelende thema's.
Maar zoo kwam het, dat Sien meer van huis kon, en vooral bij baas Mulder haar een taak zag aangewezen. Onlangs heeft mevrouw Randwijk, die tevens presidente is van een Vrouwenvereeniging, welke de bizondere zorg voor zieken en zwakken op zich neemt, door voor deze te naaien en te koken en als 't noodig is ook te helpen in de huishouding, tegen dominé gezegd : „weet je, man, waarover ik gedacht heb ? " „Neen, wat dan ? "
„Dat het Groene Kruis of de kerk of wie ook, dat is mij om 't even, tante Sien moest gaan aanstellen als verpleegster van het dorp, op vast salaris".
Maar toen heeft dominé gezegd : „met je bedoeling ben ik het volkomen eens, kind, maar ik geloof dat 't beter is de zaken op haar beloop te laten zoo 't nu gaat. Feitelijk is tante Sien hier al de diacones of verpleegster, zoo je het noemen wilt, al draagt zij dan geen ordekleed, en ik denk, dat 't juist bij haar op verzet zou stuiten, wanneer men dezen arbeid met een bepaalde som gelds beloonen wilde. Ik ken haar al zoo'n beetje, al is het dan ook net alsof zij mij steeds ontwijken wil, maar haar stelling is, dat vooral het helpen verplegen een werk der liefde moet zijn, waarbij alle belooning in geld moet afblijven".
En zoo was het. 't Zou een beleediging geweest zijn, wanneer men vooruit met haar een accoord wilde gaan maken voor haar hulpbetoon. Toen vrouw Burenga dat eens bij gelegenheid van een algemeene kinderziekte, die haar handen vol werk gaf, geprobeerd heeft, was haar antwoord, dat dit niet ging, waarom zij toen ook niet op „Unia-State" geweest is, daar men er hier een verkeerde uitlegging aan gaf. Maar tegen vrouw Rijpkema, met wie zij wel eens een weinig intiemer is dan met een ander, ; heeft zij gezegd wat het was, dat haar zoo deed handelen. „Ik ben indertijd zélf door Zorgvliet in grooten nood als van de straat opgenomen, en nu acht ik het mijn roeping, om Christus' wil, mij hier te geven aan alles wat men van mij vraagt" — zegt zij.
Daarom gaat tante Sien ook overal waar men haar roept, al spreekt het vanzelf, dat het eene huis begeerlijker is dan 't andere, ! en niet overal dezelfde waardeering voor haar liefdewerk gevonden wordt. Doch het eigenaardige is, dat waar zij komt, er ook een wonderlijke invloed van haar uitgaat, die velen onverklaarbaar is, en zelfs mannen als kleine Symen of vrouwen zooals Dut respect afdwingt en veel van haar doet houden. Den ingewijden is dit duidelijk ; 't komt omdat tante Sien een eeuwigheidskind is en heel dicht leeft bij de poort van het Vaderhuis.
Maar nu is het te begrijpen, dat zij op de eerste vraag van Mulder, om ook bij hem hare diensten te verrichten, ging antwoorden, dat zij komen zou.
En zij kwam, en zag en begreep. , , 'k Blijf hier niet lang liggen, hoor" — zei Bet, bij de eerste ontmoeting. En Sien heeft geantwoord : „'k hoop dat je gauw weer klaar bent, kind", — maar haar hoofd zei anders. Omdat zij wist wat die uitwendige teekenen verraden.
Langzamerhand wende men echter ook hier aan de toestanden : Weldra wist Bet niet beter of hare plaats was 's daags in de tent, waar een rustbed lag, en 's nachts in het ledikant voor een open raam, en tante Sien was hare moeder. Die niet alleen voor het huiswerk zorgde en den scheerwinkel altijd prompt in orde had, zoodat Mulder zoowel als de klanten zich hier steeds over gingen verwonderen, hoe handig en vlug dat alles in zijn werk ging, maar die dan ook, als de arbeid was afgeloopen, zoo rustig een uurtje bij de patiënt kan gaan neerzitten, om de temperatuur op te nemen, of met een mooi praatje de vereischte hoeveelheid melk naar binnen te krijgen, of ook wel eens iets vóór te lezen, dat zij voor Bet geschikt achtte. (Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juni 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juni 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's