Kleine Luijden
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN
Voor beiden was dit laatste het schoonste gedeelte van den dag. Tante Sien wist zoo mooi te vertellen, of kon altijd zulke geschikte dingen vinden om voor te lezen. Nu was t een psalm of 'n ander Schriftgedeelte, dan weer een scheurkalenderblaadje, of een gedeelte uit een preek of een stukje uit Kuyper's meditatiën, getiteld : ,,Nabij God te zijn", of iets uit „Pniël" van Gunning. Dan lag Bet muisstil, en keek naar de blauwe lucht, waarlangs de wolken langzaam of vlug in allerlei vorm en kleur voort dreven of luisterde óók wel met gesloten oogen naar de klanken der eeuwigheid.
Zij waren nu juist niet nieuw voor haar. Van kindsbeen af is zij opgevoed bij het Woord. Mulder is orthodox en gaat trouw naar de kerk, en zijn vrouw is zalig afgestorven. Vandaar dat Bet ook altijd christelijk onderwijs genoten heeft, zooals dat van christenouders verwacht wordt, en dat zij dus in 't geheel niet vreemd was aan den godsdienst. Maar tot hiertoe zat het er bij haar zoo van buiten op.
't Was een overgeleverd geloof, dat er nu eenmaal bij hoorde, even zooals de Zondagsche hoed of het Zondagsche kleed. Zonder dat evenwel de waarheid Gods door het hart was heen gegaan en persoonlijke ervaring verkregen werd van hetgeen verstandelijk werd aangehoord en, als het zoo te pas kwam, toegestemd. Bet was volstrekt niet slechter dan anderen, doch gelijk de meesten, meegaande met den stroom, zonder zich persoonlijk rekenschap te geven, van hetgeen de gemeente beleed.
Als dominé Randwijk bij zijn jaarlijksch huisbezoek ook bij Mulder kwam, was hij zéker dat hem hier geen moeilijkheden in den weg gelegd werden, terwijl hij van zijn kant nimmer te klagen had, dat de kerk of catechisatie niet trouw bezocht werd. Doch als dominé dan begon te spreken over geestelijke dingen en vroeg of men. hier ook ervaringen had van wat in het leven des geloofs kan worden ondervonden, dart was er meestal een stilzwijgen, of een toestemmen van wat dominé zei. En als dan het bezoek voor een jaar weer afgeloopen was, dan was het in zóó verre altijd een verlichting dat ml niet meer een onderzoek naar het inwendige werd gedaan, want daar hield baas Mulder niet zooveel van en Bet nog minder. Zij was nog zoo jong, en het heele leven lag nog voor haar. Zij was vroolijk van aard ; daarbij mooi, en wat lag nu meer voor de hand dan dat zij ook van het leven genoot, zoolang er iets te genieten viel. Zoo als immers de meeste jongelui in alle eer en deugd deden. En nu lag zij daar neer. Niet bepaald erg ziek zich gevoelend, — zij kon nog wel lachen en zich vermaken en had nog heele idealen voor de toekomst, — maar toch óók niet in staat te doen wat anders hare taak was. Liggen dat was het makkelijkst. Altijd aanstonds zoo moe. Vooral in den rug. En dan die hoest. En dan die vervelende verhooging. Zoodra er maar iets buitengewoons plaats greep of eenige inspanning vereischt werd.
Doch daarom was de tegenwoordigheid van tante Sien voor haar zoo weldadig. Als die bij het bed zat, was 't precies alsof zij rustiger werd. Sien wist juist hoe het moest en hoeveel het lijden kon. Als Bet soms overdreven druk deed, omdat zij zich het een of ander aantrok, wist zij haar altijd weer te kalmeeren, en als zij soms zoo moedeloos was, omdat er niet veel verandering ten goede kwam, had tante Sien altijd een opwekkend woord of lied.
Zoo gingen de dagen en weken en maanden voorbij, en wisselde het eene seizoen het andere af. Bet wist al niet beter of hare plaats was hier. Soms waren er die dachten, dat zij maar wat meer beweging moest nemen, en Dut, die het niet hebben kon, dat nu eens van Olga-State en dan weer van de Burenga's of van Deelstra of van een ander hier een verkwikking of versterking gebracht werd, had al eens gezegd, dat zij daar óók wel een poos liggen wilde, als de rijke lui dan ook voor haar zou goed zorgden, doch de uitkomst bewees wel dat het hier niet anders kon. Bet is kwaad geworden toen zij hoorde hoe over haar gesproken werd. Of de menschen dan werkelijk dachten dat zij hier voor de aardigheid lag met een ingebeelde kwaal ! Zij zou ook liever, gelijk hare vriendinnen, deelnemen aan het gewone leven. Werken als te voren, en fietsen en uitgaan, en in een booze bui heeft zij gezegd „'k wil hier weg !"
Toen heeft zij zich aangekleed, net als voorheen, om vervolgens de straat op te loopen naar een der kennissen. Maar toen de avond kwam, kon zij ternauwernood het huis halen. Doodelijk vermoeid heeft zij zich met Weeren en al op 't ledikant laten vallen, om toen uit te breken in een smartelijk geween, in machteloozen opstand tegen God, die haar had krank gemaakt, en tegen de menschen, die zoo wreed konden zijn.
Daarop is baas Mulder kwaad naar de buren geloopen.
't Was maar vrij wat beter dat Dut haar grooten mond meer dicht hield, inplaats van zijn kind ongelukkig te maken. Zij moest zélf de handen maar eens meer uit de mouw steken, 't Zou haar niet meevallen, als zij zelf daar eens zoo liggen moest, — in ieder geval, hij hoopte dat zij voortaan zich met haar eigen dingen bemoeien zou, en anders zou hij het anders met haar probeeren. Nog nooit had men hem zoo kwaad gezien, maar 't betrof dan ook zijn Bet, en een voorgevoel zei hem soms, dat hij haar niet zoo lang meer bezitten zou.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juli 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's