De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

De trekking des Vaders.

10 minuten leestijd

Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke. Joh. 6 vers 44.

Twee waarheden worden ons in de H. Schrift duidelijk en klaar voor oogen gesteld. De ééne is de totale verdorvenheid van den mensch. Er is niemand, die goed doet. „Hij zocht alom, maar ach 1 Hij vona er geen, Want alle vleesch is trouweloos afgeweken, Het land is vol van stinkende gebreken. Geen sterveling wil 't pad der deugd betreên. Ja zelfs niet één." In Rom. 3 laat Paulus het portret zien van ieder onherboren mensch. En in dienzelfden brief komt hij tot de conclusie dat allen van nature dood zijn en dientengevolge de geheele wereld voor God verdoemelijk is.
Doch een andere waarheid wordt niet minder klaar geleerd, n.l. dat in Christus volkomen redding, heil en zaligheid is. In Hem is alles wat de zondaar behoeft. Volkomen uitdelging der schuld, eeuwige gerechtigheid en zaligheid. En niemand behoeft te zeggen : Dat is voor mij niet. Immers roept Hij : „Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer."
Niettemin blijft de vraag gewettigd : Hoe komen die levende Verlosser en die doode zondaar bij elkander ? Daarop geeft ons tekstwoord een antwoord.
Niemand komt tot Christus, tenzij de Vader hem trekt. Wat is dat trekken ? De kantteekening zegt zoo juist : „dat Hij dengene, die van nature onbekwaam en onwillig is door de krachtige werking Zijns H. Geestes bekwaam en willig maakt."
De mensch is van nature onbekwaam en onwillig om tot Christus te komen. Hij is onbekwaam om het evangelie te verstaan. De natuurlijke mensch verstaat niet de dingen, die des Geestes Gods zijn. De weg tot zaligheid in Christus is hem ten eenenmale onbekend. Hij is onbekwaam om dien weg te bewandelen. Al zijne werken zijn doode werken en met geheel zijn bestaan en alle uitingen daarvan ligt hij onder den toorn en den vloek Gods.
Wordt nu die zondaar hieraan ontdekt, dan ziet hij het. De uitverkoren zondaar wordt door den H. Geest overtuigd van zijn schuld en doodstaat. Hij komt daardoor tot de ontdekking dat hij, ondanks al zijn godsdienst, vrome overdenkingen en werkzaamheden, nog nooit ééne goede gedachte gedacht heeft, nooit één goed woord gesproken heeft, nooit ééne waarlijk goede begeerte gehad heeft of éénen waren zucht geslaakt heeft. Hij wordt dermate ontdekt aan zijn doodstaat dat hij tevens ziet hoe onmogelijk hét is om ooit iets goeds te doen of te denken. Deze ontdekking van zijn totalen doodstaat is noodzakelijk, aangezien de mensch anders nooit wanhoopt aan zichzelf en ook nooit er toe komt om uit zich zelf uit te gaan en in Christus over te gaan.
Indien nu deze ontdekking zaligmakend is, wordt ze gevolgd door het trekken van onzen tekst, d.w.z. dan wordt de zondaar bekwaam gemaakt om tot Christus te komen. Alle andere ontdekking is niet-zaligmakend. Men leze hierover : Th. van der Groe : „Het schadelijk misbruik van een algemeene overtuiging tot een valschen grond voor rust voor de ziel", alsook van denzelfden schrijver „De toetssteen der ware en valsche genade."
In de zaligmakende overtuiging wordt dus de zondaar bekwaam gemaakt om het evangelie te verstaan 1 De mensch die getrokken wordt verstaat iets van de dierbaarheid van het evangelie, de noodzakelijkheid en gepastheid voor hem zelf. Door het trekken is hij bekwaam om Jezus te kennen als van God hem persoonlijk geschonken tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en volkomen verlossing. Hij is bekwaam, in dien zin, dat hij Jezus nu ook metterdaad kent, en dat wel door levensgemeenschap met Hem. Jezus wordt hem in het trekken geopenbaard en juist zooals de zondaar Hem noodig heeft : tot vergeving, verzoening,  gerechtigheid en leven. Dit trekken is echter ook een gewillig maken.
Van nature is de mensch onwillig om tot Christus te komen.
De natuurlijke mensch, hoe gereformeerd ook in zijn belijdenis, is in hart en nieren Roomsch en-Remonstrant. Alle uitwendige belijders zijn onwillig om Christus aan te nemen, zooals Hij in het evangelie aangeboden wordt. Men kan zelfs veel ondervonden hebben, vele begeerten en uitgangen hebben naar Jezus, Hem z.g. zoeken en toch onwillig zijn om tot Hem te komen. Dat blijkt wel daaruit dat velen over deze dingen spreken en ze bespreken en toch Jezus niet bezitten. Deze menschen zijn blind voor hun onwil en ongeloof. Ze zijn nooit recht aan dien onwil en dat ongeloof ontdekt. Zij spreken over vele zonden, maar juist deze hoofdzonden, deze zonden tegen het evangelie kennen zij niet.
Zij beschouwen zich als vrienden en zij zijn vijanden des kruises, achten het bloed des Nieuwen Testaments onrein en laten Jezus, die niemand uitwerpt, die tot Hem komt, staan, ondanks Zijn gewilligheid, roepen en bidden. Ach, dat velen derzulken nog eens komen mochten tot kennis van hun verdoemelijken staat voor God.
Zoo is er dan niets, waar de natuurlijke mensch zóó tegen gekant is, als juist tegen Christus. Vóór hij door den Vader getrokken wordt, wil hij langs lederen weg zalig worden, doch niet langs den weg Christus. In de ontdekking ziet de zondaar dat. Overal speurt hij zijn onwil. In heel zijn bestaan en de uitingen daarvan. Hij ziet ook dat hij niet in staat is daaraan iets te veranderen. Zijn toestand is hopeloos.
Is nu deze ontdekking zaligmakend dan wordt ze gevolgd door het trekken van onzen tekst. D.w.z. dan wordt de zondaar gewillig gemaakt om tot Christus te komen. En dan komt hij ook metterdaad tot Hem.
Immers, op het oogenblik van het trekken wordt hem Christus in het Woord Gods geopenbaard. Zoodra hij geopenbaard wordt neemt de zondaar Hem gewillig aan, door het geloof, hetwelk de H. Geest op dat oogenblik ontsteekt. (Ned. Geloofsbel. art. 22.) . Zoo komt in één oogenblik de nieuwe mensch ter wereld. Een geboorte, voorafgegaan door een ontdekking, die den mensch van alles afbrengt, ontkleedt, bekend maakt met zijn onmacht, onwil, ongeloof en verdoemelijkheid voor God.
En zoo is dit trekken zakelijk hetzelfde als inwendige roeping, wedergeboorte, openen des harten. (Dordtsche leerregels hoofdstuk III en IV art. 10, 11, 12, 13.)
Dit trekken is alleen Gods werk, en een almachtige daad des Vaders. Het woord „trekken" wijst dan ook op een machtsopenbaring Gods.
Toch is dit trekken niet een forceeren van den wil of een dwingen tegen den wil des menschen. Het is een buigen, een vernieuwen van den wil. Onze vaderen schreven, in een der genoemde artikelen der Dordtsche leerregels : „In den wil stort Hij nieuwe hoedanigheden, en maakt dat die wil, die dood was, levend wordt ; die boos was goed wordt ; die niet wilde nu metterdaad wil ; die wederspannig was gehoorzaam wordt ; Hij beweegt en sterkt dien wil alzoo dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen."
Zoo is voor de vaderen trekken en wedergeboorte hetzelfde, n.l. een almachtige daad Gods, waarmede het komen tot Christus op hetzelfde oogenblik gegeven is. Onze tekstwoorden toonen dit ook klaar en duidelijk aan.
Trekken is dus niet een. overtuigen, of een lokken, waardoor allerlei werkzaam­ heden kunnen ontstaan, buiten Christus om, doch een bekwaam en gewillig maken om uit zich zelf uit te gaan, en in Christus over te gaan, wat dan ook in 'het oogenblik van trekken plaats grijpt ; aangezien de daad een onmiddellijk gevolg van den wil is.
Met het trekken is dus het komen Christus gegeven. Deze zaak heeft dus twee zijden. Het trekken is de zaak van Gods kant gezien. Het komen tot Christus doet ons de zaak van 's menschen zijde zien. Trekken en komen tot Christus behooren dus bij elkander.
In onze tekstwoorden worden ze dan ook wel onder scheiden doch niet gescheiden. Als ik een voorwerp naar mij toetrek, komt het ook op hetzelfde oogenblik tot mij. Zoo ook hier. Tusschen trekken en komen is geen verschil van tijd. In de beleving dezer zaken is dat ook zoo. God wederbaart, trekt, buigt den wil, en de zondaar komt tot Christus en neemt Hem aan. Het trekken en komen is tegelijk het zalige oogenblik des geloofs. Het is het oogenblik waarop de ziel Christus eigent als Verlosser, Middelaar, Borg, Weg tot den Vader. Dit komen is niet anders dan gelooven.
Komen is een achterlaten van alles wat buiten Christus is.
Wie komt, laat alles buiten Hem los, ook zijn Ik en zijn leven. Dit komen is een eten van Hem. In ons teksthoofdstuk stelt Jezus zich herhaaldelijk voor als het brood des levens. Komen is Hem eten, d.i. geloofsvereeniging met Hem beoefenen.
Komen is ook zich aan Hem vertrouwen. Wie tot Hem komt vertrouwt volgens Zondag 7, dat al zijn zonden om Zijne verdienste vergeven zijn. Zonder dit 'heeft men geen zaligmakend geloof. Velen, die den naam van gereformeerd dragen zijn in dit opzicht Remonstrant. De gereformeerde wereld is vol van Remonstranten. Immers zijn er talloos velen die zeggen en leeren dat men ten hemel kan ingaan, ook al heeft men Christus nooit door het geloof als Zijn Borg aangenomen. En men voegt er tevens aan toe dat', men een zaligmakend geloof kan hebben zonder de vergeving der zonden. In den strijd met de Remonstranten schreven onze vaderen letterlijk, dat zij als in strijd met de Confessie en den Catechismus verwierpen de leeringen der Remonstranten, die leerden: „Dat de menschen kunnen zalig worden door een geloof, hetwelk is zonder kennis van den persoon en de verdiensten van Jezus Christus", en : „Dat tot een waar geloof niet wordt vereischt een vast vertrouwen, waardoor dfe geloovige zich verzekerd houdt, dat hem zijne zonden om de voldoening van Christus vergeven zijn. (Zie : „De Dordtsche leerregels" door De Lind van Wijngaarden, blz. 55).
Wie nu tot Jezus komt is door het geloof in Hem gerechtvaardigd. Wie tot Hem komt smaakt den vrede met God, een vrede, die alle verstand te boven gaat. Een drieëenig God neemt den mensch en geeft zich aan den mensch. Dat is juist zaligheid, geluk, alles. Dit komen, ten slotte, wil zeggen : leven. In vers 47 zegt Jezus : „Die in Mij gelooft heeft het eeuwige leven." Buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf. De Apostel Johannes zegt ook in zijn eersten brief : „Die den Zoon van God heeft, heeft het leven, die den Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet.
Zoo is Christus alles. Wie Hem heeft, heeft alles, wie Hem niet heeft, heeft dus niets. Op dit ééne komt alles aan. Hij is de rots, waarop de Kerk is gebouwd.
Die Christus is nu voor ieder te verkrijgen. Hij wordt allen aangeboden. Allen worden genoodigd tot en door 'em. Ja zelfs gebeden : „Wij bidden u van Christus' wege alsof God door ons bade : laat u met God verzoenen.
Maar van dit evangelie moet de mensch niets hebben. In ons teksthoofdstuk kunt gè vinden dat de Joden deze leer hard vonden. Ze volgden Jezus dan ook niet meer. Alles ging goed toen Jezus brooden gaf. Maar toen Hij zeide : I k ben het brood des levens, om Mij gaat het en gij kunt alleen leven als gij Mij eet, ziet, toen veranderde de gezindheid en liep men weg. Zoo is het nog.
Inderdaad, geen harder leer voor het goddelooze en vrome vleesch dan de zuivere leer des evangelies. Maar ook geen aangenamer, heilzamer en zoeter leer voor een waarlijk verdoemelijk mensch, voor een mensch, die zijn leven verliest.
Doch juist, omdat men zijn leven moet verliezen komt men niet, wil men niet komen, zoodat Jezus zeggen moet : „Gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben."
O, onderzoek u dan. Bedrieg u zelven niet, want het is een zaak voor de eeuwigheid.
Maar voor slechten, verdoemelijken, hopeloozen, dooden is hier een rijk evangelie. Wie tot Herp komt, werpt Hij geenszins uit. En dan blijft niet anders over, voor heel de Kerk Gods, om den Vader te loven en te prijzen voor Zijn vrije ontferming, onverdiende gunst, zalige trekking en de rijke gift Zijns Zoons.

L.

V. Sch.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juli 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juli 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's