KERKELIJKE RONDSCHOUW
Is het niet bedenkelijk?
De eindelooze splitsing op Kerkelijk terrein gaat maar door onder ons volk, dat nogal theologisch voelt en nogal kerkelijk is aangelegd. Een paar jaar geleden is gekomen de formatie van de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband, welke beweging zich concentreerde rondom dr. Geelkerken. Nu hebben we zoo waar ook de formatie gekregen van de Gereformeerde Gemeente in Hersteld Verband, geleid door ds. Overduin en anderen. De eerste beweging was een zich losmaken uit het verband der Gereformeerde Kerken, die sinds 1892 bestaan, de tweede beweging, aanvankelijk alleen te Rotterdam, is een afscheiding van de Gereformeerde Gemeente in Oud Verband, onder leiding staande van ds. Kersten.
Zoo staan nu naast elkaar de Hervormde of Gereformeerde Kerk, de Gereformeerde Kerken, de Christelijk Gereformeerde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband en de Gereformeerde Gemeente in Hersteld Verband — om van andere formaties als Oud-Gereformeerde Gemeente, Vrij-Gereformeerde Gemeente enz. enz. niet te spreken — en onderling is er niet de minste gemeenschap en niet de minste waardering, zij 't ook, dat de gesteldheid bij den een wel iets anders is dan bij den ander.
Maar als men — om bij de laatste scheuringen te blijven — leest hoe de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband over de Gereformeerde Kerken in Oud Verband, en omgekeerd, over elkander oordeelen, is het allervreeselijkst. En als bij de formatie van de Gereformeerde Gemeente in Hersteld Verband ds. Overduin bevestigd wordt in het ambt door zijn broeder, dan komt er een getuigenis over de Kerk van ds. Kersten, dat van de verschrikkelijkste dingen getuigt. Want er werd toch niet minder dan dit van ds. Kersten en de zijnen gezegd : „als ze ons op den brandstapel konden verbranden, dan zouden ze het niet laten".
Onwillekeurig dachten wij aan Artikel 36. Wie 't treft, die treft het, maar als men aan 't punt van uitroeien van ketters komt, is niemand veilig.
Doch dat daargelaten. Die brandstapels en dat dooden en uitroeien van ketters nu eens latend voor 't geen het is. Is het feit, van de eindelooze splitsing op kerkelijk terrein, niet allervreeselijkst. En moeten allen die den Naam en de zaak des Heeren liefhebben, zich niet eens gaan beraden over het droeve feit, dat de verwarring en de verdeeldheid op het terrein van Gods Kerk hoe langer hoe grooter wordt ?
We weten wel, dat men zich tegenwoordig troost met het leerstuk van de pluriformiteit der Kerk. Men redeneert dan rustig, dat er valsche, onzuivere, bijna zuivere, zuivere en allerzuiverste kerken zijn en men voelt zich dan in eigen kring het veiligst.
De Roomsche Kerk is dan de valsche Kerk. De Hervormde Kerk is misschien een streepje beter, maar allesbehalve zuiver en te vertrouwen. De Gereformeerde Kerken waren zuiver, maar raken in discrediet want er zijn Kerken die zuiverder zijn. Er waren Gereformeerde Gemeenten die de kroon spanden, maar dat is nu ook uit, want er is nu baas boven baas. En zoo gaat het in ons goede landje maar door en een eindelooze reeks van Kerken dienen zich aan, die valsch, onzuiver, bijna zuiver, zuiver en allerzuiverst zijn. Bevalt het nu bij de eene Kerk niet, dan gaat men naar de andere. En is het daar straks ook niet precies, zooals men het begeert, dan stapt men over naar een derde of vierde formatie. Men verwisselt van Kerk, zooals men van jas of jurk verwisselt. En de pluriformiteit der Kerk troost. Heerlijk, dat, naar de behoeften van den tijd de Dogmatiek met dat hoofdstuk van de pluriformiteit der Kerk verrijkt is. Men kan nu rustig voortgaan met slecht, goed, beter, best — om natuurlijk van eigen Kerkgemeenschap te zeggen, dat zij de beste van de besten is ! Anderen mogen zich dan vergenoegen met het mindere soort, met een gemengd gezelschap, met Jan Rap en zijn maat enz. enz.
Van onze Hervormde Kerk getuigen wij niet, dat zij de zuivere, nog minder dat zij de zuiverste Kerk is. Er zijn er, die veel zuiverder zijn, al zijn er ook weer, die nóg méér zuiver zijn
Onze Hervormde Kerk komt er niet zelden slecht af. Het is de Kerk van het gemengd gezelschap, van het mindere soort, van Jan Rap en zijn maat enz. enz.
Waarom dan niet overgestapt naar een andere en betere Kerkformatie ? Er zijn er nu waarlijk genoeg, waar we terecht kunnen —
Maar ziet, juist dat is het bedenkelijke, dat het gaat : welke is de meest zuivere Kerk ?
Dat ligt bijv. de menschen. van de Gereformeerde 'Kerken in den mond, altijd en overal, wanneer ze met iemand van de Hervormde Kerk spreken, of wanneer ze bijv. met iemand in discussie raken, die wenscht over te gaan van de Gereformeerde Kerken naar de Hervormde Kerk. Dan is 't altijd weer : onze Gereformeerde Kerken zijn toch veel zuiverder en veel beter dan de Hervormde Kerk. Want in de Hervormde Kerk is het zus en is het zoo — van dik hout zaagt men planken — maar in onze Gereformeerde Kerken vindt men zulke wantoestanden niet ; daar vindt men heel andere en heel wat betere dingen, daar is alles gereformeerd, de prediking van al de dominees, de Sacramentsbediening in alle Kerken, de kerkelijke tucht enz. enz.
Zoo stelt men Kerk tegenover Kerk ; en de keus kan dan niet moeilijk zijn ; in een confectiemagazijn kiest men toch ook de mooiste jas en men neemt toch niet de leelijkste schoenen ?
Verschrikkelijk, dat het zóó onder ons toegaat!
Waarom wordt de scheuring en de verdeeldheid en de versnippering bevorderd, met de redeneering van slecht, minder goed, goed, beter, best ?
Waarom wordt bij elke strubbeling maar weer besloten tot een nieuwe afscheiding ?
Waarom wordt alom met name de Hervormde Kerk uitgespeeld, als zijnde de minst zuivere Kerk? (Over de Roomsche Kerk spreken we nu in dit verband niet).
Waarom wordt onder ons volk, dat theologisch voelt én kerkelijk aangelegd is, niet veel meer gesproken over de aloude Gereformeerde Kerk in dezen lande, waar de belijdenis der waarheid nog gevonden wordt en waar nog een groot deel van het volk, dat God vreest, woont, om daar, waar de Kerkschuld roept te staan naar Kerkherstel ?
Het is alsof de Heere blaast in al dat gewirwar op kerkelijk terrein. Hier riep men : des Heeren tempel ! Daar riep men : des Heeren tempel ! Ginds gaat men nu ook roepen : des Heeren tempel ! En op een andere plaats roept men nu luider weer : des Heeren tempel !
Maar gelooft het niet. Wij weten het heel goed, dat wij met beschaamde kaken staan, als men uit den kring van zuivere, meer zuivere en allerzuiverste kerkformaties vraagt, hoe het dan bij ons. Hervormden, gesteld is.
Schaamte bedekt ons aangezicht !
Maar waar ligt mee de schuld ?
Men loopt en draaft hierheen en daarheen. En men strooit allerlei redeneeringen uit. Men voert allerlei bewijzen aan. Ieder komt er zonder gescheurde kleederen onder uit. Niemand heeft schuld. Ieder heeft recht om weg te loopen. Het is zelfs plicht om weg te loopen. Het is zelfs zonde om te blijven in de Hervormde Kerk. En zoo komen degenen die heengingen en nog eens heengingen er mooi af. Dat zijn de palstaanders. Dat zijn de getrouwe getuigen enz
En de Hervormde Kerk, de aloude Gereformeerde Kerk, de Kerk onzer Vaderen, ja, wat veel méér zegt : de Kerk des Heeren in dezen lande, het huis des Heeren in het midden des volks wordt woest gelaten, mee door de handelingen van hen, die den Naarn des Heeren belijden en de zaak des Heeren lief hebben.
En de slechtheid van de Hervormde 'Kerk troost dan degenen, die heengingen. De leer van de pluriformiteit der Kerk troost allen die maar doorwerken in de richting van slecht, goed, beter, best
Is het niet allervreeselijkst ?
Lijdt de zaak des Heeren niet onder dit alles ?
En denkt men, dat men dat met allerlei redeneeringen van minder-en meer zuivere Kerken kan goed maken ?
Moet de splijtzwam nu maar blijven voort werken tot in het oneindige ?
En als men ons dan wéér vraagt, of de Kerk zus en de Kerk zoo dan niet zuiverder is dan de Hervormde Kerk — dan staan we met beschaamde kaken. Ja, de Hervormde Kerk is niet zoo zuiver als de Kerk hier en als de Kerk daar is
Maar als we nog iets zeggen en vragen mogen, dan is onze vraag : Wie dragen hiervan mee de schuld ? en wat we zeggen wilden vatten we samen in deze woorden : de Heere geeft ons aanschouwelijk onder wijs, dat we bezig zijn om .de Kerk van Christus groote schade toe te brengen en om te maken, dat Gods Naam mee om onzentwil gelasterd wordt.
Waar de Kerkschuld gemaakt is, daar moet ook het gebed oprijzen om het herstel der Kerk te mogen aanschouwen en daar moeten ook allen die den Naam en de zaak des Heeren liefhebben bij elkander gevonden worden, om als mede-arbeiders Gods te werken het werk des Heeren.
Gods Woord klinkt in deze uit boven alle woorden van menschen. En Gods Woord wordt ons voorgelegd, waar Jesaja, de Godsman, zegt : „Doch nu, HEERE, Gij zijt onze Vader ; wij zijn leem, en Gij zijt onze pottebakker, en wij allen zijn uwer handen werk : HEERE, wees niet zoo zeer verbolgen, en gedenk niet eeuwiglijk der ongerechtigheid; zie, aanschouw toch, wij allen zijn Uw volk.
Uwe heilige steden zijn eene woestijn geworden, Sion is eene woestijn geworden, Jeruzalem eene verwoesting ;
ons heilig en ons heerlijk Huis, waarin onze vaders U loofden, is met vuur verbrand en alle onze gewenschte dingen zijn tot woestheid geworden :
HEERE, zoudt Gij U over deze dingen inhouden, zoudt Gij stilzwijgen en ons zoozeer bedrukken? " (Jes. 64 vers 8—12).
De zaak der Reorganisatie.
Door de oprichting van het Nederlandsch Hervormd Verbond tot Kerkherstel is de zaak der Reorganisatie in een nieuw stadium gekomen.
Een Motie is opgesteld, bedoeld om aan de Synode te worden voorgelegd, waar over ook op onderscheidene Classicale Vergaderingen is gesproken en door enkele Classicale Vergaderingen is overgenomen.
Zoo zal de zaak der Reorganisatie weer in de Synode van dit jaar komen.
Ook zal bij en naast deze Motie de kwestie van de Groote Synode moeten besproken worden.
Of het veel zal.uithalen dit jaar in het midden van de Synode ?
Onze verwachting is om allerlei oorzaak niet hoog, zelfs zeer laag, gespannen. De moderne Synode-leden „voelen" zich dit jaar. Dat zult ge eens zien ! En zij zullen er wel voor zorgen, dat de zaak in de groote Synodale prullemand komt.
Dr. Niemeijer, de generaal, heeft al gezegd, dat het „brutaal" was, om nu weer met deze zaak aan te komen.
Wie hier de brutalen zijn, zullen we maar niet uitmaken.
We willen liever er op wijzen, dat de Modernen met machteloosheid geslagen zijn om zelfstandig ook maar iets te doen.
Noord-Holland b.v. boven het IJ, het bolwerk van het Modernisme, is kerkelijk zoo dood als een pier. En zoo zouden er veel meer dingen kunnen genoemd worden. Bovendien kunnen ze, wat hun totaal aantal betreft, zelfstandig niets doen.
Dat is de zwakke plek van degenen, die van „brutaal" spraken —
Maar er komt nog iets bij.
In getuigen licht ook een kracht. Gebeurde het maar méér. Gebeurde het maar meer spontaan en krachtiger. Haast zouden we zeggen : gebeurde het maar „brutaler". Want de zaak, waarom het gaat, is het getuigen van de belijders van den Naam van Christus waard !
En de Heeré wil het ons verzekeren, dat de zaak des Heeren nooit door kracht noch door geweld kan worden gebroken of vernietigd, want 's Heeren Geest is er óók nog, om Zijn Kerk te bewaren en Zijn Huis te behoeden.
„Door Mijnen Geest zal het geschieden" — spreekt de Heere, en dan kan „kracht en geweld" van de tegenpartijders het niet keeren.
Daarom moeten we getuigen ; telkens weer.
Weten we niet, dat de Heiland bij Zijn omwandeling op aarde die mooie gelijkenis van „de verdrukte weduwe" heeft uitgesproken ?
In Lukas 18 lezen we van die „verdrukte weduwe", die ,,rechtloos" was. En van dien rechter, die God niet vreesde en die voor de menschen geen ontzag had.
Een verdrukte, rechtlooze weduwe — en een goddelooze, onrechtvaardige rechter.
Dat moet natuurlijk uitloopen op den ondergang van die weduwe !
Haar „wederpartijder" zal haar net zoo lang plagen, dat zij bezwijkt en verdwijnt in het niet.
Met een rechter die haar niet helpt en haar niet beschermt en niet voor haar zaak opkomt.
En dan loopt het zoo anders.
En dan zegt de Heiland : men moet niet vertragen. Men moet altijd bidden.
Met dezen troost, dat boven den onrechtvaardigen rechter de God aller genade woont en troont. Die Zijn kinderen liefheeft en hen in duren tijd of hongersnood niet zal laten omkomen.
Maar dan niet vertragen.
En dan altijd bidden.
Herdenk de trouw, aan ons voorheen betoond ; Denk aan Uw volk, door U van ouds verkregen. Denk aan Uw erf, het voorwerp van Uw zegen aan Sions berg, daar G' eertijds hebt gewoond Geef 't wild gediert, dat niets in. 't woên ontziet, De ziele van Uw tortelduif niet over ; Laat, groote God, om een gehaten roover.
Uw kwijnend volk niet eeuwig in 't verdriet.
Dat elk verdrukt' Uw bijstand eens erlang ; Laat, laat Uw volk niet schaamrood wederkeeren ; Maar wi! van hen ellend' en nooddruft weren, opdat z' Uw Naam verheffen in gezang.
(Psalm 74 vers 2, 18, 20).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juli 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's