De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kleine Luijden

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kleine Luijden

SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN

5 minuten leestijd

Vanaf dien dag werd haar toestand slechter. „Gekkenwerk" — heeft dokter gezegd, toen hij dienzelfden avond nog geroepen werd om iets te geven voor de berstende hoofdpijn, en toen hoorde wat er gebeurd was. ,,Nog eenmaal zoo'n uitstapje, en ik sta niet voor de gevolgen in". Maar dat behoefde hij haar niet te zeggen. Omdat Bet zélf wel gevoelde hoe het met haar stond. Vooral toen den volgenden morgen na een hevige hoestbui opnieuw bloed loskwam, en de borst zoo hijgde. Wat had die Dut op haar geweten !
Maar ook zonder haar zou dit het einde geworden zijn, al spreekt het vanzelf dat de omstandigheden, naar den mensch gesproken, 't elndproces konden verhaasten.
„'t Komt niet goed, vader" — fluisterde de kranke, met iets mats in haar stem, waaruit tevens de vrees sprak. Maar Mulder heeft dat niet willen hooren. Hij kon zijn kind niet missen, dat zélf nog zoo aan het leven hing en waardoor zijn eigen weg zoo eenzaam en stil zou worden. , , Och kom —heeft hij gezegd — „niet het ergste denken. Wat zou zoo'n beetje bloed, 't'Geeft wel eens ruimte en het overtollige moet weg. Wij zullen zien, dat er nog meer melk in komt, want daar krijgt een mensch bloed van, en dan — maar dat mag niemand weten, óok de dokter niet — maar dan heeft hij nóg een idéé. Onlangs was hij bij gelegenheid dat hij naar een naburig dorp ging om daar zijn klanten te bedienen, een eindweegs met Sander opgeloopen. Van zelf ging het gesprek aanstonds over huis.
„Hoe is 't met Bet, Mulder ? "
"Och wat zal ik zeggen ; dat zij nu zoo ziek is, neen, — maar 't wil niet opschieten. Zij ziet er best uit en heeft een mooie kleur en is altijd even helder, maar die koorts komt telkens weer en dan die hoest".
"Krijgt zij medicijnen ? "
„Niet dat uitmaakt; alleen als de temperatuur al te veel omhoog vliegt. Voor de rest moeten rust en voeding haar weer beter maken".
„En komt de dokter geregeld ? "
„Af en toe eens ; meestal één keer in de week".
„Dan zou ik het tóch eens anders probeeren".
„Wat bedoel je ? "
„Ja, ons leven is in Gods hand, en ook voor Bet is de tijd bestemd, maar wij mogen alles wat onder ons bereik ligt aanwenden om te komen tot genezing".
„Ik begrijp je niet".
Daarop heeft Sander een naam genoemd van iemand, die geen dokter was, maar zeer veel verstand van het menschelijk lichaam en van de genezende kracht der kruiden had, en bij wien velen baat vonden. Als Mulder daar ook eens heen ging. Men wist niet wat onder Gods zegen nog ten leven kon zijn. 't Was wel meer gebeurd dat eenvoudige middelen van ongeneeslijke kwalen hadden verlost. Koning Hiskia was in den middellijken weg door een klomp vijgen van zijn gezwel genezen en de voorbeelden waren voor het grijpen, welke aantoonden hoe de Heer soms het geringe en eenvoudige gebruikt om het groote en voortreffelijke te beschamen. In elk geval had die man, van wien Sander vertelde, de bekwaamheid ook niet uit zich zelf en was voor duizenden, onder wie mannen en vrouwen van naam, ten zegen geweest. Alleen, Mulder mocht dit niet doen, zonder vóórkennis van dokter. Vanaf dat oogenblik was Mulders besluit genomen. Wat dat laatste betrof, daarover was hij het met zichzelf nog niet eens. Dokter was een flinke man, maar kort aangebonden, vooral wanneer men ook maar eventjes hem in zijn praktijk te na kwam. Al zijn patiënten behandelde hij zooals de wetenschap hem dat geleerd had, maar gedoogde dan ook niet dat onwetenschappelijke menschen over zijn werk gingen oordeelen. O wee, als hij hier of daar eens een huismiddeltje of kwakzalverij gewaar werd ! Dan bestond er óók alle kans dat hij oogenblikkelijk „rechtsomkeert" maakte met de woorden : „jullui hebt hier al een dokter, naar ik merk". Vandaar, dat alle potjes van Klooster-balsem, of alle fleschjes van Abdijsiroop of Forsters nierpillen of Wortelboers kruiden, of hoe die veelvuldige medicamenten en tinkturen dan ook mochten heeten, gewoonlijk zeer zorgvuldig werden opgeborgen als men wist dat de dokter in de buurt was. Toen hij eens bij vrouw Atsma geroepen werd, omdat zij weer zoo leed aan hoofdpijn, en daar toevallig op den hoek van den schoorsteenmantel een sterk riekend vocht vond, dat probatum was voor alle kwalen, heeft hij gevloekt als een krijgsheld en gevraagd, waarom ze hem hier lieten komen, als er al een ander gebruikt werd. En toen heeft het maar weinig gescheeld of hij was weg geloopen zonder een recept te schrijven. Want dan was het hem ook evenveel wien hij vóór had, een rijke of een arme. Gehoorzamen aan wat hij voorschreef en vertrouwen op zijn behandeling, dat was hef wat hij eischte, en die dat niet wilde, moest nooit zijn hulp inroepen.
Niettemin werd hij genoeg bedrogen. Gelijk elke dokter, 't Leven is elk mensch lief en wat doet een mensch al niet tot redding of verlenging van zijn leven.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juli 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Kleine Luijden

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juli 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's