Ds. M. JONGEBREUR
Zoo iets droefs, zoo iets pijnlijks gebeurt maar een hoogst enkelen keer. Toen we verleden Woensdagavond stil op de studeerkamer zaten, werd geklopt en een heer trad binnen met de mededeeling, dat hij was opgebeld om mij te laten weten dat een auto-ongeluk had plaats gehad tusschen Driebergen en Doorn, waar twee Veenendaalsche predikanten ernstig gewond waren. De toestand van een hunner, n.l. ds. Jongebreur, was door een schedelbreuk zelfs hoogst bedenkelijk.
Onmiddellijk bekroop ons de vrees, dat dit krachtige leven hierdoor ontijdig — naar onze berekening — zou kunnen worden afgesneden. En toen we den volgenden morgen ons naar Doorn begaven om te weten hoe alles zijn mocht, vonden we daar in de achterkamer van het Wijkgebouw het ontzielde lichaam van onzen vriend en broeder ds. Jongebreur.
Als een gevelde eik lag hij daar. Er was nog geen takje afgebroken. De krachtige, sterke man, had den nóg sterkere ontmoet. Door een ongeval, door het slippen van den wagen, had hij zulk een verwonding gekregen, dat, naar het oordeel der deskundigen, dadelijk het ernstigste moest
Om zich dit te kunnen realiseeren, is niet wel mogelijk. Daarvoor is tijd noodig. Het is alsof de mogelijkheid nog niet is uitgesloten dat nog de mond wordt open gedaan. Zulk een plotseling verscheiden grijpt nog veel meer aan dan de dood op een ziekbed. Immers alle voorbereiding ontbreekt. Men kan het niet gelooven. En toch is het zoo. Ds. Jongebreur, de oudste der drie Veenendaalsche predikanten, de man die een kwart eeuw hier met eere diende, die én in de plaats zijner inwoning èn daarbuiten de leiding had in tal van vereenigingen en scholen, de Penningmeester van den Gereformeerden Bond, die onzen Fliehe was opgevolgd, nadat hij eerst vanaf de oprichting van den Bond de functie van Secretaris met de hem eigene accuratesse had waargenomen, was aan alles ontvallen. Het tijdelijke was met het eeuwige verwisseld.
Voor iedereen kwam deze slag even onverwacht. Voor iedereen, ook voor hem zelf. Niet, dat hieruit iets meer mag worden afgeleid dan dat aan zulk een tragischen dood ook niet door hem was gedacht. Want opvallend was toch wel, dat de gedachte aan een betrekkelijk vroegen dood toch meer dan eens bij hem oprees. Was niet de groeve, waarin zijn stoffelijk omhulsel zou moeten worden bijgezet, door hem zelf reeds aangewezen ? Leefde hij niet gelukkig met zijn trouwe egaa in de comfortabele woning, waarop als opschrift prijkt „Linquenda", d. w. z. "deze moet worden verlaten" ?
En toch was hij de man van de volle actie.
4 Nov. 1875 in Ouderkerk a.-d. IJssel geboren, had hij hier in positief-gereformeerde richting, van den beginne aan, zijn levensbaan zien geleid. De naam van zijn godzalige moeder werd in zijn herdenkingsrede, op 25 Maart 1925 te Veenendaal gehouden, op de eerste bladzijde genoemd. God gebruikt zoo dikwijls de teedere hand van moeder om kinderen tot den Heere Jezus te leiden. Zoo kan het niemand verwonderen, dat hij later op de banken van de Christelijke School reeds onmiddellijk de liefde tot dit onderwijs in zich voelde groeien. Wie den Ouderkerkschen geest eenigszins heeft leeren kennen en ds. Jongebreur in later jaren ontmoette, zal zich niet kunnen onttrekken aan de conclusie : wat hem in de jeugd is bijgebracht, heeft hij tot aan zijn dood zuiver zoeken te bewaren. Hij was een echte vertegenwoordiger van dat oude, stoere, echt-Hollandsch degelijke ras, dat eene levensbeschouwing huldigt, aan de Waarheid van Gods Woord ontleend. Een zekere rechtlijnigheid valt toch op in dit leven van onzen vriend Jongebreur. Waarvan hij ook werd beschuldigd — dit kwam in zijn leven ook nog al eens voor, gelijk bij ieder getrouw dienstknecht des Heeren —, van onstandvastigheid hoorde ik aan zijn adres nimmer. Heel zijn verschijning gaf aan wat hij ook in werkelijkheid was : een man van stavast.
Dit zullen ook de Gemeenten, waarin hij zijn krachten ten beste heeft gegeven, moeten getuigen, dat hij in de prediking en in heel zijn herderlijk werk altijd het beginsel getrouw is gebleven : alles ter eere Gods.
Slechts twee Gemeenten heeft hij gediend, de laatste meer dan 25 jaar. Hier woonde hij met recht midden onder zijn volk. Hier heeft hij zijn van God geschonken talenten weten te ontplooien. Hij was iemand, die wat hij zich had voorgenomen, ook wist te bereiken, 't Was degelijk werk, mooi werk, wat door hem in 't leven werd geroepen. Van licht getimmerte hield hij niet. Zijne herinnering zal daarom ook niet zoo spoedig worden vervaagd in Veenendaal. Blijvend werk is door hem verricht, werk, waarin Gods Naam wordt verheerlijkt. Want dat was toch op den achtergrond, van alles wat hij tot stand wist Kerk, de eere des Allerhoogsten.
Als prediker was hij geliefd, als organisator moeilijk te evenaren, als werkkracht onovertroffen. Waar hij geroepen werd, daar stond hij.
Zoo is 't haast een vanzelfsprekend feit, dat collega Jongebreur eene vooraanstaande plaats innam in de Gereformeerde Bonden. Wij noemen hen met één verzamelnaam, omdat grondslag en arbeidsveld zoo nauw op elkander gelijken. In beginsel één, in arbeid beide doelend op de uitbreiding van Gods Koninkrijk hier en elders.
Met den Gereformeerden Zendings-Bond leefde hij mee. Spreekt zijn verscheiden aan den avond van den Zendingsdag geen boekdeelen ? Aan den Gereform. Bond tot verbreiding en verdediging der Waarheid binnen de erve der Vaderen was hij van 't begin af verbonden door bestuursfuncties. Hier gaf hij zich heelemaal. Hier heeft hij meegeleefd en meegezorgd en meegestreden tot het laatste oogenblik. De gedachte stemt tot weemoed. Toen onze Fliehe, de vorige Penningmeester, zich de dagen als zag toegeteld en hij iemand moest aanwijzen die zijne straks ledige plaats zou innemen, heeft hij met schier stervende lippen tot hem gezegd : „gij moet deze taak op u nemen, Jongebreur !" Hij werd met stervende hand aangewezen. Trouw als in alles, gehoorzaam aan het bevel, waarin Gods leiding door hem werd aangevoeld, nam hij den zwaren post op zich. Zwaar, want wie zou onzen Fliehe kunnen vervangen ? Zoo'n Penningmeester, hoorde ik eens van een buitenstaander, is een gave Gods. Nu, aan den nieuwen Penningmeester was hetzelfde charisma toebetrouwd. Wat wist hij de zaak den menschen op 't hart te binden. Vandaar, dat de gaven en giften stroomden. De koorden der beurs werden losgemaakt, omdat de rechte koorden werden aangetrokken. Hij diende met al zijn rijke gaven de zaak, hem van Godswege opgedragen.
Van een Veenendaalschen broeder hoorde ik eens : Hij is voor ons als een vader in een gezin. De kinderen vragen iederen keer : wat zegt vader ? Nu, voor ons als Gereformeerde Bond was hij als een oudere broer.
Hoeveel wij aan hem hebben verloren en hoezeer wij hem zullen missen, is heel moeilijk te zeggen. Zelf heeft hij geen opvolger kunnen aanwijzen ; hiervoor ontbrak hem de tijd. Wien wij het zullen vragen is die God, aan Wien hij het ook vroeg. Hij heeft ons Jongebreur gegeven. Hij zal ook zijn opvolger weten aan te wijzen.
Met dank in ons hart jegens den Gever, van dit alles, bevelen wij zijn trouwe gade, die hem zoozeer zal missen, zijne Ge meente, die zooveel in hem verloor, onzen Bond, die met erkentelijkheid zijn gedachtenis blijft eeren, in Gods rijke genade.
Geve de Heere, dat wij het zoo mogen zien : al onze arbeid gaat om de eere van Christus, om het heil van zondaren, om de verheerlijking van Zijn Naam.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juli 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juli 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's