Kleijne luijden
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN
Uit een klein fleschje met inhoud werd heel de krankheid opgediept. Mulder behoefde zélf niets te zeggen ; men wist hier aanstonds alles en wonderlijk was het, hoe alles precies klopte. De toestand van den patiënt was ernstig en niet zonder gevaar, maar met Gods hulp hoopte hij nog te kunnen helpen, al zou de genezing uiterst langzaam gaan.
Daarop werden eenige voorschriften gegeven en vervolgens een hoeveelheid medicijnen verstrekt, waar de reuk van het veld nog uit tegen kwam. Over eenige weken maar eens terugkomen. De visite kostte niets ; alleen de doos met inhoud moest betaald.
„Een mirakel", — zei Mulder tegen Atsma toen zij weer buiten waren — „nog nooit zoo iets beleefd. Dat is wat anders dan onze dokter. Die zegt boeh, noch bah, en als je hem wat vraagt loop je kans een afrekening te krijgen als een hond die een pak slaag verdiend heeft. Maar deze man vertelt maar en weet alles, 'k Wed dat Bet nu spoedig zal opknappen." En ook Atsma is tevreden, vooral waar zijn vrouw in de laatste weken reeds aan de beterende hand is en lang niet meer die pijnen heeft van voorheen.
Intusschen werd bij baas Mulder thuis, diens terugkomst met niet minder verlangen tegemoet gezien. Reeds vroeg in den morgen is tante Sien gekomen om eerst Bet te helpen kleeden voor hare ligkuur in de tent, en daarna zoo spoedig, mogelijk het huiswerk te doen, om dan te genieten van elkanders nabijheid. Want Bet heeft besloten dezen dag met Sien veel te bespreken, en deze nam zich voor eveneens hare zieke te wijzen op dingen, die zij meende dat noodig waren. Biddend is zij dezen morgen hier heengegaan om het rechte woord te kunnen vinden en vooral geestelijken zegen te verspreiden.
Toch zou inzonderheid voor haar deze dag verrassingen brengen, die niet verwacht werden, en aan het verdere leven een andere richting geven.
Spoedig was de kamer en keuken op orde. Tante Sien kon handig werken, 't Was een eigenaardig kenmerk van haar hoe zij aanstonds in elke woning zich op haar gemak bevond, als had zij al haar leven hier doorgebracht en geheel geruischloos haar werk deed. Een enkele klant, die kwam om geholpen te worden, moest onverrichter zake terugkeeren. De baas was vandaag afwezig, maar morgen kon men den geheelen dag weer klaarkomen. Hé, dat was ook iets nieuws. Mulder niet thuis. Op reis ? Ja, doch slechts voor een dagje. Op familiebezoek, of naar de stad ?
Wat kunnen sommige menschen en brutaal met hun vragen zijn. lastig.
`De baas neemt niet veel vacantie, " — ontweek zij.
Neen, maar juist daardoor liep het des te meer in de gaten, en de Zorgvlieters hadden immers geen geheimen voor elkaar? Gelukkig maar dat Syke met den bollekorf aan de deur kwam, en daardoor het gesprek vanzelf een andere wending kreeg. Wat echter niet wegnam, dat aan den avond van dienzelfden dag velen wisten, dat Mulder al voor dag en dauw op stap gegaan was — geen mensch mocht weten waarheen — en dat bij een enkele de nieuwsgierigheid ten top steeg, toen hij des avonds laat nog juist gezien werd bij het uitstappen van een rijtuig, dat veel op dat van boer Atsma geleek, en hij daarop vlug de steeg inwipte. Daar zat grif wat achter.
,,Weet je wat " —heeft tante Sien tegen Bet gezegd — ,,zoodra het werk aan den kant is, draai ik de deur in 't slot en kom bij je zitten in de tent. Wie dan komt, gaat maar terug."
En zoo deed zij. Als gewoonlijk lag Bet stil te kijken naar de wegdrijvende wolken, en de zwaluwen, die hoog in de lucht, in grillige lijnen vlogen en haar voedsel zochten. Wat was dat heelal oneindig I Ver boven die wolkgevaarten, waarin zij telkens weer andere beeltenissen schouwde, helde de blauwe hemel als een reusachtig koepeldak, waar 's avonds de duizenden lichtjes ontstoken werden, die men sterren noemt. En daar achter en daar boven, eindeloos vér, daar was, zooals zij het vroeger op school en catechisatie geleerd had, de hemel der hemelen, en in dien hemel woont God. Daar zijn ook de engelen met de zaligen en daar is dus ook hare moeder. Om wier heengaan zij zoo geschreid had. Die zoo goed was en zoo zacht en zoo vroom, en die haar zoo vaak gesproken heeft, vooral toen zij nog een kind was, van de heerlijkheid daarginds. Maar zij was nu nog zoo jong en zoo mooi en zoo levenslustig. Zij had zulke groote plannen voor dit leven gehad, en in de vrijheid, die zij bij vader genoot, bewoog zij zich zoo naar het goeddunken van eigen hart. Het was alsof die hemel toen uit het gezicht raakte, hoe meer zij haar huis hier beneden bouwde. De wereld met al hare begeerlijkheden trok zoo aan.
Maar toen kwam dat ijsvermaak en die dansavond, en — nu lag zij hier. Hoe lang was het al niet ? Hoeveel liters melk had zij in al dien tijd niet gedronken en hoeveel eieren gebruikt. Enkel om de verloren levenskracht terug te krijgen, die echter maar niet komen wilde. Neen, vader behoefde haar niet te zeggen, dat zij er beter begon uit te zien en de dokter niet dat hare pols sterker werd. Men zei het, omdat men 't graag wilde, doch zij gevoelde zich zelf het beste. Wat werden die handen wit en mager. Wat kon die borst vermoeid zijn. En dan die verlammende pijn in den rug. Sander meende het goed met zijn raad om elders hulp te zoeken, doch in dezen zou het blijken, dat ook hij een mensch was. D'r waren voor hare kwaal geen kruiden gewassen, althans zij kwamen voor haar te laat. (Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juli 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juli 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's