SCHRIFT-VERKLARING
Hoofdstuk 8 vers 3 en 4.
Brief aan de Romeinen.
Want hetgeen der Wet onmogelijk was, dewijl zij door het vleesch krachteloos was, heeft God, Zijnen Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleesches, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vleesch ; opdat het recht der Wet vervuld zoude worden in ons, die niet naar het vleesch wandelen maar naar den Geest.
Met een jubeltoon is Romeinen 8 begonnen : „Zoo is er dan nu geene verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vleesch wandelen, maar naar den Geest. Want de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods".
In het 3e en 4e vers, hetwelk we nu samen met elkander willen overdenken, geeft Paulus aan, hoe dat heilsfeit verwezenlijkt is, dat er voor Gods gekenden geen verdoemenis meer is.
. Ge gevoelt, dat zulks onmogelijk is zonder veroordeeling van de zonde, 't Is toch de zonde, die de menschheid zoo diep ongelukkig maakte. Het is onze zonde, die de eeuwige verdoemenis als straf ontketent. Maar dan spreekt het ook vanzelf, dat er alleen dan geen verdoemenis meer zijn zal, als de zonde zal zijn teniet gedaan.
Maar wie zal de macht der zonde aangrijpen en teniet doen ? Onder de strijders, die zich zullen opmaken om zulks te doen,
denken we het eerst aan de Wet. Met die Wet bedoelen we dan natuurlijk de heilige Wet Gods der tien geboden.
Ge bemerkt dus, dat het woord „Wet" hier dus een andere beteekenis heeft dan in vers 2. Want als in vers 2 sprake was van de wet des Geestes des levens in Christus en van de wet der zonde en des doods, wordt daar slechts bedoeld twee-erlei heerschappij, n.l. de heerschappij van de zonde en de heerschappij van de genade. Hier in vers 3 wordt aan de Wet des Heeren zelf gedacht.
We zullen moeten erkennen, dat die heilige Wet een geducht krijgsman is aan de zijde Gods tegen de zonde en tegen de ongerechtigheid.
Indien Adam, ons bondshoofd, de heilige Wet Gods had volbracht, zou hij het eeuwige leven hebben ontvangen. En het blijft de grondwet van het werkverbond : Doet dat en gij zult leven.
Helaas, de mensch is door de zonde zoo diep verdorven, dat hij van nature onbekwaam is tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad. Maar nu gevoelt ge ook wel, lezers, dat die Wet Gods niet meer het leven aan den zondaar kan schenken, maar veeleer den vloek, want er staat geschreven : Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al wat geschreven is in het boek der Wet om dat te doen. Reeds het struikelen in tittel of jota maakt verdoemelijk voor God.
De Wet is nu onmachtig geworden om te redden, „dewijl zij door het vleesch krachteloos was".
Het vleesch, de diepe verdorvenheid van het menschenhart, stelt zich tegen.de Wet. De Wet is nu een vijand geworden. Wat de zon is voor het zaad van het onkruid in den akker, dat is de Wet voor de sluimerende zonden in het zondige menschenhart.
De zonde wordt immers juist door het verbod der Wet geprikkeld. De verbodene vruchten smaken zoo zoet. De zonde neemt telkens oorzaak juist door het gebod.
We zien dan ook, dat de mensch zich openlijk of bedekt tegen de Wet Gods kant.
„Laat ons de banden verscheuren en de touwen van ons werpen", zeggen de goddeloozen. „Ik heb al de geboden onderhouden van mijne jonkheid af", zeggen de rijke jongelingen, die in eigengerechtige wetsbetrachting hun troost hebben gezocht.
Maar de vloek der Wet zal de goddeloozen treffen en de wee u's worden door Christus tot de Parizeen gericht. Wat blijkt 't waar te wezen, wat de apostel schrijft, dat het aan de Wet onmogelijk was om de zonde teniet te doen, omdat zij door het vleesch krachteloos was.
Maar, Gode zij lof, wat de Wet niet vermag, dat vermag de Heere Zelf. In de stille eeuwigheid heeft God zich zelf een weg uitgedacht om. nog zondaren te zaligen.
Het zou een weg wezen, waarop de Heere Zijne grondelooze ontfermingen over arme zondaren openbaren zou, nochtans zonder schending van Zijne onkreukbare gerechtigheid, gelijk Hij die heeft tentoongespreid in Zijne heilige Wet.
dat Hij Zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
01 gelijk hier Paulus zegt : God, Zijnen Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleesches.
Christus nam ons vleesch en ons bloed aan. Hij was onzer één. Nochtans had Hij met de zonde geen gemeenschap. Hij was heilig, onnoozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren. Toch kwam Hij in gelijkheid des zondigen vleesches. Al de smartvolle gevolgen der zonde heeft Hij gedragen. Al onzen kommer en zorg 'heeft Hij op zich genomen.
Wie denkt hier niet aan het bekende woord : Want dien, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.
En als gij vraagt, waarom die heilige Zoon Gods zich zoo vernederen moest, dan kan het antwoord alleen maar luiden, dat aan Gods recht moest worden voldaan.
,, En dat voor de zonde", zegt Paulus.
Die zonde riep om wraak. Het geschonden recht des Vaders moest worden verzoend. De Wet moest weer worden volbracht. Dat deed niemand dan Christus alleen. Hij kon als de meerdere David zingen : Ik draag Uw heilige Wet, dien Gij den sterveling zet, In het binnenst ingewand.
Neen, de Wet was niet Zijn vijand, gelijk deze van nature de vijand is van elk Adamskind. Christus had de Wet lief. Hij heeft haar tot op tittel en jota volbracht. Maar juist daardoor heeft - Hij ook de overwinning behaald. De zonde werd veroordeeld in het vleesch.
Zie Hem daar in uwe gedachten hangen aan het kruis. Handen en voeten doornageld ! Beladen met spot en hoon ! Stervende tusschen de spotters en de vloekers ! O, wat heeft de zonde in het vleesch tegen Hem gewoed. Maar zoo alleen kon Hij overwinnaar worden. Hij heeft Satan en wereld en het zondige vleesch overwonnen. Als de tweede Adam heeft Hij, ongerept en ongeschonden uit den strijd gekomen, voor het aangezicht des Vaders treden. Maar daardoor is Hij ook de Borg en Middelaar geworden, de Goël, de Zondenvernieler, die de zonde veroordeeld heeft. Hij betaalde de schuld, die duizenden talenten groot was en waarvan de zondaar geen penningske betalen kon.
O gij, die uwe doemschuld hebt leeren kennen, gij, die met Paulus klagen moet : Ik weet, dat in mij, dat is in mijn vleesch, geen goed woont — ziehier uw eenige Redder. Wat aan de Wet onmogelijk was, heeft Hij gedaan, door Zijn vleesch in den smadelijken dood des kruises te geven.
Er is slechts één weg ter redding open.
Op de knieën ! In het stof ! Om met ledige handen door het geloof Hem te omhelzen.
Ik zag pas nog een plaat aan den wand hangen. Deze stelde voor een bruisende zee. In het midden van de branding een rots, met een kruis daarop geplant. En van uit de branding werd een hand uitgestoken, om dat kruis der redding op die rots te omvatten.
Een schoon beeld van den zondaar, die door het geloof Christus leert omhelzen.
Het 4de vers bleef nog over : Opdat het recht der Wet vervuld zoude worden in ons, die niet naar het vleesch wandelen, maar naar den Geest.
Dit vers baart eenige moeilijkheid. Gaat het in dit vers over de toekenning van de gerechtigheid van Christus tot onze rechtvaardiging, of gaat het over het werk der heiligmaking ? Het laatste is natuurlijk mogelijk. Het recht der Wet wordt vervuld in eiken wedergeborene, doordat hij wederom lust krijgt om in de wegen des Heeren te wandelen. Als David zegt : Hoe lief heb ik Uwe Wet, wordt inderdaad het recht der Wet in den zondaar opnieuw vervuld.
Hoe aannemelijk deze verklaring ook schijnen moge, toch geloof ik, dat er meer voor de eerste verklaring is te zeggen. Kan men wel zeggen, dat het recht der Wet in den weg der heiligmaking in den zondaar vervuld wordt ? Zegt niet de apostel : Niet dat ik hét alreede verkregen heb of alreede volmaakt ben, maar ik jaag er naar of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik ook van Christus Jezus gegrepen ben.
Daarom dringt mij 'het feit, dat er hier sprake is van „vervuld", er meer toe om te denken aan de toerekening van de gerechtigheid van Christus aan den zondaar.
We zeiden immers hierboven, dat aan het recht Gods voldaan moet worden. Zoo God de Heere Zijn recht niet handhaafde, zoo zou God geen God meer blijven. Welaan, Christus heeft de vervulling van dat recht gezocht tot in den dood des kruises. Door Zijn sterven is het recht der Wet vervuld. Niet slechts voorwerpelijk, maar ook door elk van Gods kinderen wordt deze rijkdom van Gods genade gesmaakt voor zoover ze deze toerekening met een geloovig hart aannemen.
En dan eindigt de apostel toch nog weer in het stuk der heiligmaking als hij schrijft „in ons, die niet wandelen naar het vleesch, maar naar den Geest".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juli 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juli 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's