Ontbinding op kerkelijk terrein!
We leven de laatste vijf en twintig jaren o zoo snel. Op alle terreinen des levens zien we groote veranderingen. Alle levensnormen komen op losse schroeven te staan. De opvattingen over huwelijk, zedelijkheid en eerlijkheid, hebben zich in de laatste kwarteeuw aanzienlijk gewijzigd. Alles staat in het teeken van de ontbinding.
Helaas, geldt dit ook van de Kerk. De macht van het modernisme heeft aan de erve onzer Vaderen ontzaglijk veel schade berokkend. Was het de verdienste der ethischen om in den weg der middelen menige gemeente nog tegen hel modernisme te bewaren, op zich zelf beschouwd heeft ook deze richting door haar felle Bijbelcritiek de fondamenten helpen ondergraven.
Helaas, ook onder hen, die vasthielden aan het belijden der vaderen, woekerde de splijtzwam der ontbinding. Ook zij vielen binnen en buiten de Kerk uiteen in verschillende groepen. Het zaad der afscheiding schiet welig wortel. Aan de splitsingen geen einde. De Gereformeerde Kerken lijden aan bloedverlies naar links, naar de Gereformeerden onder Hersteld Verband, maar nog meer naar rechts aan de Christelijk Gereformeerden.
Maar ook onder Christelijk Gereformeerden woekert het zaad van de afscheiding voort. De stap van hun Kerk naar de Vrije Gemeente is o zoo gemakkelijk. Die stap is veel gemakkelijker dan voor een Hervormde.
Tot voor kort vormden de Gereformeerde Gemeenten nog een tamelijke eenheid. Het meer gereformeerde standpunt van ds. Kersten en het meer doopersche standpunt van predikanten als ds. - Fraanje, komen met elkaar in botsing, zoodat sommige Oud-Gereformeerde Gemeenten zich van de richting van ds. Kersten afkeerig betoonen. Men wil geen dominees, die gestudeerd hebben, ook al genieten ze hun opleiding bij ds. Kersten. Men wil ze „van achter den ploeg".
Maar nog zijn we aan het einde niet. Vooral in grootere plaatsen komen van alleriei kanten mannen met „singuliere gaven" om aan de schare voedsel te geven. Dezen zoeken vooral hun kracht in 't vergeestelijken. Dat een dezer mannen, die nog wel de akte van godsdienstonderwijzer bezit, in Utrecht tweemaal sprak over de woorden uit het Spreukenboek : „de weg eens mans bij eene maagd" (Spr. 30 vers 19), spreekt op zichzelf reeds boekdeelen. De hoorders, die daaronder zitten, verbazen zich over de diepe verborgenheden. We vragen echter, al is het niet in bewonderenden zin : „Waar haalt de man het vandaan ? "
Maar ik hoor iemand vragen, wat wij als Hervormden daarmee te maken zouden hebben. Ik erken, dat we van die laatste groep sprekers weinig te duchten hebben. Wat zich niet kerkelijk instituëert, moei verdwijnen. Het heeft geen levensvatbaarheid. Gewoonlijk verioopt het gehoor weer even snel als het gegroeid is. 't Is als de wonderboom van Jona. Als de sprekers in het uitspreken van alleriei geestelijke banaliteiten zijn uitgeput, eischt het gehoor weer een ander iemand, die nog grooter licht als zijn voorgangers zal laten schijnen. Het wordt eigenlijk een tegen elkaar opbieden. Het lijkt wel geestelijke steltenlooperij. De een bindt de klossen al hooger dan de ander, om te wandelen door de diepe moerassen van 't kerkelijk leven.
Aan de andere genoemde groepen echter verliest onze Kerk vele van hare beste leden, wat mede helpt om de erve onzer Vaderen verder te ontbinden.
Hiervoor zullen natuurlijk vele oorzaken te vinden zijn.
In de eerste plaats kunnen we ons indenken, dat menig kind des Heeren in onze Kerk geen zielevoedsel vindt. Kunnen ze opgaan onder ethische prediking ? Bevredigt hen een stevig voorwerpelijke prediking, die gespeend is aan alle Schriftuurlijke bevinding ?
Ik kan mij indenken, dat er kinderen Gods zijn, die de verleiding gevoelen om dan maar eens te gaan luisteren in een der gescheidene Kerken, vooral onder Chr. Gereformeerden of Oud-Gereformeerden. Desnoods onder een eenvoudigen oefenaar. Of dan het voorwerpelijke weinig of heelemaal niet tot zijn recht komt, wat doet het er toe, zal men zeggen, als ik maai een woord voor mijn hart heb. „Die man, die daar spreekt, is toch ook een kind van God !"
Maar met dat al heeft men toch maar weinig kerkelijk besef. Men kan met de Kerk maar niet zoo gaan sollen. De kerken zijn toch maar geen winkels, waar men naar verkiezing terechi kan voor geestelijk voedsel. Bevalt het bij den een niet, dan maar bij den ander.
En dan dat ongoddelijk roepen : Des Heeren tempel is deze.
Als we zien, hoe Satan het volk Gods van Nederland verdeeld heeft in allerlei kerken en groepen, grijpt weemoed ons aan. Als elke kerkgroep het bij Geesteslicht beziet, moet dan helaas niet worden beleden : Wij zoeken allen het onze, in meerdere of in mindere mate. Ligt het ijveren voor eigen kerkformatie er niet duimen dik op ? Dat dit alles gepaard gaat met een groote dosis eigengerechtigheid, wie zou het durven ontkennen.
Die nog oogen heeft om te zien, moet er zich over bedroeven. De Gereformeerden hebben er zich al heel gemakkelijk over heen gezet. Mocht men in '34 of '86 nog een oogenblik gedacht hebben de eenige ware voortzetting te wezen van de Kerk Gods in deze lage landen, die illusie hebben ze moeten vaarwel zeggen,
We moeten eerlijk en met blijdschap erkennen, dat dr. Kuyper aan het einde van zijn leven er anders over heeft gedacht. Hij zag rondom zich Christelijk Gereformeerden en Oud-Gereformeerden. Ja, hij sloeg ook met belangstelling gade — zoo schrijft hij — den nieuwen opbloei van het gereformeerd beginsel in de „Genootschapskerk". In plaats van zich nu echter af te vragen hoe dit alles mogelijk was en zich te bedroeven over al die versplintering, heeft men den sprong gewaagd naar de leer van de pluriformiteit der Kerken. „Die eene ware Kerk Gods openbaart zich in vele vormen". „Laat er maar een heilige wedloop zijn tusschen al die kerken om
Dit lijkt zoo mooi, als we het hooren uitspreken. Wij van onzen kant bezien het uit een heel ander oogpunt. De jammerlijke verdeeldheid, het optrekken van allerlei kerkmuren, kunnen we nooit tot een dogma verheeriijken ; we kunnen 't slechts inzien als een schrikkelijke zonde van de Kerk. Men vindt die verdeeldheid van Gereformeerde zijde wel onaangenaam en men roept wel : Kom ook bij ons, maar men komt er niet toe om de kerkelijke verdeeldheid als zonde te zien. Men vindt het alleen betreurenswaardig.
Laat nu echter de Schrift eens spreken. De apostel sanctioneert het niet, als hij in Korinthe de gemeente ziet uiteenvallen in vier partijgroepen. Ik kan er niets goddeijks in vinden, als we op een dorp een Hervormde, een Gereformeerde, een Christelijk Gereformeerde en een Oud-Gereformeerde kerkgroep vinden. Zonder dat we en profetenmantel aantrekken, durven we toch te voorspellen dat het nog erger wordt.
Anders zou het worden, als er meer kerkelijk besef was. Als een Kerk tijden van diepen afval doormaakt, staan er maar twee wegen open : Ge gaat er uit en zet er telkens, als het niet goed gaat, een Kerk naast, óf ge blijft in die diep gevallen Kerk en de diepe afval in haar midden wordt u mede tot schuld.
Ge zoekt niet langer de schuld bij andere groepen, maar steekt de hand allereerst in eigen boezem.
Men mag mij tegenwerpen, dat een vergelijking van ons land met Israël niet opgaat, omdat Israël eene theocratie was — zou de houding van een Daniël, een Ezra, een Nehemia ook nu niet passen aan het kind van God uit de twintigste eeuw ?
Als ze zich samen eens hadden verootmoedigd op de puinhoopen van de erve onzer Vaderen, als ze samen den Heere hadden aangeloopen als een waterstroom, zekerlijk zou de Heere zich hebben laten verbidden en na tijden van diepen afval weer een tijdperk van opbloei hebben kunnen schenken.
De oplossing van het Kerkprobleem had men alleen in dien weg mogen zoeken.
Wat zouden allen, die aan de belijdenis vasthouden, nog een machtige groep hebben gevormd. Het had bij zwakke protesten niet behoeven te blijven. De Heere had met den Geest der reformatie nieuw leven kunnen blazen, zoodat een deel van ons volk zich krachtig.had kunnen versterken rondom de banier van het kruis. De afval is reusachtig groot. Maar tegen dien afval staan de kerkgroepen haast machteloos vanwege groote onderlinge verdeeldheid.
Wie weet een redmiddel ? Er opnieuw uit treden ? Och, dat is zeer gemakkelijk. Als we het op conflicten willen aansturen, staan we er binnen zeer korten tijd allen buiten. Die zich als leider van zulk een afscheiding aandient, meene echter niet, dat hij daarmee 't kerkelijk probleem heeft opgelost. Het eenige wat hiermede bereikt zou wezen, is het feit, dat er weer een klein groepje buiten zou komen te staan. Meer niet !
Was er van de groepen, die zich hebben afgescheiden, maar wat meer te verwachten op het terrein van hereeniging en samenbinding ! Helaas, de dogmatische verschillen maken dat er diepe kloven liggen tusschen al die kerkgroepen. Elke groep, die zich afscheidt, blijft op zichzelf staan en wantrouwt alle andere groepen.
Schrijver dezes ziet alleen heil in de vereeniging van al het Godsvolk in Nederland.
Op gevaar af om vanwege mijn terminologie bespot te worden, waag ik 't toch om met onze oude Vaderen te spreken over de noodzakelijkheid van de droefheid over „de verbreking" onzer Kerk.
Er is helaas „geen bekommernis over de verbreking Jozefs". Men kan immers overal terecht. In breede kringen wordt van den ontzettenden ernst van den toestand van de Kerk Gods niets meer gevoeld. En dit geldt niet alleen van de Gereformeerden, maar ook de Ethischen missen alle kerkelijk besef. Wat de Kerk eigenlijk behoort te wezen, daarover wordt eigenlijk niet eens meer gedacht. Vandaar, dat men van geen belijdenis en van geen proponentsformule wil weten. Het zwaartepunt is van 't objectieve onfeilbare Woord Gods gelegd in de subjectieve opvattingen van den enkeling, die er van maakt, wat hij er maar van maken wil, als hij Christus maar op zijn manier ervaart aan 't hart.
Nog eens : Wie weet het redmiddel ? Wie brengt Gods volk bijeen ? Wie kegelt de kerkjes om ?
Wie wendt het oog af van het zoeken van de eer van eigen kerkgroep en richt dit op de zonden van de erve der Vaderen, opdat men daarmee kome in schuldgevoel tot God ?
We bekennen eerlijk, dat wij het niet weten. Hier zouden we allen wel met weemoed moeten uitroepen : Wij weten het niet. maar Gij weet het, Heere. Slechts één hoop bleef ons over. De geschiedenis der Kerk leert, dat in wegen vaa druk en vervolging, al wat bij elkaar hoorde, naar elkaar werd toegedreven. In de practijk des levens moeten we de pluriformiteit wel aanvaarden ; echter alleen in dezen zin, dat we gelooven, dat er onder al de genoemde kerkgroepen zullen gevonden worden, die den Heere vreezen. De oordeelen beginnen bij het huis Gods. Wie weet, wat er te wachten staat binnen afzienbaren tijd ? De Christenvervolging in Rusland is misschien 't begin van de massale vervolging, die in Openb. 20 wordt aangekondigd. Als de vijanden van de vier winden der aarde naderen om den strijd aan te binden tegen Gods Kerk, dan wordt ons die Kerk voorgesteld als eene heilige stad. In Christus zijn immers al Gods gekenden één. Dan vallen de kerkmuren weg. Dan smelten de harten ineen.
Zullen we op de tijden der vervolging moeten wachten en daarheen hoopvol uitzien ? Of zal het gebed van den Heiland om de eenheid van de Kerk al Gods kinderen thans brengen tot beschaamdheid des aangezichts ?
O gij, die dit alles met mij voelt, laat er geen stilzwijgen bij u wezen.
Zoekt geen heil in afscheiding ! De historie heeft bewezen, dat de afscheiding geen heil heeft gebracht. Wél is de kerkelijke ellende er door vermeerderd. Gods volk is jammerlijk verdeeld en weet ten slotte onder dat ongoddelijk ijdel roepen ook niet, waarheen zich te wenden.
De oplossing van het kerkelijk vraagstuk wordt bij den dag moeilijker.
Zullen we bij de pakken nederzitten ? Schrijver dezes verwacht van de kerkelijke besturen weinig heil.
Er blijft slechts één ding over. Gods Woord moet worden verbreid. Overal in den lande moet de bazuin aan de lippen, opdat de vraag naar de Waarheid vermeerdere. Opdat er uit ons volK een geroep moge opgaan tot God om redding van de diep gevallen erve der Vaderen.
Lezers, spreekt eens met allen, die den Heere vreezen, ook met de gescheidenen, over de zonde van de Kerk, opdat zich niemand onttrekke, maar uit aller mond het noodgeschrei mocht opgaan tot Hem, die alleen de Kerk kan redden en Sion één doen zijn zal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's