De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kleine Luijden

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kleine Luijden

SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN

5 minuten leestijd

Zoo peinsde zij, terwijl een traan 't oog vulde. Doch des te meer werden de gedachten bepaald bij hetgeen niet van deze wereld is. Vooral in die vele uren, als zij hier  eenzaam lag met den blik in die wijde ruimte boven haar. Zou zij, wanneer het hier beneden met haar mocht afloopen, ook in den hemel komen ? Bij hare moeder, en tijden. Heer ? Maar hoe kon zij daarop hopen, na zulk een leven dat geheel was opgegaan in de dingen dezer wereld ? Daar moest dan toch eerst iets met den mensch gebeuren ? Dominé Randwijk had eens over de wedergeboorte gepreekt, waarvan zij  niet veel onthouden had, maar toch wel dit wist, dat zonder wedergeboorte niemand kon zalig worden. En zij wist niet wedergeboren te zijn. Zij had .geen enkele geestelijke ervaring en dat maakte haar bang. Als zij zóó eens weg moest van hier. Zonder hope. Zonder uitzicht. Zonder toekomst. Zonder te weten waarheen te gaan !
Met vader kan zij hierover niet spreken. Hij wordt dan zoo zenuwachtig en begint te schreien, of zegt, dat zij niet zoo somber denken moet. Met den dominé durft zij hier niet over te beginnen. Hij is heel goed en vriendelijk en spreekt hartelijk met haar en heeft ook al eens een paar maal met haar gebeden, maar zij is niet thuis met hem. Dominé is een voornaam man, en zoo geleerd, en zoo vroom, en zij is zoo dom en zoo slecht. Veel slechter dan de menschen weten, omdat in haar hart wel eens gedachten zijn opgekomen, die zij niet graag aan een ander zeggen zou, maar waar zulke menschen als dominé en Sander en vrouw Rijpkema en
Froukje van Jetze en al die vrome menschen geen weet van hebben.
Doch Sien durft zij 't wel te zeggen. Daarom is zij blij dat die vandaag hier is, en u zal het groote woord er uit, omdat zij behoefte heeft aan vrede.
„Heb je nog geslapen, kind ? " — vroeg Sien, toen zij bij haar kwam zitten ?
„Neen, tante, ik kan niet slapen". „En je beker melk staat ook nog onaangeroerd. O foei ; je vader zal vanavond zeggen dat ik een slechte verpleegster ben, als je niet meer drinkt".
„Ik kan niet drinken ; ik zit zoo vol".
„Hoe komt dat zoo ? "
„Tante Sien, ik ben zoo bang".
Toen begon zij smartelijk te huilen, terwijl het lichaam schokte.
Ontroerd zag Sien dit schouwspel aan. 't Was ook zoo aangrijpend. Dat fijne, wèl besneden gelaat, als porcelein zoo teer, thans hooggekleurd en zoo afstekend bij die sneeuwwitte nachtpon met fijne kant. Ook zij pinkte vlug een traan weg, meteen zacht de hand der zieke streelend.
, , Drink eens een beetje water. Ziezoo".
„En zeg mij nu eens, waar je zoo bang voor bent".
„Dat ik sterven moet, en ik weet niet hoe het dan verder komt". Nu was het groote woord er uit, maar daarmede ook de groote, allesbeslissende zaak aan de orde gesteld, waaróp het bij elk mensch, vroeg of laat, aankomt.
„Die in den Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven. Bet".
„Ja, dat staat in den Bijbel, maar het is mij alles zoo vreemd. Ik durf het haast niet te zeggen, maar er komen wel eens gedachten als déze bij mij op : „Zou het wel zoo wezen ? Zou er nog wel een leven na dit leven zijn, met een hemel en een hel ? Zou het ook alles eens verbeelding kunnen zijn ? " Want het is buiten mij alles zoo ijl, net als wanneer ik de hand in de lucht steek en wat grijpen wil, maar nergens houvast vind. Tante Sien, ik kan soms niets gelooven, en toch maakt mij dat zoo ellendig. Terwijl ik ook wel weet dat als het waar is wat de Bijbel zegt, het dan verkeerd met mij komt".
„Daar kan ik best in komen, mijn kind".
,, Ja ? Ook daarin, dat ik niet gelooven kan en soms aan alles twijfel ? "
„O ja, — ik heb dat zelf ook doorgemaakt".
„Heb je ook wel eens getwijfeld, tante ? " „Och mijn kind !" — en hier beefde de stem van Sien. Daar kwam haar zooveel te binnen.
„Ook wel eens of er wel een God en een eeuwigheid was ? "
,,Ja, ook dat wel ; 't is nog wel geweest dat ik meende in den hemel en op de aarde van alles verlaten te zijn, en dat er niemand was, die zich om mij bekommerde". „Maar hoe is dat toen alles anders geworden ? "
„Doordat ik de opzoekende liefde Gods leerde ervaren en Zijne hand opmerkte in mijn leven. Gods Geest ontdekte mij aan me zelve en deed mij tevens Zijne heerlijkheid zien. En toen ik mij daarop in vertwijfeling, als de wanhoop nabij, aan Hem over gaf en uitriep „o mijn God, als Gij er zijt, openbaar U dan aan mij !" — toen was het alsof er ruimte kwam en ik verlichting kreeg. En van dien tijd af aan is alles anders bij mij geworden. Gods Geest getuigt met mijnen geest dat ik een kind van God ben, en dagelijks ervaar ik de dierbaarheid daarvan".
„Dus je behoeft de dingen zoo maar niet aan te nem.en, zonder dat je weet of het waar is of niet ? "
„Wel neen, mijn kind. Dat zou immers een sprong in 't duister worden. Alles wat de Schrift zegt moet beleden, maar kan óók ervaren worden, en het geloof gaat niet buiten iemand om. Het wordt hoe langer zoo meer doorgemaakt in het zieleleven !"

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Kleine Luijden

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's