Kleine Luijden
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN
„Dus het is niet zoo, als wanneer ik iets in de krant lees dat ergens gebeurd is, en dat ik nu gelooven kan, maar ook niet gelooven kan, en in beide gevallen mij koud laat ? "
"Het geloof is een vaste grond der dingen die men hoopt, en een bewijs van de zaken, die men niet ziet". Paulus zegt: „wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God". En op een andere plaats : „wij wéten, dat zoo ons aardsche huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw bij God hebben ; een huis, niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen". En nog op een andere plaats : „want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch Engelen noch overheden noch machten, noch tegenwoordige noch toekomende dingen, noch hoogte noch diepte, noch eenig schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onzen Heere". Ken je dit lied ?
Met een eeuw'gen liefdeband Leid Ik u aan Mijne hand. En uw naam staat ongedeerd, In Mijn handpalm gegraveerd. Gij zijt 's Vaders dierbaar pand, Niemand rukt u uit Zijn hand, Ja, ik kan verzekerd zijn. Ik ben Zijn, en Hij is mijn.
Alles schijnt voor mijn gezicht, In een veel volmaakter licht ; 't Is of 't al veranderd is, Vreugd zoowel als droefenis. Daaglijks minder wordt mij d' aard, En de Heiland meerder waard. Ja, ik kan verzekerd zijn. Ik ben Zijn, en Hij is mijn.
Zalig dat verzekerd zijn. Ik ben Zijn, en Hij is mijn. Hoe de Satan mij ook tart, Ik heb Jezus voor mijn hart. Kort slechts duurt hier d' aardsche strijd. Straks volgt d' eeuwige heerlijkheid. Ja, ik kan verzekerd zijn. Ik ben Zijn, en Hij is mijn!
„Mooi ! o wat is dat mooi, tante Sien, maar om dat nu te hebben en te kunnen zeggen !"
„Dat is het werk van Gods genade, mijn kind, en moet door Hém gegeven worden".
„En als Hij het mij nu eens onthoudt ? God is toch vrij, en ik ben zoo slecht ! Tante, je weet wel niet hoe slecht ik ben ! Ik heb wel dagen gehad, waarin ik nooit aan God dacht, of ook wel dat ik opzettelijk kwaad deed, omdat ik het doen wilde en tóch wel wist dat het niet mocht, maar het trok mij zoo aan".
„Ook al weer niets geen nieuws, mijn kind. Toen Paulus al een veranderd mensch was, zei hij nog : „het goede dat ik wil, dat doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik."
„Ja, maar het is bij mij vaak juist andersom geweest ; ik wilde het goede niet, maar Het kwade dat wilde ik wel, en als ik hier niet lag, maar nog evenals vroeger mij vrij bewegen kon, dan vroeg ik misschien nog niet naar Hém."
"Maar wellicht heeft de Heere je daarom krank gemaakt, om Hem zóó te leeren zoeken. God houdt met elk mensch Zijn weg, en wij weten niet altijd waarom het moet gelijk het gaat, maar al Zijne wegen bedoelen het heil der zondaren, en voor degenen die God liefhebben weten wij zéker, dat alle dingen moeten medewerken ten goede."
„Maar daar zijn toch genoeg menschen, voor wie alle dingen niet goed zijn. De voorspoed niet en ook de tegenspoed niet. Weet je wel, hoe Klaas Stevens vloekend van hier is gegaan, omdat hij sterven moest en niet sterven wilde ? De buren liepen er bij weg, omdat zij het niet konden aanhooren en zelfs kleine Symen moet gezegd hebben, dat hij zulk heengaan vreeselijk vond."
„Kleine Symen is ook onder bewerking van de genade. Bet, en wat Klaas aangaat ik weet er alles van. Niet alle menschen worden bekeerd, en ook het lijden kan iemand verharden inplaats van verteederen. Wij kunnen Gods bedoelingen ook lang niet altijd doorgronden, en ontzaglijk veel is voor ons verborgen. Maar in Zijn Woord zegt Hij het ons duidelijk, dat het Zijn lust is zondaren te behouden, en Hij niet wil dat er één verloren gaat."
„Waarom gebeurt het dan, tante ? "
„Dat weet ik niet, en nimmer mogen wij Gode iets ongerijmds toeschrijven, maar dit is zeker : „God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hare zonden haar niet toerekenende", en laat die wereld nu bidden : „wij bidden u van Christus' wege, laat u met God verzoenen."
„Wist ik dat nu maar."
„Het Woord Gods verzekert het."
"Ja, maar voelde ik dat nu óók maar, gelijk ik tante hare hand in de mijne voel." , , Gods genade zal je dat zéker schenken, als je het werkelijk in oprechtheid begeert." „Juist, maar ik ben zoo bang, dat ik mij zelf bedrieg. Dat het bij mij alleen maar een noodgebed is, omdat ik hier zoo machteloos neer lig en niet weer beter word."
„Dat laatste mag je niet zeggen. Gods macht is groot en bij den Heere Heere zijn uitkomsten tegen den dood. Ik heb nog wel grooter wonderen gezien."
Maar ik word niet weer beter, tante." „Des te noodzakelijker, je aan de genade over te geven en alleen van genade te willen leven."
„Als ik maar niet zoo vér had geleefd."
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 augustus 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 augustus 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's