De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

18 minuten leestijd

Herv. Geref. Predikanten Vergadering.
Wij willen nu reeds de aandacht van onze predikanten vestigen op de vergadering van Hervormd Gereformeerde predikanten te Utrecht, op Donderdag 11 September a.s. in Hotel des Pays Bas, aanvang 10.15 uur precies,
Het is noodig, dat we dezen datum nu reeds noteeren, om den dag vrij te houden,  opdat we allen, zoo mogelijk, naar Utrecht kunnen gaan.
Het is goed, dat we elkanders aangezicht daar ontmoeten. De broederband moet versterkt worden en wat ons samen aangaat, moet daar samen behandeld worden, aanroepende den Naam des Heeren.
Het openingswoord zal gesproken worden door dr. F. J. Los, van Amsterdam.
Dr. J. C. S. Locher, van Leiden, zal spreken over „Het Wezen des Geloofs". !
Ds. A. J. W. van Ingen, van Dordrecht, zal een referaat houden over : „Het Formulier voor den Bejaarden-Doop". !
Een agenda, die zeker belangrijk genoemd mag worden en die ons lokt om ter vergadering te gaan.

Wat kan er momenteel gedaan worden ?
Als schrijver dezes deze vraag doet, begrijpen alle geschoolde lezers van „De Waarheidsvriend", dat hiermee bedoeld wordt, wat er kan gedaan worden om van die ellendige Synodale Organisatie te worden verlost.
Misschien denkt iemand, dat we zullen adviseeren aan allen om luidkeels te roepen : Weg met deze Synodale Organisatie.
Maar al dat roepen helpt zoo weinig. Het zit zoo muurvast. Schrijver dezes heeft respect voor de manier, waarop meer dan een eeuw geleden deze Organisatie is tot stand gebracht. Van hun standpunt bezien, hebben ze een pluimpje verdiend. Het zit zoo in elkaar, dat er geen beweging in te krijgen is. Fataal blijft het veto van de Provinciale Kerkbesturen. Alleen door omzetting der besturen kan het mogelijk worden om in de toekomst iets te bereiken. Indien het Gode mocht behagen ons meerdere bedienaren des Woords te geven, en indien meerdere gemeenten zullen gaan vragen naar de oude paden, is er op dat terrein veel te doen. Voor het oogenblik echter staat alles weer zoo goed als op 't doode punt.
En toch gelooft schrijver dezes, dat er momenteel iets groots kan gedaan worden.
Onze Bond heet : Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in onze Ned. Hervormde Kerk, nietwaar ?
Welaan, laat de Waarheid mogen worden gebracht in steeds wijder kring.
De velden zijn wit om te oogsten. Dit wil natuurlijk niet dit zeggen, dat predikanten, die staan op den bodem van éénzelfde belijdenis, tegen elkander moeten gaan preeken, gelijk helaas op sommige plekken geschiedt.
De vruchten daarvan kunnen niet anders zijn dan nog verdere ontbinding en verwarring. Indien we beginnen om in eigen kring allerlei schakeeringen op de spits te drijven, staan we in den strijd op de kerkelijke erve verzwakt en verdeeld.
Voor de buitengewone ijveraars blijft er in de moderne gemeenten van Noord-Holland nog werk genoeg te doen. Men denke er niet aan om tegen elkaar te preeken, om daarmee als 't ware te kennen te geven : , , ik ben Gereformeerder dan gij".
Er rust op al dat gedoe meestal weinig of geen zegen. De zegen is meest omgekeerd evenredig met den roep die van zulke „sprekers" uitgaat.
Neen, schrijver dezes wil nog een ander antwoord geven op de vraag, wat er momenteel kan gedaan worden.
Zou een van de beste middelen om de Waarheid in onze gemeenten te verbreiden, niet het huisbezoek wezen ?
Wat werpt het rijke zegeningen af als de leeraar ook tevens herder is. Zeker, men kan zeggen, dat de klokken voor allen luiden, dat ze allen wel weten, dat ze moeten opgaan onder de verkondiging des Woords Maar daarmee zijn wij er niet af als dienaars des Woords, Spreekt Gods Woord in de gelijkenis niet van een zoeken in de heggen en stegen en eenzame plaatsen ?
Door trouw en ernstig bezoek is het vaak mogelijk om er nog honderden tot de Kerk terug te brengen. Of is het geen aanklacht tegen predikant en ouderlingen, als in betrekkelijk kleine gemeenten tientallen menschen gevonden worden, die nog nimmer door de Kerk zijn opgezocht ?
Is het wonder, dat duizenden zich laten schrappen, als de belastingschroeven worden aangehaald door den kerkelijke belasting-ontvanger ; droevig als de Kerk vraagt om geld, doch als Kerk geen geestelijk voedsel schenkt ?
Wij mogen daarom allen, als bedienaren des Woords, ons wel afvragen, of we ook herders der kudde begeeren te wezen.
En zeker, als we gepoogd hebben om te doen wat onze hand vindt om te doen, dan is er nog geen reden om ons daarop te verheffen. In onszelf zijn we dan nog maar onnutte dienstknechten.
Maar toch zal worden ondervonden in dien weg, dat de zegenende ziel zal worden vetgemaakt. De Heere, die wel aan geen middel gebonden is, wil zich nochtans van de middelen bedienen.
Niemand verschuile zich met zijn nalatigheid en traagheid achter het leerstuk der eeuwige verkiezing. Ik hoorde eens een dienaar des Woords, die weinig of nooit zijn gemeente in ging, zich troosten met de gedachte, dat God geen klauw zou doen achterblijven. Hoe vroom ook gezegd, ik achtte die uitspraak eenvoudig hemeltergend en Godonteerend.
Laat dat woord pas dan tot een vertroosting wezen, als ten bloede toe gestreden is en in alle gebrek gedaan is, wat onze hand vond om te doen.
Een van de oorzaken van het slechte bezoek is ook daarin gelegen, dat de Kerk haar contact met de massa bezig is te verliezen.
Men ontmoet nu nog menschen, die in geen tien jaar een voet in de kerk hebben gezet, maar die in hun jeugd nog met hun ouders opgingen en de catechisatie bezochten ; menschen, in wie de consciëntie onder de vermaningen en lokkingen nog lokt. Ze zijn nog te winnen. Over 30 a 40 jaar zijn we in een ander stadium. Dan hebben we een volgend geslacht, dat niet meer met God rekent. Dan staat de Kerk voor een veel moeilijker taak. Dan wordt het eigenlijk „Zendingsarbeid" onder het moderne heidendom.
En daarom : grijpt als het rijpt. De groote afval komt. Ook de Schrift getuigt er van. De Kerk mag als Kerk door hare traagheid echter in geen geval dezen afval in zijn komst verhaasten.
Als elke dienaar des Woords zich eens tot taak stelde om een bepaald getal gezinnen te bezoeken, o wat kon er dan nog veel worden bereikt. Wat zou op vele plaatsen het kerkelijk leven bloeien.
't Verwondert mij van sommigen, die op den kansel schijnen te spreken als een engel van den hemel, doch die in de week geen lust gevoelen om den herdersstaf op te nemen.
Het kan niet anders of dit moet zich wreken. Wat hebben wij, dienaren des Woords, toch een zware verantwoordelijke taak! Eenmaal aan den grooten herder der schapen rekenschap te zullen moeten geven : o, dat kan ons benauwen. En toch heeft niemand vrijer leven dan een predikant. Er is niet de minste controle op zijn werk. Hij doet wat hij wil, en slechts weinig ouderlingen, die den moed bezitten om den minder getrouwen dienstknecht in liefde te waarschuwen.
In liefde ! Ja, dat wenscht ook schrijver dezes als de grondtoon van dit artikel beschouwd te zien. Liefde tot onze Kerk. Als een schip zinkt, zijn alle hens aan dek om te doen wat hunne hand vindt om te doen.
Onze Kerk is bezig weg te zinken in het moderne cultuurleven. O, make God ons getrouw. Doe Hij het niet verwachten van ons werk, doch schenke Hij ons de begeerte om slechts instrument te wezen in Zijne hand. Onze Kerk ten zegen en Zijn Naam ten prijs, die straks zal zeggen tot de getrouwe dienstknechten : Ga in in de vreugde uws Heeren.

De oogst is groot en de arbeiders zijn weinige!
Het verheugt ons telkens, als tal van gemeenten een beroep uitbrengen op onze jonge, veel belovende candidaten. Maar als we dan weer het „Kerknieuws" opslaan en we zien daar staan: „aangenomen naar X", maar daaronder zeven of acht „bedankjes", dan bedroeft het ons weer.
Al die gemeenten, waaronder er waren die al jaren vacant zijn, worden opnieuw teleurgesteld.
Al hadden we op 't oogenblik dertig a veertig candidaten, dan behoefden we nog niet bang te zijn dat ze geen plekje zouden krijgen.
Wat is de oogst toch groot en wat zijn de arbeiders weinigen !
Och, kwamen er meer, die lust hebben in dat heerlijke geestelijke ambt ! Het is een voortreffelijk ambt !
Helaas, onder onze jonge menschen heeft de materialistische tijdgeest ook al geweldig aan invloed gewonnen. Het is voor een groot deel daaruit te verklaren, dat er zoo weinig begeerte is om bedienaar des Woords te worden.
De gemeenten zitten te wachten op jonge leeraars.
Ons Studiefonds is overbelast. Het eindsaldo van het Studiefonds zal zich in stijgende lijn moeten blijven bewegen, zal 't wèl zijn.
Vele gemeenten beroepen predikanten van andere richting, omdat ze gevoelen, dat er toch haast geen kans is om een leeraar van Gereformeerde beginselen te verkrijgen.
O, gemeenten, laat er gebed moge wezen, dat de Heere meer arbeiders uitstoote in Zijnen Wijngaard !

Een doodenfeest bij de Toradja's.
Geruimen tijd geleden lazen we in de N. R. Crt. onderstaand artikel van de hand van den heer F. B. Sanders :
»In een der schoonste streken van Midden - Celebes woont een volksstam, die gewoonlijk wordt aangeduid met den naam „Toradja", d. w. z. door andere, omwonende stammen ; de leden van dezen stam noemen zichzelf echter anders, meestal n.l. naar de groote rivier, die door hun landschap stroomt, zoo hier : „To-Sada", naar de rivier
De naam Toradja is hun oorspronkelijk gegeven door de Boegineezen van Paloppo en omstreken. „To" beteekent mensch, ,,radja" is de samentrekking van rj en adja, waarvan het eerste woordje gelijk staat met het Maleische di en het tweede Westen beteekent. Toradja's beteekent alzoo : menschen van het Westen.
De taal dezer Toradja's wordt door buitenstaanders „basa - taë" genoemd, zulks naar de door de Toradja's gebruikte ontkenning : „taë". - )
De Boeginees acht den heidenschen Toradja ver beneden zich en inderdaad is de Toradja-maatschappij nog zeer primitief. Dit komt zoowel uit in kleeding ais in huizenbouw en levenswijze. De mannen zijn slechts gekleed met een schaamband, de z.g.n. ,,tjawat", terwijl de vrouwen zich hullen, in een soort „saroeng" van grof, grijs weefsel zonder de minste versiering. De huizen zijn eveneens buitengewoon eenvoudig en in een klein bestek huizen vaak tienmaal zooveel menschen als waarvoor de Boeginees de ruimte geschikt zou oordeelen.
Dat zelfs in dezen tijd nog zoo bijzonder weinig vooruitgang is te bespeuren in den beschavingstoestand der Toradja's, moet voornamelijk worden toegeschreven aan de omstandigheid, dat tot voor zeer korten tijd het Toradjagebied in Midden-Celebes zoo goed als geheel afgesloten lag van de rest van 't eiland. Noch van het Noorden of Zuiden, noch van het Westen of Oosten was binnendringen mogelijk voor den vreemdeling door 't totale ontbreken van wegen. De Toradja's daalden van hun hooge bergkampongs af naar de pasars in Makali en Rantepao, waar ondernemende chineezen hun producten : koffie, rijst, en karbouwenhuiden opkochten.
Een zeer bijzondere volksgewoonte is oorzaak, dat de Toradja van het geld, dat hij voor zijn producten ontvangt, zoo goed als niets uitgeeft. Het leven dezer menschen is uiterst sober, in de meeste gevallen zelfs armelijk te noemen. Zijn geestelijk leven cultiveert de Toradja in het geheel niet ; er is zelfs aanleiding, om dit negatief te noemen : de Toradja onthoudt zich alles wat niet rechtstreeks dient om zich in het leven te houden. Al zijn zwoegen is gericht op zijn heengaan uit deze wereld. Zijn ideaal is : „als een koning het geestenrijk te betreden, met de bedoeling om verder in 't hiernamaals als zoodanig behandeld te worden". Andere idealen schijnen hem geheel vreemd te zijn.
Elke poging, om den Toradja een andere levensbeschouwing bij te brengen, stuit af op de vorenaangeduide begeerte om met pracht en praal te kunnen sterven. De Zending heeft hier dan ook — ondanks haar zeer intensieven arbeid — gering succes : in 16 jaar tijds ± 1300 bekeerden op een bevolking van 180.000 zielen !
Om zich van die luisterrijke begrafenis te verzekeren, leeft de Toradja als een echte vrek : hij verzamelt rijksdaalders en bergt die op in lange bamboekokers in zijn huis.
Hij is een uitstekend koffie-planter, zonder schaduwboomen in zijn tuinen krijgt hij een product van superieure kwaliteit. Bij mijn laatste bezoek aan de Toradja-landen zag ik de koffie voor 33 rijksdaalders per pikoel ( = 62 K.G.) verkoopen op de pasars te Rantepao en Makali. Zijn rijst is almede van uitstekende kwaliteit en ondanks de groote transportkosten, die de opkooper te betalen heeft voor het vervoer naar Paloppo, is de prijs nog hooger dan op de markten in de lage landen.
In de Toradja-landen zijn zoodoende enorme bedragen aan baar geld (uitsluitend rijksdaalders !) renteloos opgeborgen.
Dit wordt eerst uitgegeven na den dood van den spaarder. Dan wordt het besteed voor een feest, het z.g.n. ,,doodenfeest".
Deze feesten zijn het vooral, die een slagboom vormen voor. het invoeren van betere sociale maatregelen en verhinderen den toegang voor betere beschavingstoestanden. De Zending arbeidt hier dan ook onder buitengewoon ongunstige omstandigheden. De Toradja leeft voor zijn dood; op deze wereld is voor hem niets anders van waarde dan hetgeen kan dienen om zijn doodenfeest voor te bereiden.
Op een van mijn tochten door Celebes werd ik in de gelegenheid gesteld een doodenfeest in optima forma bij te wonen. De naaste bloedverwant van een „Parengé" (= vorst) was reeds geruimen tijd overleden en men vond den tijd gekomen, om het doodenfeest te vieren. Het lijk wordt n.l. niet dadelijk na het overlijden begraven, doch voorloopig gewikkeld in een dikken zwachtel van linnen, zonder het lijk te prepareeren ; dat het alsdan niet tot ontbinding overgaat, wordt toegeschreven aan de zeer dichte wikkeling, waardoor de lucht wordt afgesloten.
In dezen toestand wordt het soms maandenlang in huis bewaard ; bij den eenvoudigen Toradja onder het huis. In het geval, dat ik hier beschrijf, was vlak voor de woning een speciale galerij gebouwd, waar het lijk was opgeborgen. De uiteinden der omwikkeling waren voorzien van versierselen, uit zuiver goud gesmeed. Naast den doode in het galerijtje stond een aangekleede pop, die de herinnering aan den afgestorvene moest levendig houden. Bij deze doodengalerij werd voortdurend gewaakt door een „djaga" (= waker).
Het eigenlijke feest, dat in dit geval zes dagen zou duren (voor langer tijd wordt door het Bestuur tegenwoordig geen vergunning meer verleend) bestaat in een groote zwelgpartij en gaat gepaard met hanengevechten en de daaraan verbonden dobbelpartijen.
Op een tiental meters voor het lijkenhuisje is een hooge stellage opgericht en rondom deze stellage staan tientallen buffels gereed om geslacht te worden en waarvan het vleesch onder de gasten wordt verdeeld, ledereen is welkom, en bij een rijke, zooals in het onderhavige geval, geldt inderdaad : „hoe meer zielen, hoe meer vreugd". Een sombere plechtigheid is 't „doodenfeest" in geen geval !
Ik schat het aantal aanwezigen op dit door mij bijgewoonde feest op een 5000tal. Van heinde en ver kwamen de Toradja's, mannen, vrouwen en kinderen, van hun bergkampongs ; velen hadden dagen lang gereisd langs smalle, steile bergpaden. Op den anders zoo stillen auto-weg van Makale naar Rantepao, bewogen zich honderden Toradja's, velen met vechthanen, de meesten met een flinken voorraad rijksdaalders, soms manden vol, die door twee personen moesten worden gedragen.
We moesten ons, om op het feestterrein te komen, heenwerken door een dichte menigte, die zich verdrong om de kraampjes met eetwaren.
De grootste attractie van het festijn vormen de hanengevechten. Op 'n droog rijstveld is een „ring" gemaakt van ijl gevlochten bamboe en in een kring met een straal van 30 meter er omheen, zitten de toeschouwers en eigenaars van vechthanen. Van deze dieren moet een enorm aantal aanwezig zijn : de vechterij begint bij het krieken van den dag, gaat den heelen dag zonder ophouden door en eindigt pas na zonsondergang, als de duisternis het doorvechten belemmert. En dat gedurende zes dagen.
Mannen met een vechthaan onder den arm, loopen den kring rond, op zoek naar een tegenstander voor hun haan, dien zij onder de duizenden gemakkelijk vinden. Ondertusschen zijn twee» hanen in den ring gebracht. Zij krijgen een mesje („tadja") aan een der pooten, worden wat aangevuurd en dan op elkaar losgelaten. Tegelijk beginnen de weddenschappen onder de toeschouwers ; zelfs kinderen nemen daaraan deel. Vlak bij mij hoor ik hen roepen : „anoe lotong sa-sën" (op dien zwarten 214 cent).
Weddenschappen om 100 rijksdaalders zijn geen zeldzaamheid en 't komt zelfs wel voor dat de inwoners van een bepaalden kampong gezamenlijk wedden tegen een ander dorp, waarbij soms bedragen tot 1000 rijksdaalders worden ingezet.
De uitslag van een gevecht is — doordat men de hanen mesjes aanbindt — vrijwel uitsluitend afhankelijk van het toebrengen van een toevallige levensgevaarlijke verwonding en minder van het uithoudingsvermogen der vechtende hanen. Ik zag gevechten, die in eenige seconden beslist waren.
Als een der hanen blijkbaar doodelijk getroffen is, wordt de overwinnaar op­ genomen : deze haan moet den gevallen tegenstander nog 3-maal flink pikken, om te bewijzen, dat hij nog „fit" is. Gewoonlijk heeft de overwinnaar ook een leelijken knauw te pakken en overleeft het gevecht soms maar enkele minuten.
Een eigenaardigheid is nog, dat den overwonnen haan door den „scheidsrechter" een poot wordt afgekapt, welke den eigenaar van den overwinnenden haan als tropee wordt ter hand gesteld.
Zooals gezegd, eindigen de hanengevechten na zonsondergang. De feestviering wordt evenwel voortgezet, en men kan wel zeggen, dat in de zes toegestane dagen ook 6 X 24 uur wordt gefeest.
Na afloop der gevechten begeven de gasten zich naar de hiervoor beschreven stellage, van welker hoogte hun stukken karbouwvleesch worden toegeworpen. De Toradja's houden het even in een vuur en verorberen het daarna ; de meesten eten deze dagen niets anders dan dit vleesch. Sterke drank wordt er in het geheel niet gedronken. De ongebondenheid gedurende den avond en nacht is er echter niet minder om : zelfs knapen van 13, 14 jaar en nog jongere meisjes doen daaraan mee. Alhoewel deze ongebondenheid bezien moei worden in het kader van de bestaande familie-toestanden, vormt zij met de wreede hanengevechten en de zwelgpartijen een geweldigen hinderpaal voor de pogingen om den Toradja een meer menschelijke levensbeschouwing deelachtig te doen worden.
Het Bestuur beperkt de feesten ; er is verlof noodig om een feest te houden en bij aanvragen zorgt de controleur er voor dat er geen gelegenheid bestaat om van het eene feest naar het andere te gaan, hetgeen zou neerkomen op een verlenging van den duur van het feest met 6 of 12 dagen (gelijk vroeger gebeurde). Is b.v. te A het feest afgeloopen, dan is er voor een feest te B, in de nabijheid van A, voorloopig geen vergunning te bekomen.
Bij pogingen om de doodenfeesten te beperken of geheel terug te dringen, is tact geboden. Vroeger duurden ze 7 dagen; de Toradja's heeft men thans zoo ver, dat zij tevreden zijn met 6 dagen. Een poging is gedaan om dit aantal terug te brengen tot 4. Dit heeft in 1917 geleid tot een opstand onder de anders zoo bij uitstek rustige Toradja's, waarbij de Zendeling Van de Loosdrecht (aan wiens toedoen men de inperking weet) werd vermoord.
Rechtstreeksche, verder dan thans gaande bemoeienissen van de Overheid met de doodenfeesten, moeten uit den booze geacht worden. Het doen afzweren der hanengevechten (gelijk thans onder goed bedoelden invloed van de Zending schijnt voor te komen), lijkt mij — behalve ondoeltreffend — niet tactisch. De afzwerende kampong komt inderdaad in groote moeilijkheden (den adat betreffende) tegenover andere kampongs, hetgeen ongewenschte gevolgen kan hebben.
Het Bestuur is over het algemeen op den goeden weg; het Toradja-gebied wordt meer en meer opengelegd : Rantepao en Makale zijn van het Noorden, Oosten en Zuiden langs zeer goede autowegen te bereiken. Ik zag vele schuchtere Toradja's met hun nog schuchterder vrouwen in auto's van Makale en Rantepao en andere plaatsen naar Paloppo tuffen. Dat zij daarvoor het geld over hebben, spreekt voor den ingewijde een duidelijke taal.
Mede wordt goede aandacht besteed aan het onderwijs. Dit is in handen der Zending en er wordt door haar goede zorg gewijd aan dit middel om den Toradja te beschaven.
Men mag verwachten, dat doorgaande openlegging van het gebied en verspreiding van eenvoudig, algemeen vormend onderwijs op den duur de doodenfeesten zullen terugbrengen tot afmetingen, waartegen wij geen bezwaar meer behoeven te hebben. Het leven van den Toradja zal dan geleidelijk aan vandaan komen onder den druk van ellendige somberheid en de tegenwoordige abnegatie zal geleidelijk plaats maken voor meer algemeene deelneming aan het gewone oeconomische leven.

^) In het Leerboek der Land-en Volkenkunde van Bos c.s. nieuwsten druk, wordt nog steeds een onjuiste vertaling gegeven.

2) Taë = neen, niet. Spreekt een vreemdeling een Toradja aan anders dan in diens • taal, dan zal deze zeggen : „taë", neen, ik begrijp u niet. De vreemdeling noemt hem een „taë"zegger ter onderscheiding van anderen, „baré"zeggers bijv. Deze wijze van aanduiding treft men op Celebes bij meerdere stammen aan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 augustus 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 augustus 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's