KERKELIJKE RONDSCHOUW
Gelooven en belijden.
De Romeinen zeiden reeds : „het hart maakt den mond welsprekend", wat wij in 't Hollandsch noemen : „waar 't hart vol van is vloeit de mond van over".
Met de taal van den Psalmist zouden we hier kunnen zeggen : „ik heb geloofd, daar om sprak ik" (Psalm 116). Of om iets aan te halen uit het klassieke stuk onzer Gereformeerde Kerk in Nederland, de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, Art. 1 : „Wij gelooven allen met 't hart en belijden met den mond".
Het inwendige moet de wortel, de ziel, de kracht zijn van het uitwendige. Eerst gelooven met het hart, dan belijden met den mond. 't Hart is de bron, de mond vloeit dan over.
Belijden is spreken omdat men gelooft, 't Is uiten van hetgeen men ontving en weggelegd is in de ziel. 't Is spreken, omdat men gevonden heeft.
Voor wie niet gelooft, niet gevonden heeft, niet heeft, is belijden onmogelijk, onredelijk, onwaarachtig, hol, ledig ; vorm zonder inhoud, schijn zonder wezen.
Voor wie gelooft is belijden geen last, maar een lust; het is een heilig moeten, waaraan met vreugd wordt voldaan. Want geloof is leven ; en leven, alle leven, zelfs van het onbezielde schepsel, uit zich, breekt zich baan, het openbaart zich, het slaat naar buiten uit met kracht. De ster flonkert, de zee bruist, de sering bloeit, de leeuwerik zingt, de christen belijdt.
Nu is er bij den mensch ten opzichte van gelooven en belijden iets bizonders te zeggen. Want als de mensch slechts openbaart wat zijn natuurlijk leven is, dan is er geen schepsel zóó wanstaltig als hij ; en dus moet ook zijn belijdenis, zijn levensopenbaring, de schrilste wanklank in het scheppingslied zijn. Want de uitgangen des harten bij den natuurlijken mensch zijn vol ongerechtigheid. Hij durft zelfs naar buiten openbaren : „er is geen God". En dat is dan de mensch, die door God zoo goed en zoo heerlijk geschapen is, naar Zijn beeld en Zijn gelijkenis, om Zijn Schepper recht te kennen en van harte te dienen, Hem eeuvs^ig te loven en te prijzen.
Dat is door de zonde zoo geworden, waarom bij den mensch altijd sprake zal moeten zijn van wedergeboorte, zal het goed zijn.
Het belijden van den christen is dan ook in den diepsten grond geen levensontvouwing of geestesuitstraling des menschen Het ware belijden is een 'spreken nadat God eerst tot ons gesproken heeft; het is een naspreken van wat wij door Gods Geest eerst hebben geleerd. Het is de echo van Gods stem. Het is de terugkaatsing van Het Christusbeeld door den spiegel der ziel. Niet wij leven dan, maar Christus leeft in ons ; die Christus, zonder Wien wij niets kunnen doen, maar met Wien wij Godes zijn, kinderen des lichts.
Deze drie zijn 't onverbrekelijk snoer in het christelijk leven : eerst is er openbaring ; God komt. God spreekt; daarna is er ervaring; God werkt in den mensch en de mensch aanschouwt, hij grijpt, hij gelooft; en dan is er in de derde plaats belijdenis en leven ; het ervaren-geopenbaarde, het geopenbaard-ervarene, komt uit, het breekt door, 't schijnt als een licht in een duistere plaats, het bloeit, het komt tot openbaring.
Wat eerst geestelijk blind, ledig, stom, dood was, begint te spreken met een geestdrift geboren uit en evenredig aan de openbaring Gods, welke openbaring is geworden Christus-ervaring.
Er komt een groote, innerlijke kracht, een de gansche ziel beheerschende aan doening, die haar drijft te zeggen wat zij gelooft; te boodschappen wat haar persoonlijk is geschied, haar gegrepen, haar veranderd heeft.
Dan is het niet over een haar vreemde zaak, dat de ziele spreekt, maar van een zaak, die haar zelf aangaat, die haar vervult, die haar heeft verrast en verblijd, getuigt zij.
„'k Heb geloofd en daarom sprak ik". Stel u voor, dat iemand een goudmijn vindt, of een nieuwe natuurkracht opspoort, of een nieuw werelddeel ontdekt — zou zoo iemand niet spreken, getuigen, juichen ? En dan, wie de parel van groote waarde, de rust der ziel, het licht der wereld, het eeuwige leven vindt, zou die niet spreken, getuigen, belijden ? Zou die den naam van Christus niet op de lippen nemen en Hem belijden voor de menschen ?
Door de Schriften komen de dingen tot ons ; door lezen, door onderzoeken van de Schriften ; meer bizonder misschien door de prediking, door het getuigen van anderen. Zooals in Samaria de dingen bekend werden door het verhaal van de Samaritaansche vrouw, of zooals de vrouwen te Filippi er van hoorden bij de rivier, van Paulus.
Maar het zalig ontdekken van de dingen geschiedt van binnen. En dat hooren van de dingen in de zie 1, is. hóóger dan het andere. Het is het zelfbeleefde, hetgeen we zelf ervaren, hetgeen onze eigen ziel van Christus heeft mogen ontvangen, in de vergeving der zonden, met verzoening en vrede bij God.
Dan wordt het belijden een getuigenis. 't Wordt dan of een lentevogel zijn lied uitschalt in onzen zielehof. En we gaan ons vroolijk voelen als een kind, dat met een groot geschenk verrast en blij is. Het is als de bruid die haar bruidegom gevonden heeft en mint. 't Is als een krijgsman, die grooten buit haalt.
Belijden is dan spreken omdat men gelooft. Belijden is dan vrucht van geloofservaring. Gelooven is dan beleven, van wat God geopenbaard heeft aan het harte. En belijden is dan spreken wat men gelooft.
De openbaring is het eerst. God moet Zichzelf ontdekken, opdat de mensch Hem ontdekt. Zonder de zelfopenbaring Gods, zonder Zijn Zelfonthulling is er geen zielservaring. En de Zelfopenbaring Gods moet gepaard gaan met zielsontdekking in den mensch.
V/e moeten — zeggen de Gereformeerden van ouds — God leeren kennen en ons zelf leeren kennen. God, in de openbaring van Jezus Christus, en ons zelf in de ontdekking onzer ziel, met zonde en nood, met schuld en verlangen.
De lichtstraal van Gods heerlijkheid moet verlichten de ongekende diepte van de wereld onzer ziel. In Zijn licht zien wij dan het licht. Het Woord is een oordeelaar der gedachten en der overleggingen des harten. De Geest overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel.
Zoo is de geloofservaring, geloofsaanschouwing, vrucht van de Zelfopenbaring Gods aan arme zondaren in Christus Jezus.
Belijden is dan een geestelijke noodwendigheid geworden. Het is de bloesem, de vrucht van geestelijke rijpheid. Het belijden is heilige natuurlijkheid van het kind des lichts, dat uit de duisternis is overgezet in Gods wonderbaar licht, om te verkondigen de deugden des Heeren. De Apostelen zeiden : „Wij kunnen niet laten te spreken van hetgeen wij gezien en gehoord hebben". De tong wordt dan het orgaan des geloofs. De mond vloeit over van Jezus' eer. „Gelijk een beek zich uitstort op de velden". Gelijk de pen van een vaardig schrijver. En het lied, het schoonste lied van een Koning wordt gezongen !
Elk vogeltje zingt dan zooals het gebekt is, maar de hoofdtoon van aller lied is Christus en het is gezet in een toon, die des Geestes is, om te strekken tot Gods eer.
De belijdenis is prediking, getuigenis, noodiging tot Jezus. Hem te belijden als „mijn Heere en mijn God", Hem te roemen als den Borg en Zaligmaker, is dan de lust van het hart. Van Hem te spreken als den Christus, den Verlosser op Wien de eeuwen wachtten, naar Wien de bruidskerk smachtte, den wensch der heidenen, de banier der volkeren, de gerechtigheidszon — 't harte kent geen hóóger geluk.
Het zou een wonder zijn als we zwegen ; zwegen te midden van een wereld, waarin zooveel duizenden sterven zonder den Christus te leeren kennen.
Christus moet daartoe in Zijn Woord tot ons komen. We moeten Hem zien en kennen, waar Hij in het paradijs is gepredikt, door de patriarchen is verkondigd, door de ceremoniën der wet is afgebeeld, in de wonderen van Zijn lijden en gehoorzaamheid Zich heeft geopenbaard. „Déze is de Christus !" moet onze ziel leeren uitroepen.
Als wij Hem zien vol genade en heerlijkheid in het leven en sterven Zijner kinderen, ja, als we in eigen ziel mogen gewaar worden dat Hij voor óns aan het hout gestorven is, daar wij anders den eeuwigen dood hadden moeten sterven — dan komt het geloof, de geloofsliefde, de geloofservaring én de geloofsbelijdenis. En die belijdenis is een behoefte der ziele, niet tot zelfverheerlijking, maar tot Christus' verheerlijking.
Als we Hem zien in de wereldgeschiedenis met Zijn triomfen over tronen en mach ten en we zien, dat de poorten der hel Zijn Kerke niet zullen overweldigen, waar de krachten aan het Sion Gods telkens worden vernieuwd uit den hemel, dan zeggen wij in geloove : „Deze is de Christus !"
Er is maar één weg om vroolijk, om zalig te zijn : Christus 'door genade te kennen in de vergeving onzer zonden. En dat geeft lust tot spreken, getuigen, belijden. Het groote in Hem te zien, doet ons Hem eeren en prijzen. Met diepe teugen te drinken uit den beker der ware wijsheid, verkwikt en versterkt en vervroolijkt — en naar die mate zal het geloof vurig, levend, vruchtbaar zijn.
Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien.
Zalig het volk, 't welk 't geklank kent. Zaliger nog 't volk, 't welk het geklank doet hooren, aangevuurd door de liefde.
Het nieuwe leven, dat Gods Geest in de wedergeboorte in het harte plant, moet ontkiemen en naar buiten treden. Op den stengel gaat de bloemknop zich zetten en haar kelkblaadjes ontsluiten, die uitspreidend tegen het zonlicht Gods — en 's hemels zonnestralen, van liefde en genade vol, koesteren ze en verkwikken ze.
Zoo is het belijden de vrucht van het gelooven. Belijden is dan openlijk hulde brengen met hart en mond ; hulde brengen in het midden der gemeente ; hulde brengen in 't midden der wereld, van Hem, Die aller hulde waardig is, maar door de wereld wordt veracht omdat zij Hem niet kent.
„Gaat heen", zoo heeft de Heiland gezegd, „en predikt allen creaturen het Evangelie".
Zoo zullen die gelooven, ook belijden ; die gelooven, ook prediken.
En ze zullen spreken omdat zij gelooven. En sprekende zullen zij gelooven, dat de Heiland gezegd heeft : ze zullen komen en mijnen Naam belijden.
Geloovigen zullen belijden. En belijders zullen belijders winnen.
Want achter alles staat de Vader, die den Zoon Zijn erfdeel gaf en niet één zal er uiteindelijk worden gemist ; ze zullen allen komen tot Zijne heerlijkheid.
Wonderlijk werkt zoo alles saam, opdat het Koninkrijk des Heeren kome.
De Vader heeft ze den Zoon gegeven. En de Zoon zal ze geenszins uitwerpen, die tot Hem komen. Ze zullen ook op den weg niet bezwijken, die Zijn Naam belijden. Hij zal ze zelf bevestigen en schragen. Hij, Isrels Wachter, sluimert niet.
En zoo gaat het maar verder, alle eeuwen door.
Voor den Vader hebben ze groote waarde, al die zondaren, die zullen gemaakt worden tot belijders. Ze zijn Hem van eeuwigheid dierbaar. En omdat ze voor Hem groote waarde hebben en Hem dierbaar zijn, zal Christus Zich over hen ontfermen en hen geenszins uitwerpen of veronachtzamen. In de liefde des Vaders en in de trouwe van Christus ligt de waarborg voor de sterkte van degenen die gelooven.
De geloofskracht en de geloofshandeling kan verminderen, de geloofsoefening kan teruggaan in sterkte, maar de geloovige kan nooit uitvallen en van zijn dierbaar geloof vervreemden. De vastigheid ligt in Christus, Die gezegd heeft : „niemand zal ze uit Mijne hand rukken."
In het belijden kan verslapping komen, omdat in ons dadelijk, in ons actueel gelooven, inzinking kan plaats hebben. Daarom kent het teeder, kind van God zijne worstelingen met den Heere. De krachten, door ons in de zonde verteerd, moeten in ons worden hersteld. Maar ook hiervoor geeft de Heiland bemoediging ; Hij zal helpen en bewaren. Hij, Die voor de Zijnen heeft geleden en gebeden, Hij laat niet varen de werken Zijner handen ; Hij, Die begon, zal het ook voleinden.
Zoo moet de ziele zich steeds tot den Heere keeren, gelijk de bloem zich wendt naar de zon. In Zijn licht zien wij 't licht. En als er wolken over ons leven komen, waaruit het leed op ons drupt, laten wij ons dan vasthouden aan den Onzienlijke, alsof Hij zienlijk ware. Al zien wij God niet. God ziet óns.
Wat ons alleen de overwinning waarborgt is de onveranderlijkheid van God, den Vader, en van onzen Heere Jezus Christus, Die Zijn liefde heeft verpand aan Zijn gemeente.
Ons belijden moet dan staan, telkens weer, tegenover het belijden der "wereld. Want de wereld komt óok uit voor haar geloof; voor wat eigen verstand, eigen lust van de dingen maakt. De wereld leeft bij de zienlijke, aardsche, zinnelijke, zondige dingen en die dingen propageert zij, die dingen prijst de wereld aan als ware het 't hoogste goed.
Ook het ongeloof belijdt. Het ongeloof is maar niet alleen iets negatiefs ; niet alleen maar een niet-gelooven. Ongeloof is maar niet een afwezigheid van waar geloof, maar het is een verwerpen van God en Zijn Woord, het is een geloof in zich zelf, in den mensch, in de wijsheid der wereld ; en zoo is het een ongeloof met inhoud, met een inhoud van positief kwaad, dat leugen en zonde is.
In duizenderlei getuigenissen legt de wereld dagelijks van haar ongeloof belijdenis af.
Daarom wordt ook de geloovige, daarom wordt ook met name de Kerk, als gemeente van Christus, opgeroepen om dagelijks getuigenis af te leggen van wat zij mocht ontvangen van den hemel tot zaligheid.
Met kloeken zin, met fierheid, met frischheid, met gloed en ijver moet de Kerk van Christus belijden. En haar belijdenis moet zijn de vrucht van haar geloof, met den onveranderlijken inhoud Jezus Christus, ons van God gegeven tot wijsheid, gerechtigheid, heiligmaking en verlossing ; Jezus Christus, gestorven om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardiging.
Dat met het hart te mogen gelooven, dat met den mond te mogen belijden, dat is voor den geloovige tot vreugd en zaligheid, dat is voor de Kerk van Christus tot sieraad en eere.
Laat David ons tot voorbeeld zijn in zijn lied, Jesaja in zijn profetie, Jeremia in zijn klaagzang, Johannes in zijn brieven, Paulus in zijn getuigenissen. Laat de hoofdman, zoo goed als de Kananeesche vrouw, de Kamerling, de Stokbewaarder en zoo vele anderen, ons voor oogen staan. Het is in wezen altijd hetzelfde : gelooven in den Heere Jezus Christus en Zijn Naam belijden voor de menschen. Het is steeds leven bij Gods Woord en getuigenis geven van de Waarheid, welke Godes is.
Zeker, " met het eenvoudigste kan de ziele ten slotte toe, met den blindgeborene zeggende : „één ding weet ik, dat ik blind was en nu zie" (Joh. 9 vers 25). Dat ééne is genoeg tot zaligheid. Maar daarmee mag niet bedoeld, dat de middelen om tot rijper en rijker ontwikkeling van verstand en kennis des heils te komen en tot breeder belijden en verbreiden en verdedigen der Waarheid te komen, mogen worden verwaarloosd. We mogen niet achteraan komen met ons belijden. En juist als het een zaak van het hart is, moet er voortgang, leven, ontplooiing zijn. „Leerjongens Christi" zijnde, moeten wij altijd meer willen leeren, van Hem, Die den Heiligen Geest beloofd heeft, om de Zijnen te leiden in alle waarheid. En zoo moet er bij de kinderen Gods een gestadig opwassen in de kennis zijn en een voortgang in de godzaligheid, met een wandel des lichts.
De Kerk, die belijdt, heeft Christus te belijden. En dan Christus den Zaligmaker, als Borg en Losser, in Wien alleen heil en behoud is voor een iegelijk die gelooft.
In Hem te gelooven met het hart, Hem te belijden met den mond is zaligheid.
Vooral nu de tijden zoo ernstig zijn, moet de Kerk in haar gelooven en belijden gezond en sterk zijn. En als de geestelijke strijd vermeerderen zal met het naderen van den dag des Heeren, mag de Kerk van Christus niet wankelen en niet aflaten in haar gelooven en belijden.
Innerlijk gezond in het geloof, zal zij naar buiten moeten uitkomen, kloek in haar belijden.
Waarvoor de zegen des Geestes noodig is.|
Waartoe de Heilige Geest werke in ons allen !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 augustus 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 augustus 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's