MEDITATIE
Niet met een volkomen hart.
„En Amazia deed dat recht was in de oogen des Heeren, doch niet met een volkomen hart." Il Kronieken XXV vers 2.
Gelijk gij uit de voorlezing van een deel van II Kronieken 25 al wel begrepen hebt, willen wij vanmorgen over Amazia preeken of m.a.w. : u kunt wel zeggen over „hoe het niét en hoe het wél moet zijn.
Die Amazia van Juda is een tamelijk onbekende koningsfiguur. Van zijn vader hebt u we! meer gehoord. Dat is dat gevonden kindje, dat eerst door de voedster verstopt was geweest, dat is Joas, gered bij de Athalia-revolutie, als eenig juda-koningskind onder Jojada, den priester, gespaard en opgevoed. Toen is Davids huis weer als uit het graf herrezen. Juda redivivus !
Een moment van historische beteekenis : „Toch nog weer een Wilhelmina, een loot aan den Oranjestam", zouden we in Nederland zeggen. De ouderen onder ons herinneren zich dat nog wel van vóór 48 jaar.
't Theocratisch idealisme werd toen vernieuwd.
U weet, dat het toen best begon. Zoolang Jojada leefde, ging dat goed, maar dat eindigde slecht ; hij gedacht de weldadigheid niet, hij hoorde naar de vorsten, heeft de profeten gedood en is zelf tenslotte verraderlijk vermoord.
Zoo iets hebben we helaas hier ook. Dat kind aardde helaas al te goed naar zijn vader. Ook hier een goed begin en een slecht einde. Die jaren 838—810, dat waren niet de allerbeste voor Juda.
Zoo brengt onze tekst ons op drie gedachten, die we vanmorgen trachten uit te werken. Wij spreken óver :
een kind van godsdienstige opvoeding ; een overtreder van Gods geboden ; een verachter van Gods getuigenis.
Ja, dat is eerst wel aardig goed gegaan. Zoo'n koninkje van 25 jaar, met een goede opvoeding, wie verwacht daar het beste niet van ? Al wat nog rechtschapen gedachten had, al wat het wèl meende, al 't volk, dat God vreesde, koesterde goede verwachtingen.
En dan iemand die goed bij de hand is, „krijgshaftig", iemand, die den ouden roem van 't vaderland handhaven wil. Hij vond weer een weg naar 't Zuiden, via Edom. De onder Joram afgevallen Edomieten, zail hij weer onder Juda's heerschappij brengen. Prachtig handelt hij met de moordenaars van zijn vader. Zélf worden zij 't kind van de rekening. Hun kinderen worden gespaard, precies volgens Deuteronomium XXIV : 16 : „de kinderen zullen niet gedood worden voor de vaders", 't Maakte op degenen, die woord en wet hielden, een goeden indruk.
En dan — om verder te gaan — in die zaak met Edom had hij 100.000 helden uit Israël gehuurd voor 100 talenten zilvers. Maar wacht ! de profeet vindt dat niet goed. Dat is maar verloren geld ! Hij zwicht, als de profeet hem zegt: Wat komt 't op die 4 1/2 millioen aan ? De Heere heeft meer dan dit om u te geven. Hij is toch immers, Wien het goud is en het zilver en het vee op duizend bergen.
En waarlijk, zonder Israël lukt het. Hij luistert. Hij slaat ze. Hij triompheert.
Tusschen twee haakjes : wat is dat een prachtige stof en een prachtige preek voor godvruchtige menschen. Ge kunt Israels coalitie wel missen. God geeft meer dan dat; of : uit verlies winst. Wat de Kerk betreft en wat de Zending betreft, geldt het : waag het er toch eens op. Je wordt er niet armer van. 't Kost wat geld, maar, enfin, 't is voor een goed doel.
Gij ziet het : tot zoover loopt alles prach tig, evenals bij Joas, zoolang Jojada leefde en eveneens, zoolang het prachtig loopt bij kinderen van godsdienstige opvoeding. Daar heb je plezier van. 't Gaat alles langs het lijntje. -
Die profeten ook ! Zij doen hun best, zij doen met plezier hun werk. Zij prediken, zij vermanen, zij onderwijzen.
Die kinderen ook. Zij gaan ter catechisatie. Zij hooren en zij leeren, en zij nemen ook het gehoorde en geleerde in acht.
Alles gaat naar den wille Gods. En doen zij nog eens een verkeerden stap, ach, wie overkomt dat niet ? Maar dan komt ook de vermaning en de aanmaning tot voorzichtigheid : die Israëlieten moet ge maar thuis laten. God zal u doen vallen voor den vijand. En dan laten zij het ook ! Zij keeren weer en het marcheert weer best.
Ja ! Dat is toch 'n zegen I Een zegen, dien de ouders moeten waardeeren ! Ouders ! waardeert het ais u uw kinderen nog zóó hebt. Een zegen, dien de kinderen mogen genieten boven duizenden, omdat zij van God is.
Kinderen in ons midden ! waardeert het, wanneer ge in Gods weg zijt geleid, wanneer ge gezegend zijt, bewaard voor veel kwaad en geleid tot veel goed. Heerlijk, als van u ook geldt, wat van Amazia gold : „Hij deed dat recht was". Tegenwoordig hoor ik weer zooveel jongeren, die van hun ouders spreken als van „die fijnen" en „dat is toch niets". O zeker, zij hebben hun gebreken, en ook de Kerk heeft haar gebreken. Maar toch zeg ik, wat zijn de gebeden van de Monica's van onschatbare waarde. Waardeert het, zulke ouders te hebben of gehad te hebben.
Dat begin ging dus prachtig. Maar — een godsdienstige opvoeding is niet genoeg. Dat bewijst deze geschiedenis. Dat kind met die goede opvoeding, die Amazia, wordt groot, machtig, wijs, eigenwijs. De overwinning op de Edomieten is juist zijn val. In plaats van Gode de eer te geven, komt de ongeloofelijke dwaasheid, dat hij de goden der Edomieten gaat eeren en zich daarvoor gaat buigen. Het volk wil dat wel, zooiets vreemds. Het doet allicht mee en zijn voorbeeld heeft aanhangers genoeg. Maar God had geboden : „Gij zult geen andere, geen vreemde goden voor Mijn aangezicht hebben" en het tweede : „Gij zult u voor geen andere goden buigen".
En nu verbaast gij u natuurlijk. Is dat die godsdienstige koning ? Is dat die man, die de wet hield en die geen verbond met Israël wilde aangaan ?
Vraagt gij mij nu naar het motief ? Ik weet het ook niet. 't Was misschien een politieke zet. Hij wilde hen waarschijnlijk te vriend houden en dat kon hij doen door Edoms goden te eeren. Zooals later ook de Romeinen den overwonnen goden 'n plaats in hun Pantheon gaven, allemaal wat.
Maar intusschen, ging dat goed ? Ging dat niet tegen Jehova in ?
Ik weet het : wij leven in andere tijden ; maar hoe staat het met de afgoden, die in het Christendom zijn ingehaald ? met de „vreemde goden" en de „vreemde godsdiensten", afgezien nog van politieke allures ? Zal ik ze u opnoemen ? Uw kleeren — ik denk aan de Fransche mode. Uw kinderopvoeding — ik denk aan Duitsche gewoonten en aan Amerikaansche zede en aan de uitdrukking : Quite English. Uw kunst. Uw wetenschap. Of ook, zooals ik laatst eens bij een huwelijksinzegening gezegd heb, dat woord van Jonker : Uw kracht is uw Gód (Olympische spelen !) in plaats dat uw Gód uw kracht is.
Vraag 't eens, waar de afgoden huizen en wie de afgoden zijn en waarmee gehoereerd wordt als Juda weleer. Er is in mijn tekst nog zooveel leering voor u !
En het gevolg is onverbiddelijk, dat God toornt. Het wreekt zich niet direct, maar de profeet komt andermaal tot hem. Helaas !
Andermaal komt nu de profeet. En weer volgt de terechtwijzing. Die 100.000 uit Israël, dat deugde niet. Maar die Edomsche afgoderij, dat deugde heelemaal niet. De profeet bestraft hem natuurlijk, zooals het behoort; immers hij ging tegen Gods gebod in. Dat was een héldenstuk van dien profeet. Denk hierbij even aan Johannes den Dooper bij Herodes. God eischt getrouwheid bij Zijn knechten.
En wat doet de koning nu ? Buigt hij ? Neen, en in plaats van te buigen volgt er opstand en dreiging en hij haalt 't zwaard er bij. Wij zullen je wel ! En dan komt dat vreeselijke woord (vers 16) : „Ik merk, dat God besloten heeft u te verderven, omdat gij dit — die afgoderij — gedaan hebt en Mijnen raad niet gehoord hebt". Dat is nu het verkeerde in Amazia. Grooter zonde dan te buigen voor de afgoden is verachten van God en Zijn getuigenis en Zijn waarschuwing, het negeeren en het niet meer van Hem willen weten. En boos worden als men er over begint, desnoods een ander te lijf gaan, als hij den mond niet houdt.
Wat zie ik nu in onze dagen ? Een heeleboel afgoderij ! Maar veel erger, een verachten van het Woord !
Grootvader (zal ik maar zeggen, die Jojada), die was heel streng.
Vader (die Joas), die was al veel milder. Zoon (die Amazia), die geeft heelemaal om de Kerk niet meer. En wat hoort ge 't niet vaak : u kunt wel komen logeeren, hoor, maar over den godsdienst moet u maar niet spreken. Daar hebt u 't type van onzen tijd. Onze kinderen doen aan de afgoderij mee, en erger, zij verachten het Goddelijke Woord. „Hij deed wat recht was in de oogen des Heeren, doch niet met een volkomen hart". Eerst komt de trouwdag of iets dergelijks, en de afgoderij ; en het einde is een volslagen breken met het Woord, het verachten van Gods Woord. Ach, de Kerk is vol van de Amazia-Christenen. Laten we eerlijk zijn. Beantwoordt eens eerlijk deze vraag : Is de Kerk, is de godsdienst u nu eigenlijk een lust of een last ? Is de godsdienst voor u nog een soort van bagage, die ge op reis meeneemt, een noodzakelijk kwaad, iets wat wel noodig is, maar wat ge toch liever thuis laat ? Daardoor is het ware genoegen ver te zoeken. Bij den een komt het tot het eerste, een gedeeltelijk loslaten ; maar bij den ander tot het tweede, een geheel afrekenen.
En de buitenstaander spot er mee ! Gelijk Joas van Israël de fabel van den distel en den ceder verhaalt. En tenslotte komt het einde : hij wordt door samenzweerders gedood. Ernstige waarschuwing voor ons !
Tenslotte nog een woord van toepassing.
Gij hebt drie dingen gehoord : Amazia was een kind van godsdienstige opvoeding, een overtreder van Gods geboden, en een verachter van Gods getuigenis. Oftewel, wij hebben twee fouten opgemerkt, n.l. dat hij zijn godsdienst had losgelaten, en dat hij Gods Woord had veracht.
De les van hedenmorgen voor ons is nu, dat er twee dingen voor ons aller leven noodig zijn : op Gods stem te letten, en op Gods dienst acht te geven.
Heerlijke zaken, nietwaar ? Beide een gevolg van het dienen van den Heere, van het recht doen in de oogen des Heeren. Bij al Gods kinderen vindt gij die beide terug. O, wat zijn zij liefhebbers van het Woord. Voor die Kerkmenschen is dat Woord een spijze, een levensvoedsel. Dat profetenwoord wordt zoo gaarne door hen gehoord. Daar worden zij door verkwikt.
En daarbij vindt ge ook bij hen een mijden van de wereld en hare begeerlijkheid. Misschien doen zij dat wel eens wat overdreven ; misschien vinden zij niet altijd „Ie juste milieu". Maar principieel staan zij zuiver. Principieel bevestigen zij het : Zou ik niet haten, Heere, wat U haat ?
Mijne Hoorders. Laten we dat in 't oog houden ! Dan is de godsdienst voor ons een lust en een troost. Dan keeren wij verkwikt uit de kerk terug. Dan bezitten wij een levenskracht voor 't leven. Dan is er een principieel richtsnoer voor al ons doen. Dan gevoelen wij een vrees voor het kwade en een liefde voor het ware goede.
Zalig hij of zij die daartoe persoonlijk in de jeugd gebracht wordt. Dat begint bijvoorbeeld met een Jozef : „Zou ik zulk een kwaad doen en zondigen tegen God ? " Dat gaat voort bij een Mozes, die op zijn 40ste jaar de keuze deed, om „liever met het volk van God kwalijk behandeld te worden dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben". Dat eindigt bij een Paulus die sprak : „Ik jaag er naar of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben". En zoo komt het ware leven, het ware dienen en het ware loven.
De fout van Amazia was : „niet met een volkomen hart" !
Nog een laatste vraag wil ik beantwoorden. Iemand, onder de jongeren, zegt wellicht : „Maar hoe kom ik dan aan den waren godsdienst ? "
Gij denkt misschien, dat ik u, als antwoord op die vraag, een leefregel ga voorschrijven of een bepaald vragenboek of een bepaalden godsdienst. Of wat conservatisme of ouderwetschheid in kleeding en huis raad. Of een bepaalde richting : „Je moet vooral Gereformeerd worden".
O nèèn, dat komt alles terecht, als ge van God zelf het geheim van de ware godzaligheid geleerd hebt. Eén ding is noodig, dat gij geleerd hebt, vroeg of laat, uw knieën in waarheid te buigen voor dien God, die met uw hart gediend wil worden. God alleen kan u dat geven.
Dat was Amazia's gebrek. Hij had godsdienst genoeg, in overvloed. Maar het was geen hartezaak. „Hij deed wat recht was in 's Heeren oogen, maar niet met een volkomen hart".
Om dat te krijgen, moet ge God bidden : „Heere, bekeer mij ; en ik zal bekeerd zijn", of : „Zie of bij mij een schadelijke weg zij en leid mij op den eeuwigen weg". Dat is het aanknoopingspunt. Als dat ontbreekt, dan loopt ge 't gevaar van het los worden, los van den godsdienst, los van de Kerk, los van het Woord.
Maar God houdt Zijn kinderen vast. Hij formeert hun hart tot Zijn dienst. Daarom : „Hoe zalig is het volk, dat naar Zijn klanken hoort !"
En zoo hebben wij eindelijk tweeërlei : Eenerzijds een volk, dat niet weten wil van Woord en ordinantie. Anderzijds een volk, dat zijn lust er in vindt om op Zijn wenken te staren.
Geve God ons te behooren tot die tweede groep.
*) Prediking, gehouden door wijlen ds. ü. H. Beekenkamp, in de Oosterkerk te Leiden, op Zondagmorgen 9 September 1928.
1.) Vergelijk hiermee Rome met 't „aller-heiligen", al heeft dat wel een ander motief.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 augustus 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 augustus 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's