UIT DE PERS
Zondige verdeeldheid.
Noodzakelijke éénheid.
In verband met de schrikkelijke verbrokkeling en zondige verdeeldheid die er is onder de belijders van den Christus Gods in ons vaderland, en gevoelende de noodzakelijkheid van de éénheid onder de geloovigen in Nederland, heeft ds. C. van der Zaal, Chr. Geref. pred. te Deventer, voor de Vereeniging van Chr. Geref. Schoolonderwijs, op de jaarvergadering te Zwolle een rede gehouden, waarvan we gaarne hier een verslag opnemen, omdat we zoo geheel met ds. Van der Zaal, die voor ons geen onbekende is, mee voelen en zoo van harte met hem instemmen.
Tot onderwerp van zijn rede had ds. Van der Zaal gekozen : „Hereeniging en Beginselbeleving".
Spreker begon met de bewering : Met één volzin kunnen we streven, leven en bewegen van onzen modernen tijd teekenen. Deze is : „Afval van God !" Breken met God is zelfverbreking, afval van God een neervallen tot verbrijzeling toe. De band met God ontbinden is ontbinding werken, overal waar men invloed kan uitoefenen. Wordt nu dat loswerken en stuktrekken en verscheuren van banden, die binden moesten, niet overal ontdekt ?
Spreker vertoefde eerst een ogenblik op 't staatkundig erf en wel werd inzonderheid stilgestaan bij de christelijke politieke partijen. Voorheen was er één protestantsche Christelijke Staatspartij. Later werden er twee, de A.R. en de C.H. Nu zijn er bijgekomen de Staatkundig Geref. en de Herv. Geref. Staatspartij. Voor ingewijden — aldus spreker — is het geen geheim meer, dat sommigen het getal vier nog onvoldoende vinden, Er zijn er, die begeerig uitzien naar een Herv, A.R. Partij en naar een Chr. Geref. Staatspartij. Echter meene niemand, dat al waren deze er, men dan aan het eind is. Na de kerkelijke indeeling wil men ook gaan ijveren voor de groepsbelangen.
Ontbinding zoekt men op schrikbarende wijze.
Vervolgens werd het tegenwoordig beeld van de Kerk bezien. Na over haar openbaring in het buitenland gesproken te hebben, zei spreker : Willen we blijven in ons land ? Letten op de Kerk der reformatie ? Willen we ons meer beperken tot de Gereformeerde richting ? Deze vinden we in de Hervormde, Gereformeerde, Chr. Gereformeerde, Oud-Gereformeerde, Vrij-Gereformeerde en Vrij-Chr. Geref. Kerken en in de Gereformeerde Gemeenten. Deze lijst is al oud. Nu zijn we ook zoover, dat we nog kunnen spreken van een Hersteld Gereformeerde Kerk en het allernieuwste zelfs van een Hersteld Gereformeerde Gemeente. We zijn onzen naburen tot een spot geworden.
Sprekend over de ontbinding van het gezinsleven, werd verwezen naar het boek „De Opstandigen", van mevr. Jo van Ammers-Küller. Hoe de mensch zonder God verdierlijkt, wordt met schrille kleuren, onopzettelijk voorgesteld in : „lm Westen nichts Neues !"
Op schoolterrein is de verdeeldheid ook al op te merken. 30 October 1860 werd de Vereeniging voor Chr. Nat. Schoolonderwijs gesticht. In 1868 werd deze al opgevolgd door de Vereeniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs. In den tijd van de Doleantie kregen we nog de Vereeniging voor Christelijk Volksonderwijs er bij. Nu vinden we scholen, die al of niet uitgesproken Hervormde, Gereformeerde, Christelijk Gereformeerde of van de Gereformeerde Gemeente zijn. Wat er nog komen zal weten we niet, wat er nog komen kan bedenken we met beving, aldus spreker. Duizendmaal herhalen we de afgezaagde klacht :
Waarom zijn we toch zoo verdeeld ?
Het algemeene antwoord moet zijn : Omdat we zoo ver leven van God ! Wie dicht bij Hem leeft, buigt zich voor Hem, wie Hem verlaat gunt den Allerhoogste geen plaats in zijn leven. Dan dient hij den geest der ontbinding.
Vervolgens werden verschillende trekken aan getoond, waardoor we de eenheid tegenstaan. Uitgaande van Luthers woord : „dat wij menschen niet anders kunnen dan onszelf zoeken en ons Ik liefhebben", werd gewaarschuwd tegen dem hoogmoed, waardoor men zelf koning wil zijn. Dan komt er strijd als er meer dan één dezen lust voedt. Zou het in China er wel zoo chineesch naar toe gaan, indien er maar één koning wilde zijn ?
Uit de zelfaanbidding vloeit voor de Afgunst. Augustinus heeft deze volgens zijn Confessiones opgemerkt bij het kind aan moeders borst. Bij het opwassen groeien ook de kwade hebbelijkheden. Zoo kunnen we, zonder het aan onszelf te willen bekennen, anderen het goede misgunnen en het kwade toewenschen. De Engelsche wijsgeer John Locke toonde aan, dat wanneer eenmaal de beginselen, waarvan men uitgaat, verschillend zijn, men nooit tot overeenstemming kan komen. Staan de menschen in beginsel niet scherp tegenover elkander ?
De Hebzucht dringt er dan weer naar, om alles voor ons op te eischen, wat maar eenigszins in onze nabijheid ligt. De dorst naar Macht wordt gevoed. Men hoopt anderen aan zich te onderwerpen en zelf de sterkste te blijven.
Gelukt dit niet, dan krijgt men ten laatste vaak medelijden met zichzelf.
De medemenschen behandelen ons onbillijk. Ze willen ons niet begrijpen. Bilderdijk vergeleek zich met een afgewerkt runddier ; Willem Kloos klaagt er over, dat hij misverstaan is van zijn jeugd af. Couperus beeldt vaak zijn helden uit, die zichzelf beklagen en daaraan ten onder gaan. Prof. De Hartog heeft meermalen in een rede de klacht geslaakt over het niet begrepen worden. Er moet komen een breken met deze fouten, willen we tot hereeniging komen.
Heel veel, wat nu op gespannen voet naast elkander leeft, behoort op broederiijke wijze saam op te trekken.
De Heere Zelf zende daartoe Zijn Heiligen Geest, opdat de rust kome tot willen en werken !
De Heiland begeert het. Hij heeft het immers uitgesproken in Zijn bekende bede : „Vader, Ik wil dat ze allen één zijn !" Wanneer we naar Zijn wil leven, of beginnen te leven, zullen we niet dadelijk een fusie van kerken en vereenigingen krijgen. Voorloopig kan ieder in zijn 'Kerk blijven ; maar toch nauweren band en hartelijke samenwerking zoeken. Er moet komen samenwerking op het terrein van wetenschap en politiek en van het maatschappelijk leven en op het terrein van Evangelisatie en Zending en Opvoeding en van Onderwijs.
Dit wil de Vereeniging van Chr. Gereform. Schoolonderwijs ook. Op haar vergadering van 16 Augustus 1922 werd gehandeld over de vraag : Wat moeten we, óf samenwerken, of eigen scholen bouwen ? Het meerendeel der vergadering sprak als haar gevoelen uit:
„Eerst samenwerking zoeken !"
Hoe moeten we hier nu toe geraken ? Moet men eerst de heilige beginselen als een te zware last over boord werpen, om mee te kunnen varen ? Daaraan valt vanzelf niet te denken. De hechte grond voor de hereeniging wordt op Golgotha gevonden. Aan den gekruisten Heiland en Meester hebben we te vragen : Wat wilt Gij, dat we doen zullen ? In ons moet leven : „Al wat Hij ons zegt, dat willen we doen !"
Doch nu komen de moeilijkheden. Dr. Karl Heim zegt: „De heuvel, waarop het kruis geplant staat, is de plaats waar de levensopvattingen uiteengaan !"
Toch moeten we blijven bij hetgeen dr. A. Kuyper Sr. schreef: „Veeleer is het onze Koning, die zelf den gang van het leven ook in ons land aldus bestuurd heeft, dat Hij zelf de Christelijke School tot orgaan van Zijn Koninklijke heerschappij schiep !"
Op schoolterrein moet dus Koning Jezus Zijn schepter zwaaien. Daarom kunnen we ons nooit vereenen met de zoogenaamde neutrale school, waar geen plaats is voor Christus en Gods Woord en het gebed. Evenmin mogen we ons tevreden stellen met een school, waar vrijheid is voor het personeel, om den Schouwburg en Bioscooptheaters te bezoeken, en om den dag des Heeren te ontwijden. Dit is gevaarlijk voor de jeugd, die men op te voeden heeft. Evenmin mag men uitgaan „van de vaste onderstelling bij de opvoeding van elk gedoopt kind, dat er verborgen genade in schuilt en dat de opvoeding slechts trekt, om dat verborgen genadezaad in den akker van het kind te besproeien en het onkruid uit te wieden, opdat dit verborgen zaad niet verstikke". Men heeft te bedenken, dat het kind in zonden ontvangen en geboren is en daarom aan allerhande ellende, ja zelfs aan de verdoemenis onderworpen is. De roepstem tot bekeering moet gehandhaafd worden ook in de opvoeding.
Op school behoort ook geen plaats te zijn voor de leer der algemeene verzoening, die zoo gemakkelijk door het lied het kind wordt bijgebracht.
Staande bij het kruis, moeten we uitgaan van den Eenigen Naam onder den hemel gegeven tot zaligheid. Handhavend de Schriftuurlijke beginselen, moeten we elkander zoeken en vinden. Anders kan en mag 't niet. Er moet geen water in den wijn gedaan worden. Velen willen buitengewoon verdraagzaam zijn. Dringt Christus niet ons onvoorwaardelijk naar Hem te luisteren ? Geldt misschien van velen, die buitengewoon rekkelijk zijn, het woord, dat stond in het voorlaatst verschenen nummer van Sunday at home : Are we so broad and tolerant because we are so cool towards Him ? Staande op den . Rots der eeuwen met beide Voeten, vragen we hereeniging door beginselbeleving.
Zoo kunnen we er Gods zegen en hulp over afsmeeken.
Moge er zoo ook komen een bidden en werken.
Met een opwekking om getrouw te zijn in dezen schoonen strijd, besloot spreker zijn belangwekkende rede, die zeker waard is door velen, in breeden kring, ernstig te worden overdacht.
Geen Dominee meer noodig.
In de „'s-Gravenhaagsche Kerkbode" schrijft dr. M. M. den Hertog, Ned. Herv. pred. te 's-Gravenhage, o.a. het volgende :
»Het is ruim twintig jaar geleden, dat ik een beroep ontving naar Apeldoorn. Zooals gewoonte voorschrijft, ging ik er een bezoek brengen, of, zooals de geijkte uitdrukking in die dagen was, ging ik er „kijken", 's Middags zou er een receptie zijn. In de consistoriekamer hadden zich tal van belangstellende gemeenteleden vereenigd. Een emeritus-predikant kwam naar me toe om me aan het verstand te brengen, hoe zinledig het was, al die menschen langs me heen te laten gaan en me de hand te laten drukken. Hij vond het beter de menschen in de kerk plaats te laten nemen, daar kon ik ze van den preekstoel een woordje toespreken. Ze konden dan eens hooren, hoe ver mijn stem droeg en hoe mijn wijze van preeken was.
Ik had daartegen nogal bezwaar, om de eenvoudige reden, dat ik zoo ineens niet wist waar over het te moeten hebben. Mijn oude wapenbroeder oordeelde hierover zeer licht : „ik moest dan maar een psalm of een gezang voorlezen, en een stukje uit den bijbel !" Waar onze psalmen en gezangen en de bijbel al niet goed voor zijn !
Voor ik erom dacht, had hij reeds den menschen toegeroepen, dat de beroepen dominee in de kerk zou spreken, en binnen een paar minuten stond ik voor dit aandachtige auditorium. En ja, helaas ! Ik heb een versje gelezen en daarna iets uit Hebreen 11. Ik vond het edhtér al te kinderachtig, geen enkel woord hier bij te voegen. Toen ik dan ook bij het 6e vers kwam : „zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen", hield ik even stil en een minuut of tien heb ik iets gezegd over het geloof en Gods welgevallen daarin. Spoedig waren we weer buiten, en na enkele dagen meende ik voor dit beroep te moeten bedanken.
Jaren later kwam iemand bij mij in Den Haag aan mijn huis, om mij te spreken, 't Was een Roomsch vrouwtje, dat van de wijkverdeeling in onze Hervormde Gemeente niet 't minste besef had. Zij kwam mij vragen, om een oud mannetje te bezoeken, dat stervende was en naar mij had gevraagd. Ik keek in mijn boekje, wie de wijkdominee was, maar besloot er eerst zelf maar heen te gaan, om later mijn collega te waarschuwen.
Na een half uur stond ik voor een eenvoudig huisje, moest twee trappen op en vond toen een Veluwsch boertje, dat mij aandachtig opnam.
„Dominee, is oe 't ? " Ik begreep niet recht, wat hij met deze vraag bedoelde. Ik vertelde hem, hoe ik heette n vroeg, of hij mij kende.
, Dominee", was zijn antwoord, „weet u dan niet, dat het zonder geloof onmogelijk is God te behagen ? "
Daar ging mij een licht op en ik vroeg hem : „Kom je dan soms uit Apeldoorn, waar ik eens in de kerk gesproken heb ? " Toen kreeg ik hortend en stootend het bekende en toch altijd weer lieflijke verhaal van een mensch, in wiens ziel een woord Gods is gezonken. Maar nooit zal ik vergeten, wat hij ten slotte mij zei: „ik heb u laten roepen, niet omdat ik een dominee meer noodig heb, want ik bezit den eenigen troost in leven en sterven. Neen, ik heb gelukkig geen dominee meer noodig, maar ik wou nog even een dominee bedanken, omdat God hem gebruikte om het licht te maken in mijn ziel". Samen hebben wij gedankt en gebeden en ik heb hem nooit meer gezien. Maar nog altijd klinkt zijn woord mij in de ooren : „ik heb gelukkig geen dominee meer noodig".
Dikwijls heb ik gedacht, als men trachtte het verschil tusschen het Roomsch-Katholicisme en het Protestantisme duidelijk te maken : zou ook dit een verschil zijn ? Een Roomsche kan niet sterven zonder pastoor. Gelukkig, als de pastoor er tijdig is. Maar voor den Protestant is dit het hoogste : geen dominee noodig te hebben, omdat Hij er is, de Heiland zelf, die Zijn schapen het leven geeft en overvloed.
Zoo nu en dan doet een openbaar onderwijzer nog wel eens een poging om de openbare school als de allerchristelijkste aan te prijzen, verre te verkiezen boven de School met den Bijbel. Men kan óók wel christelijk zijn zonder te luisteren naar 's Heeren Woord en Getuigenis, zoo op eigen risico. Men bedoelt het dan zoo goed. Men prijst den godsdienst. Maar dan komt er weer een ander die van dat marchandeeren niets wil hebben en er maar recht voor uitkomt, dat de Openbare School godsdienstloos moet zijn.
Zoo las men dezer dagen in het Schoolblad, orgaan van het Ned. Onderwijzers-Genootschap (niet weinig rood !) het volgende lieve artikeltje :
„Wat heb ik me vaak geërgerd aan boekjes waarin Gods Naam werd doodgezwegen 'n tekort aan de opvoeding, 'n wapen voor de tegenstanders.
„En waarom gaat men zoover ? Is 't niet de plicht van het Openbaar Onderwijs op te leiden tot Christelijke deugden en mag men dan Christus doodzwijgen?
Hoe kan 'n enkel woord in 'n lesje of in 'n pakkend Christelijk gedichtje niet het zaad zijn voor heerlijke vruchten in de toekomst! Zonder den Heer, de Bron van alle ware levensvreugd is toch feitelijk niemand waarlijk gelukkig 1"
Maar de Redactie, ook niet mis, voegt" er aan toe :
„dat de schrijfster de zaak wel wat eenzijdig beziet. Goede en wérkelijk vrome menschen komen even goed voor bij vrijdenkers als bij zeer geloovigen. Indien het mogelijk ware een grenslijn te trekken tusschen goed en kwaad, gelukkig en ongelukkig, dan zou deze lijn niet samenvallen met de lijn — die evenmin te trekken is — tusschen geloovig en ongeloovig".
Ohristenouders, die iets van hun doopbelofte verstaan, weten het nu wel, wat ze met hun kinderen doen moeten !
Het Socialisme en de Godsdienst.
In het Socialistisch Weekblad „'De Socialist", wordt het door de redactie zelve „onwaarachtige propaganda" genoemd, als, vooral in verkiezingsdagen, betoogd wordt, dat een geloovig christen sociaal-democraat kan zijn. Het blad meent, dat de werkelijkheid juist omgekeerd is en dat geloovigen niet bij de S.D.A.P. thuis hooren. Godsdienst en Socialisme strijden te veel met elkaar en de S.D.A.P. moet, zegt de redactie, dat ook maar niet verbloemen. „We moeten ons, als Socialisten, maar niet schamen voor ons ongeloof!"
„De Socialist" zegt dan :
„Onze kiezers hebben — in 't algemeen — gebroken met de kerk. Zij hebben geen religie meer. Dat gevoel is hun vreemd. Zij zijn goddeloos. Atheïsten. Niet vijandig staan zij tegenover den godsdienst — onverschillig. Een nieuwe wereldbeschouwing ontstaat, groeit. Elementen van de oude sterven af. De religie behoort tot die elementen, die verschrompelen. Men kan het betreuren. Men kan het niet ontkennen. Het volk laat de kerk rechts liggen. Deze zou leeg zijn, als zij uitsluitend bezocht werd door de roodstemmende kiezers (al vormen die ook ongeveer 30 pCt. van het korps).
Wil een geloovige in de partij, in de vakbeweging komen, hij is welkom. Niemand zal hem er leelijk om aankijken, als hij 's Zondags naar de kerk optrekt.
Maar hij is bij ons in gezelschap, dat gevaarlijk is voor zijn geloofsovertuiging. De zon kan binnendringen en bacteriën dooden. Eerbied voor dwalingen hebben wij niet ; wel voor goede trouw. Och, bij ons is ook welkom de kleine winkelier, die den strijd tegen het Warenhuis niet vol kan houden. Alleen — hij zoeke bij ons geen steun in dien strijd. En meene niet, dat het kleinbedrijf een toekomst heeft.
Wie in onze partij komt, kan meenen, dat men een zonde begaat, als men een tooneelvoorstelling bijwoont, op Zondag gaat fietsen of spek eet.
Maar de beweging schrijdt voort, zonder zich er om te bekommeren. En waarom erkennen wij op geestelijk terrein de werkelijkheid niet, die telkens en telkens weer aantoont hoe Marx gelijk had, toen hij een godsdienstlooze wereldbeschouwing formuleerde als de wereldbeschouwing van het proletariaat ?
'Laten we toch steeds toonen wie we zijn. En niet doen alsof we ons schamen over ons ongeloof. Niemand neemt dat ernstig."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 augustus 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 augustus 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's