KERKELIJKE RONDSCHOUW
Onze nieuwe penningmeester.
Zoodra het mogelijk was — door de vacatures van de verschillende heeren werd het wat bemoeilijkt — is er een vergadering van het Hoofdbestuur van onzen Gereformeerden Bond gehouden ; en wel Maandag 25 Augustus j.l.
Wat voelden we nu geweldig het verlies dat we geleden hebben door het zoo plotseling sterven van onzen onvergetelijken Penningmeester, ds. Jongebreur ! Voor 't eerst kwamen wij samen — zonder hem. Vijf en twintig jaar heeft hij aan onze Bondsactie deelgenomen en de vergaderingen van 't Hoofdbestuur bijgewoond. Nooit werd hij gemist. Altijd was hij op zijn post. Eerst als Secretaris, daarna als Penningmeester. En ds. Jongebreur was er de man niet naar om er zelf naar te kijken, terwijl hij anderen liet werken, maar stond zelf in het midden van de actie met volle kracht werkende het werk, dat hem zoo lief was. De Gereformeerde Bond was voor hem niet een ding van twijfelachtige beteekenis, 't was hem niet een zaak van weinig waarde — zooals het helaas ! voor sommige Gereformeerden in onze Hervormde Kerk schijnt te zijn, zelfs voor sommige Gereformeerde predikanten — 't was hem een zaak van het grootste gewicht, omdat , hij voelde voor de Hervormde Kerk, voor de Gereformeerde Kerk van Nederland, en omdat hij zag dat voor heel ons volk en voor alle terreinen des levens er zoo ontzaglijk veel van afhangt hoe de staat en de toestand en de gestalte der Kerk is. En dan niet van alle mogelijke Kerkjes, maar van de aloude Gereformeerde Kerk in Nederland.
Er zijn helaas zoovelen, die blijkbaar slecht onderlegd zijn en zeer gebrekkig opgevoed inzake de goddelijke waarheden ; die niet voelen en niet weten van de Schriftuurlijke uitbeelding van de Godsopenbaring, waarin de Heere ons meedeelt de geopenbaarde dingen, die voor ons en voor onze kinderen zijn, om die te doen. Slecht onderlegd en gebrekkig opgevoed, gaan ze dan op lateren leeftijd wat spelevaren op de religieuse en kerkelijke wateren en ze zijn verzot op geestelijke sensatie. Het moet gaan over de verborgen dingen en aan de geopenbaarde dingen komen ze niet toe. En dan voelen ze ook niets voor de Kerk en voor de Sacramenten. Ze trekken er hun neus voor op, omdat ze niet onderlegd zijn in de waarheid, in de Schriftuurlijke waarheid, en omdat ze gebrekkig opgevoed zijn, door hen, die een slecht voorbeeld hebben gegeven ten opzichte van de geopenbaarde dingen Gods.
Dat is ook de donkere, sombere, onheilspellende achtergrond van onze Gereformeerde actie in het midden van de Ned. Hervormde Kerk. Men klaagt, maar men bekent niet die vreeselijke zonde, dat men weigert z'n roeping en z'n verkiezing vast te maken. Dat de Apostel juist in die volgorde spreekt : z'n roeping vast te maken, en daarin van z'n verkiezing verzekerd te worden, acht men als niets. En zoo is en wordt men geïnfecteerd door allerlei bacillen, — in de eene streek van ons land weer anders dan in de andere streek — om ziekelijk voort te sukkelen, loopend van den een naar den ander, en om de gestalte en de gedaante van de Kerk bekommert men zich niet (men heeft waarlijk wel andere dingen om er over te praten, dingen die veel „geestelijker" zijn en veel „dieper" gaan en meer het „verborgene" raken !!) en men hoort niets van het zuchten van den Heiligen Geest, Die uit Christus neemt en uitziet naar de openbaring van het lichaam van Christus, naar het samenwonen van allen die in Christus hun heil zoeken en weten, rondom Woord en Sacrament. Men bedroeft den Heiligen Geest, men bluscht den Geest uit — en men bemerkt het niet eens. Noch bij zichzelf, noch bij z'n kinderen ziet men het, dat het zóó van kwaad tot erger gaat. Men roemt niet zelden in allerlei ellendigheden, die men hemelhoog verheft en merkt niet eens dat men bezig is gruwelijk te spelen met het heilige en te zondigen tegen God, Die ons Zijn Woord gegeven heeft, levend zonder de Schriftuurlijke orde en buiten den waren tucht.
Ds. Jongebreur leefde voor onzen Gereformeerden Bond. Het was hem geen liefhebberij, maar een zaak van 't hoogste aanbelang. De Kerk — Christus' Kerk — de Vaderlandsche Kerk, lag hem na aan 't hart. En werkende dag en nacht, bedroefde het hem dikwijls dat er zoo velen — helaas ! óók onder de predikanten — zoo weinig waarachtige, hartelijke, geestelijke belangstelling toonden voor deze zaak, omdat zij niet hoorden het zuchten des Heiligen Geestes, omdat zij, zij 't onbedacht en onbewust, voortgingen met den Geest Gods te bedroeven en de Kerk, de Sacramenten, de Schriftuurlijke waarheid der Godsopenbaring te verwaarloozen, intusschen zich bezig houdend met allerlei, dat toch werkelijk niet door den beugel kan.
Vijf en twintig jaren heeft ds. Jongebreur gewerkt, gewerkt voor den Gereformeerden Bond, om het goede te zoeken voor Kerk en Volk, verlangend uitziende naar den opbouw en het herstel van het huis des Heeren in dezen lande, verlangend ook naar de éénheid van allen, de kerkelijke éénheid van degenen die één zijn in gelooven en belijden. Hoe meer er in den middellijken weg gedaan kon worden om dat groote doel te bereiken of naderbij te komen, hoe liever het hem was, en dan knikte hij maar niet of lachte maar niet of zuchtte maar niet, maar dan deed hij wat z'n hand vond om te doen, wetende dat ons werk in den Heere niet ijdel zal zijn.
En nu is zijn plaats ledig. Zoo plotseling leeg geworden. Zoo geweldig, zoo ontroerend ernstig kwam het en wij voelen het eigenlijk nu met den dag meer als een smartelijk, schier onherstelbaar verlies.
Op onze Bondsvergadering is dat overdacht en besproken. We hebben het in ons gemeenschappelijk gebed voor den Heere neergelegd. Wat heerlijk voorrecht, wat zalige troost zit daar toch in, dat we samen in den gebede alles aan den troon van Gods genade mogen opdragen ! En toen hebben we beraadslaagd saam : wie moet nu de opvolger worden van hem, dien God ons ontnam ?
Aan ons allen drong zich heel sterk op, dat hij, die naast ds. Jongebreur werkte, hij die naast ds. Jongebreur zat en als met dezelfde schaduw des doods overdekt is geweest en door den Heere zoo wonderlijk is bewaard en uitgered — dat ds. Van der Snoek Penningmeester moest worden, in de plaats van ds. Jongebreur komend.
Heel veel bezwaren zijn aan het penningmeesterschap verbonden, veel werk zit er aan vast, veel zorgen vergezellen dezen arbeid — daarom waren er bedenkingen aan de zijde van ds. Van der Snoek. En het is te begrijpen, 't Werd ook volmondig door allen toegestemd. Maar op aller verzoek, op aller dringend verzoek, heeft ds. Va n der Snoek tenslotte toegestemd, om althans voorloopig, tot aan de komende Jaarvergadering, die D.V. in 1931 staat gehouden te worden, het penningmeesterschap op zich te nemen. Wij waardeeren zeer de bereidwilligheid van ds. Van der Snoek en wij zijn er van overtuigd, dat allen, die onzen Gereformeerden Bond liefhebben, den Veenendaalschen dominé dankbaar zijn, dat hij zich voor dit mooie, omvangrijke werk wil geven. Ook de gemeente van Veenendaal al het gaarne toestaan, dat ds. Van der Snoek voor dit werk van algemeen en zuiver kerkelijk belang een deel van zijn tijd gaat afzonderen. Veenendaal is er blij mee — dat weten we zeker!
En nu gaat ds. Van der Snoek aan 't werk. De heer Fliehe is er eigenlijk mee begonnen. „Wat zal het worden ? " vroegen wij, en vroeg hij, staande aan het begin. En het , ging prachtig. De Heere heeft het wèlgemaakt ; boven bidden en denken. Verrassende zegeningen werden ons bereid keer op keer, jaar na jaar.
De ledige plaats van den heer Fliehe is door ds. Jongebreur ingenomen.
„Wat zal 't worden ? " was weer de vraag. Fliehe had een stempel op het werk gezet. Zou ds. Jongebreur het ook zoo kunnen?
Toen heeft de Heere bewezen, dat bij Hem meer dan één zegen is. En ging 't weer anders dan bij Fliehe, 't ging niet minder goed. Alles groeide en bloeide. Men hoorde 't groeien, men zag 't grooter worden.
Menigerlei genade. Niet éénsoortig, rijke onderscheidingen. Eén Geest, vele werkingen. Is het niet heerlijk ?
Nu gaat ds. Van der Snoekde plaats innemen van ds. Jongebreur. Weer een ander type dan Fliehe, wéér een ander type dan ds. Jongebreur. „Wat zal 't worden ? " — is weer de vraag, die zich onwillekeurig aan ons opdringt. Maar onze Gereformeerde Bond leeft in 'n breeden kring. Onze Fondsen hebben de liefde van talloos velen. In vele gemeenten helpen de Kerkeraden, de Afdeelingen, de Vriendenkringen. Onze Gereformeerde Bond heeft z'n wortelen geschoten en breed uitgeslagen in 't Noorden en in 't Zuiden, in 't Oosten en in 't Westen. Zou men in Friesland niet blij zijn, dat ds. Van der Snoek Penningmeester nu is ? Natuurlijk ! Ds. Van der Snoek heeft niet voor niets in Friesland als predikant gestaan in Ooster-Nijkerk. Zou men in Vlaardingen, in Ameide, in Brakel en in Kralingen ; zou men in Veenendaal niet blij zijn ? Ja — waar zou men niet blij zijn in het midden van onze Ned. Hervormde Kerk waar Gereformeerd volk gevonden wordt, dat voelt voor de Schriftuurlijke Waarheid ? En bij den Heere is méér dan één zegen. Hij, de Vader der lichten. Die de gever is van alle goede gaven en volmaakte giften, zegt ook nu : indien u wijsheid ontbreekt, begeer ze van Mij en Ik zal ze u geven, Ik, de God, Die mildelijk geeft en niet verwijt.
O ! dat de Heere ons niet verwijte het vele, dat ons verweten kan worden.
Dat de Heere ons schenke het vele, dat wij noodig hebben; !
Wij beginnen ons werk als opnieuw.
Opnieuw wordt de zaak van den Gereformeerden Bond, van de Fondsen aan ons allen voorgelegd.
Opnieuw gaat het om Kerk en Volk. Opnieuw gaat het om ons Leersttoelfonds en ons Studiefonds. Opnieuw komt het werk der Evangelisatie tot ons. Opnieuw staat de zaak van een eigen Kweekschool voor ons.
Neen — de Heere heeft ons niet gekastijd en beproefd, opdat we nu ledig op de markt zouden gaan staan.
De beproevingen des Heeren zijn mee hierom, om ons te beproeven of onze liefde, of ons geloof echt is. Om ons aan te vuren dat we op den Heere zouden vertrouwen, ook te midden van de tegenheden en om ons te doen werken, ook onder de beproevingen door, geloovende, dat ons werk in den Heere niet ijdel zal zijn.
Wij hopen dat allen —-ja allen! — trouw, hartelijk, vriendelijk, gestadig zullen willen medewerken om het werk aan onzen penningmeester aangenaam te maken.
Er is veel, héél veel noodig, om ons werk te kunnen blijven voortzetten, zooals het nu is. Denkt allen maar aan het Studiefonds, dan weet gij 't wel, dat alle krachten moeten worden ingespannen, om dit mooie werk in zake de opleiding van a.s. predikanten voort te zetten op denzelfden voet, als waarop het nu ingericht is.
En dan moeten we niet alleen probeeren te houden wat we hebben, maar we moeten onze actie, ons .werk, uitbreiden. Het moet nog toenemen en grooter worden.
Het moet.
Het is des Heeren bevel.
En het is een voorrecht, 't welk God ons geeft naar den rijkdom Zijner barmhartigheid, dat wij dit werk mogen doen met vereende krachten ! Heil den nieuwen penningmeester !
Dat vred' en aangename rust, En milde zegen u verblij ; Dat welvaart in uw vesting zij, in uw paleizen vreugd' en lust! Om vriend en broed'ren spreek ik nu : De vrede zij en blijv' in u ! Nooit moet haar mijd of twist verkloeken. Om 's HEEREN huis, in u gebouwd, Daar onze God Zijn woning houdt, Zal ik het goede voor u zoeken.
Onze nieuwe Secretaris.
't Eene is het gevolg van het andere. Nu ds. van der Snoek als penningmeester optreedt, geeft dat een ledige plaats ten opzichte van het secretariaat.
Op verzoek heeft ds. Batelaan van Barneveld zich bereid verklaard als secretaris op te treden — waarvoor hem ten zeerste dankbaar zijn. wij
Met ds. Goslinga als voorzitter en ds. Batelaan als secretaris van het Studiefonds, zal ds. van der Snoek in die commissie als penningmeester fungeeren.
De Evangelisatie-Commissie blijft ongewijzigd.
Voor alle correspondentie onzen Bond betreffend, ook wat het Studiefonds betreft, wende men zich dus tot ds. B. Batelaan te Barneveld.
De Heere zegene ook dit werk en geve ds. Batelaan kracht en lust, geloof en liefde, om met opgewektheid dezen arbeid aan te vangen en voort te zetten.
Met nieuwen moed nemen we saam ons werk in het belang van onzen Geref. Bond weer op !
De Heere heeft ons welgedaan, dies zijn we verblijd !
Een vergissing.
Toen wij onlangs hulde brachten aan de twee predikanten dr. Van Itterzon, van Alblasserdam, en dr. Houders, van Sneek, bij gelegenheid van hun promotie tot doctor in de theologie, noemden we als onderwerp van de dissertatie van den Alblasserdamschen dominé : Bogerman, de , voorzitter van de Dordtsche Synode van . 1618—'19. Dat was natuurlijk een vergissing. Want over Bogerman is vroeger , reeds een dissertatie verschenen en wel van de hand van dr. H. Edema van der Tuuk. ; Het academisch proefschrift van dr. G. P. van Itterzon, van Alblasserdam, handelt dan ook over Franciscus Gomarus. Wat wij een paar weken geleden schreven, om onze blijdschap uit te spreken, dat er weer een paar predikanten, die onze belijdenis liefhebben, gepromoveerd zijn, blijft natuurlijk, ten spijt van onze vergissing, 't zelfde. En hartelijk hopen we, dat het onderwijs van de professoren de studenten zóó bezielen mag, dat jonge menschen worden aangemoedigd tot studie en jonge doctoren ons vooruit mogen helpen én in dogmaticish èn ten opzichte van ons kerkelijk leven. Het Gereformeerd Protestantisme is de moeite van bestudeering waard en onze Hervormde Kerk — tot vér buiten haar kring — kan er grootelijks voordeel van ontvangen !
Een fout.
Een vergissing is jammer en is leelijk. Het is een slordigheid, welke niet te pas komt. Maar een fout is erger. En in hetzelfde nummer van „De Waarheidsvriend" waarin we de vergissing maakten ten opzichte van het academisch proefschrift van collega Van Itterzon, hebben we een fout gemaakt, waarvoor we gaarne aan 't betrokken adres onze verontschuldiging maken en die we gaarne hier, voor zoover mogelijk is, willen herstellen en goedmaken. Wij schreven in groote ontstemming over de Ethischen inzake hun houding ten opzichte van de reorganisatie ; en wel over de Ethischen, die zich presenteeren in het Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur, met name over hen, die in ds. Hoek, van Amsterdam, den secretaris der Ethische Vereeniging, veelal hun spreekbuis hebben. Wij vonden — en vinden — 't jammer, dat zij zich zóó hebben geopenbaard en met zoo groote blijdschap over de verwerping van het Voorstel tot Reorganisatie spraken en schreven.|Maar toen hebben wij de fout begaan, om, naar aanleiding van een beschrijving welke ds. Hoek gaf van een ouderling, die voor het tuchtrecht in de Kerk opkwam en geen Grieksch kende — en daardoor volgens den schrijver een zoo groote flater sloeg, geschreven : laat ds. Hoek dan maar voor clown spelen.
Dat was verkeerd van ons. Dat hadden we zóó niet mogen schrijven.
En daarom vinden we, dat 't onze dure plicht is deze woorden hier terug te nemen. Wij blijven het ontzettend jammer vinden, dat er bij een gedeelte van de Ethischen op dit punt, waar het er om gaat dat de Hervormde Kerk als Kerk officieel zal uitkomen als een Christus' belijdende Kerk, een houding wordt aangenomen, als door prof. Brouwer, ds. Hoek, ds. Van Herwerden enz. enz., maar dat mocht ons niet er toe brengen om van ds. Hoek, in verband van dien, waarschijnlijk Confessioneelen ouderiing, die geen Grieksch kende, en die op ietwat spottende manier voor 't front gebracht werd, te schrijven, zooals we daar hebben gedaan.
Wij bekennen deze onze fout, en bieden gaarne onze verontschuldiging, bizonder aan ds. Hoek, hopende dat men het ons zal willen vergeven.
Dat er ook in deze allerbelangrijkste kwestie : dat de Hervormde Kerk als Kerk officieel zal uitkomen als Christus' belijdende Kerk — tusschen ons en de Ethischen meer overeenstemming mag komen, is onze hartelijke en oprechte wensch en bede !
Uitgepraat.
Ook dit jaar is weer te Ommen in het Sterkamp een vertooning geweest van den nieuwen Wereldleeraar Krishnamoerti, in wien de geest van Christus zich geïncarneerd heeft, maar die blijkbaar reeds geheel en al uitgepraat is. Verleden jaar wezen we daar al op, toen de berichten de ronde deden, dat de Orde van de Ster zou worden opgeheven, maar dit jaar is de indruk wel heel sterk gevestigd, dat de nieuwe Wereldleeraar een vervelende wauwelaar is, die niets nieuws weet te zeggen, terwijl hij hetgeen wat er nog uitkomt, uitermate lauw en flauw voortbrengt. Met algeheele instemming nemen we hier over wat het Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur" schrijft, onder het opschrift : „K risjnamoerti uitgeput".
We lezen daar :
»Wie de beweging van Krisjnamoerti aandachtig volgde, kan reeds lang den indruk niet meer van zich afzetten, dat het met de zending van dezen Wereldleeraar op een einde liep. Het was alsof Krisjnamoerti tegen zijn zin te veel in het centrum van de Orde van de Ster was geplaatst en naarmate hij meer te Ommen optrad, ook hoe langer hoe meer behoefte gevoelde zich op tactvolle wijze aan deze centrale positie, die hij niet kan dragen, te onttrekken. Leest men 't blad van de beweging rondom Krisjnamoerti, dan krijgt men telkens weer vraaggesprekken of toespraken onder de oogen, waarin in groote eentonigheid voortdurend weer hetzelfde wordt gezegd. Men vraagt zich af, wat de lezers aan deze beschouwingen hebben. Er is nergens het kenmerk van het talentvolle, laat staan van het geniale.
Bij de opening van het Kamp van dit jaar verklaarde de Wereldleeraar, dat 't tweemaal per dag spreken van één en denzelfden persoon, in dit geval hij zelf, te veel was. Verder sprak hij zich uit tegen de opvatting als zouden speciale centra eenige bijzondere waarde hebben. In 1932 en 1933 zouden er geen Kampen te Ommen plaats hebben, wel vermoedelijk nog in 1931, en waarschijnlijk daarna eerst in 1934. In het kort bracht hij in zijn openingstoespraak nog eens naar voren, dat alle vereenigingen met een z.g.n. geestelijk doel van onwaarde zijn, dat geestelijke autoriteiten en ceremonieel geen beteekenis hebben, dat essentiëele critiek op zijn zienswijze en twijfel van vitaal belang moeten worden geacht.
Verder verklaarde Krisjnamoerti, de Wereldleeraar : „Ik kan niet uit mijn geest nieuwe ideeën putten, maar ik kan voortgaan telkens en telkens weer hetzelfde te beschrijven uit een ander gezichtspunt".
De deelneming aan het Kamp is aanmerkelijk minder dan in het vorige jaar. Krisjnamoerti gaat zijn bijzondere aandacht aan het Oosten wijden. Hij vertrekt voorloopig uit het Westen. Dat is ook maar beter. De situatie is hier zóó, dat wij hier zulke stellig goedmeenende maar onbelangrijke „Wereldleeraars" niet kunnen gebruiken. En wij weten ook te goed hoe wereldleeraren er uitzien, dan dat wij aan deze ster van de zooveelste grootte geloof zouden kunnen schenken«.
Krishnamoerti af
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 augustus 1930
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's