De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Schriftverklaring

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Schriftverklaring

Brief aan de Romeinen.

9 minuten leestijd

Hoofdstuk 8 vers 12—14. Zoo dan, broeders, wij zijn. schuldenaars niet aan het vleesch, om naar het vleesch te leven ; want indien gij naar het vleesch leeft, zoo zult gij sterven ; maar indien gij door den Geest de werkingen des lichaams doodt, zoo zult gij leven.Want zoovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods.

Wij lezen van Christus, dat Hij eens tien melaatschen gereinigd heeft. Toch kwam er van die tien menschen maar één terug om den Heere Christus groot te maken. En die ééne was een Samaritaan, iemand, van wien we het allerminst verwacht hadden. Waar zijn de negen anderen ? riep Jezus met weemoed uit. Was het niet snood ondankbaar van deze gereinigden, dat ze niet zijn wedergekeerd om hunnen Redder dank te betuigen ?
Hoeveel te meer is het noodzakelijk, dat in den verlossingsweg van zondaren ook de kennis van het derde stuk niet zal achterblijven. „Hoe ik Gode voor zulk een verlossing zal dankbaar zijn" ; deze geijkte woorden van den Heidelberger mogen wel op de deuren des harten van al Gods kinderen worden gegrift.
Ook het 12e vers van Romeinen 8 spreekt over deze dankbaarheid. Als we zoo bij 't begin lezen : „Zoo dan, broeders, wij zijn schuldenaars", dan zouden we zeker verwachten, dat er op zou volgen „aan den Heiligen Geest". Door den Heiligen Geest toch heeft de Vader het leven in de harten Zijner kinderen gewekt. Die Heilige Geest was de toepasser. Hij trok de grendels van de deuren van uw hart. Hij scheen met het licht Zijner ontdekking. Hij verwekte de droefheid naar God. Hij deed bidden met onuitsprekelijke verzuchtingen. Hij schonk geloof om den Christus te omhelzen. Hij schenkt allerlei heerlijke vruchten. De vruchten des Geestes zijn immers geloof, goedertierenheid, blijdschap, vrede, verdraagzaamheid, en wat al niet meer. En in het bedenken des Geestes is leven en vrede. Maar niet alleen, dat die Geest aan deze zijde van het graf in arme zondaarsharten wil wonen, neen. Hij, die Christus uit de dooden heeft opgewekt, zal straks ook de sterfelijke lichamen van^Gods kinderen levend maken door Zijnen Geest, die in hen woont.
Zeg mij, zijn dan Gods kinderen geen schuldenaars aan den Heiligen Geest ? En toch drukt de apostel het anders uit. Hij zegt : Zoo dan, broeders, wij zijn schuldenaars niet aan het vleesch, om naar het vleesch te leven. Waarom zou de apostel zich zoo negatief hebben uitgesproken ? Zou het niet zijn, om juist nog dieper te laten gevoelen, hoe indroevig het is, om na ontvangene genade zich nog schuldenaars van het vleesch te weten.
Denk het u toch nog eens goed in. Als Gods Geest voor het eerst of bij vernieuwing het hart verlicht, wordt het dan niet met weemoed beleden, dat wij bij den Heere in het krijt staan ? Duizenden talenten schuld en geen penning om te betalen. Lezers, is dat nu niet het grootste wonder, dat God in Christus Jezus zulk een arm zondaar nog wil rechtvaardigen ? De zonden en de schuld geworpen in den oceaan der vergetelheid ! Zeg mij, zal elk, die het ervaart, niet moeten uitroepen : Wat zal ik, met Gods gunsten overlaan, Dien trouwen Heer voor Zijn gena vergelden ?
Onze ouden plachten wel eens te zeg­gen, dat er een eeuwigheid voor noodig zou wezen om den Heere daarvoor te danken.
En toch werpt het verdorven vleesch zich telkens weer brutaal als schuldeischer op. „Dien mij", zoo roept het vleesch. „Vervul mijne begeerten, en ik zal u alle koninkrijken der wereld geven". Het vleesch rusl nimmer, vóór de zondaar zich met lichaam en ziel aan de ongerechtigheid heeft overgegeven. Hoort het zoet gekweel van den vogelaar Satan, die overal zijn slagnetten spant.
O, dat zondige vleesch zoekt uwe verderfenis, o kinderen Gods. Maar neen, gij zijt niet meer van uzelf. Gij zijt het eigendom van den Heere Jezus. Het vleesch heeft geen recht meer op u.
Satan, wereld en eigen vleesch, drie schrikkelijke machten, moeten uwe vijanden zijn. Want indien gij naar het vleesch leeft, zoo zult gij sterven. En het bedenken des vleesches is de dood. De eeuwige dood, de eeuwige afgrijnzing zal het einde zijn.
Maar indien gij door den Geest de werkingen des lichaams doodt, zoo zult gij leven. O, nu komt de strijd. De drie machtige vijanden, die het aanleggen op uw verderf, moeten worden aangegrepen. O, wat zult gij vermogen, o kind van God. Maar ge hebt toch wel goed gelezen ? Er staat niet, dat het in eigen kracht moet geschieden. Dan was het voor eeuwig verloren. Neen, er wordt gesproken van een dooden van de werkingen des vleesches door den Heiligen Geest.
't Is Isrels God, die krachten geeft, Van Wien het volk zijn sterkte heeft, Looft God, elk moet Hem vreezen !
Aan Hem, den Heiligen Geest, zijt gij schuldenaars, o kinderen Gods,
Blusch Hem niet uit ! Wil Hem toch niet bedroeven ! zoo raadt de apostel Paulus elders. Want gij zijt aan Hem schuldenaar.
Ik las bij een schrijver een merkwaardige tegenstelling : „Het vleesch zoekt te leven in de zonde en in de vijandschap tegen God, en het houdt niets anders over dan den dood.
Maar de Geest zoekt te dooden de werkingen des lichaams in zonde, vijandschap en eigengerechtigheid, en het leven groeit en bloeit. Ziehier een dooden, dat het leven is".
O, kinderen Gods, laat het woord van Paulus u een prikkel tot Dankbaarheid mogen wezen : „Want gij zijt duur gekocht ; zoo verheerlijkt dan God in uw lichaam en uwen geest, welke Godes zijn".
Uit en van zichzelf is echter de mensch onbekwaam om de werkingen des lichaams te dooden. Boven zeiden we reeds, dat het alleen mogelijk^ is door de hulp van den Heiligen Geest.
Heiligen Geest. En daarom laat de apostel er dan ook op volgen : Want zoovelen, als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods.
Gevoelt ge niet, dat het er dus op aankomt om te weten of we ook door dien Geest geleid worden ?
Zonder dien Geest is men immers geen kind Gods. Die den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.
Kind Gods ! Is er wel schooner beeld te bedenken om te teekenen de genade, die de Heere aan een zondaar betoonen wil ? Wat is de betrekking tusschen vader en kind toch teer. Met recht zong de dichter : Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt zich de Heere over degenen, die Hem vreezen.
De rechtgeaarde vader zoekt immers het heil van zijn kind. Hij spijst het, hij laaft het, hij kleedt het, hij dekt het, hij beschermt het, hij leidt het, hij onderwijst het.
En het rechtgeaarde kind voelt zich afhankelijk. Het verwacht van zijn vader alles. Het vraagt om eten en drinken. En als het maar aan vaders borst mag schuilen, is het voor den grootsten hond niet meer bang.
Denk u nu eens in, wat het zeggen wil kind van God te zijn. Van nature kinderen des Satans, gelijk de anderen. Uit den vader den duivel, die een menschenmoorder van den beginne was. Maar door Christus, door de werking des Geestes, in den weg van wedergeboorte en waarachtige lévensvernieuwing in het kindschap Gods hersteld ! Nu deel hebben aan al de schatten van Zijn heerlijk Koninkrijk ! Nu leeren stamelen : Abba Vader, nadat het onder tranen is beleden met den verloren zoon : Ik ben niet meer waard om uw kind genaamd te worden.
Straks ook een erfgenaam Gods in de eeuwige heerlijkheid !
En wie zijn nu onder die gelukkige kinderen Gods te rekenen ? Wel, degenen, die door den Geest Gods geleid worden.
Bij die leiding hebben we niet te verwachten, dat God engelen op onzen levensweg zal leiden om ons met den vinger den weg te wijzen naar den hemel. Denk eens aan de woorden van den 'dichter van Psalm 25 :
Heer, ai maak mij Uwe wegen, Door Uw Woord en Geest bekend.
Als God de Heere leidt, dan leidt Hij door Zijn Woord en Geest.
Er zijn er, die den nadruk leggen op het Woord, met uitschakeling van den Geest. Dat worden dorre verstands-Christenen. Anderen leggen den nadruk op den Geest, doch met veronachtzaming van het Woord,wat onze vaders geestdrijverij noemden.
Maar de Heere leidt Zijne kinderen door Zijn Woord en Geest. Door dat Woord wil Hij onder de belichting des Heiligen Geestes ons ontdekken aan onze zonden. Dan begint dat Woord ons schier op elke bladzijde te veroordeelen. Dan worden we ongelukkige menschen in onszelf. En als we dan pogen om ons weer te stellen op het voetstuk van onze eigengerechtigheid, die we voor God meenen verkregen te hebben, doet die Heilige Geest ons dieper graven in den wand van ons hart. Zegt niet het Woord, dat al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed ?
Maar door dat Woord komt de Geest ook de verbrijzelden en verslagenen te troosten. De Geest opent de schatkameren van het Woord om heilzoekenden te vertroosten. Die Heilige Geest geeft sieraad voor asch en vreugdeolie voor treurigheid en het gewaad des lofs voor een benauwden geest.
Ik zou het kunnen samenvatten in enkele regelen, waarin de leiding des Geestes bestaat :
God maakt al Zijn kinderen arm in zichzelf. Hij breekt al hunne eigengerechtigheden af en stelt hun hunne zonden ordentelijk voor oogen.
Maar Hij leidt hen ook tot den Grooten Borg en Middelaar, Jezus Christus, in Wien alles te vinden is wat voor hunne zaligheid noodig is, voor tijd en eeuwigheid beide.
Dan spreekt Hij zalig de armen van geest en de treurenden vanwege hunne monden en de hongerenden en dorstenden naar gerechtigheid.
Wat is een kind gelukkig, hetwelk in vol vertrouwen door 's vaders hand geleid wordt !
Zoo maakt ook God, menigmaal in diepe wegen, den zondaar o zoo klein, opdat hij moge leeren de hand des geloofs op Christus te leggen en dan te ervaren wat Christus tot Philippus zei : Die Mij gezien heeft, heeft den Vader gezien.
Die door den Geest worden geleid, moeten de hand leeren leggen op de grondwet van Gods Koninkrijk : Hij moet wassen, doch ik moet minder worden.
Zalig, die zoo door Hem worden geleid en die het mogen weten dat zij kinderen Gods zijn, omdat Gods Geest in de verzekering het met hunnen geest betuigt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 september 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Schriftverklaring

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 september 1930

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's